Zoek op de website

Terugblik en historisch overzicht

In de loop van de eeuwen zijn er maar liefst vier plaatsen geweest waarop bouwwerken hebben gestaan die Apoort werden genoemd. Het is geen wonder dat dit tot verwarring en misverstanden heeft geleid. Voor de goede orde geef ik hier een beknopt overzicht van de ontwikkeling van de Groninger defensie aan de westzijde van de stad, zoals die zich volgens mij heeft voltrokken. Uiteraard is de houdbaarheid van mijn visie beperkt tot het moment dat iemand een ander, beter gefundeerd verhaal vertelt.

In de dertiende eeuw zijn aan het noordelijke en zuidelijke uiteinde van het huidige Hoge der A een muur en enkele torens opgetrokken. Van twee van deze torens kennen we de namen. Het zijn de ‘Meester Albertstoren’ die later Kassentoren wordt genoemd, en de Harkestoren. Waarschijnlijk heeft ook de Turftoren op de licht hellende oostelijke oever van de A gestaan. Wellicht is deze toren een vrijstaand gebouw geweest, maar het is ook niet uit te sluiten dat hij onderdeel uitmaakte van een stenen stadsmuur die de hele lengte van de oostelijke rivieroever besloeg. Een meter of tien verder naar het oosten stonden enkele grote stenen huizen. Deze zullen daar waarschijnlijk zijn gebouwd in verband met het havenbedrijf aan de A. Er was er slechts één plaats waar men de rivier kon oversteken: de Abrug bij de Brugstraat.

Op plekken waar aan de binnenzijde van de muur werd gebouwd, hield men een ruim twee meter brede ‘stadsweg’ vrij terwille van de defensie.

Tussen de rivier en de stukken stadsmuur bij de Abrug en latere Visserbrug lagen stroken grond die in de vijftiende eeuw werden opgehoogd. De muur werd daar in westelijke richting verplaatst. Op de aldus verkregen percelen verrezen huizen.

Deze ontwikkeling hangt samen met het graven van het Menrediep, even ten westen van de A. De locatie en naam van deze – vermoedelijk in de veertiende eeuw gegraven – watergang doen vermoeden dat hij (1) in open verbinding stond met de A en het Reitdiep, en (2) gegraven is in verband met het vervoer van goederen die per schip werden aan- en afgevoerd. Zoals gezegd bevond zich hier aan de westzijde van de stad de enige plek waar zeegaande vaartuigen konden worden geladen en gelost. Door het graven van het Menrediep werd de ruimte voor deze activiteiten aanzienlijk vergroot. De goederen zullen door ‘menners’ met behulp van bespannen karren en sleden zijn verplaatst. Ook in deze tijd was de Abrug (met Apoort ten oosten van de A) nog de enige doorgang waarlangs men de stad kon in- en uitgaan.

Door de ebdeuren bij de Mude (linksboven) gesloten te houden kon men het water van de Drentse A opstuwen. Door de ebdeuren bij de Mude (linksboven) gesloten te houden kon men het water van de Drentse A opstuwen.

Het Menrediep heeft waarschijnlijk ook een defensieve functie gehad. Door de aanleg van dijken en andere ingrepen in de waterstaatkundige toestand was de toegankelijkheid van het gebied ten westen van Groningen verbeterd. De westelijke flank van de stad was daardoor kwetsbaarder geworden dan ze aanvankelijk was. Bovendien begon in de loop van de veertiende eeuw de ontwikkeling van het geschut, dat aanvankelijk een uiterst beperkt bereik heeft gehad. Het was daarom al genoeg wanneer men kon voorkomen dat de vijand zijn ‘bussen’ al te dicht bij de muur kon opstellen. Elders heeft men buiten de stadsmuur een stelsel van grachten en wallen kunnen aanleggen om Groningens defensie up-to-date te houden, maar aan de westzijde was dat niet mogelijk. Misschien heeft men het Menrediep dus mede gegraven om het primitieve geschut op afstand te houden.

Hierbij dient nog even de aandacht gevestigd te worden op het feit dat Menrediep en A ‘lopende diepen’ waren. Daardoor was hun defensieve waarde in droge perioden gering. Om die reden is het mogelijk dat ook strategische overwegingen een rol hebben gespeeld toen het stadsbestuur van Groningen in 1332 met een aantal partners afspraken maakte over een zijl in de Paddepoel.29 Wanneer deze zijl van ebdeuren voorzien is geweest, kon men met behulp daarvan het afstromen van de Drentse A via het Reitdiep blokkeren, zodat er ook in het droge seizoen buiten de westelijke stadsmuur van Groningen voldoende water bleef staan in de A en het Menrediep.

Toen de stadsmuur aan het noordelijke einde van het Hoge der A een eindje in westelijke richting werd verplaatst, deelde het stadsbestuur de kosten daarvan met de eigenaar van het huis dat gebouwd zou worden op het perceel dat beschikbaar kwam door de verplaatsing van de muur. Uit de bronnen blijkt dat de muur en de gevels daar bovenop in elk geval hun defensieve betekenis behielden tot het jaar 1468. Iets dergelijks lijkt ook ter weerszijden van de Brugstraat te zijn gebeurd.

In de jaren 1469-1471 werkten de stadjers met assistentie van de inwoners van het Gorecht en vele Ommelander kerspelen aan een grootscheepse verbetering van de stedelijke vestingwerken. Volgens een kroniekschrijver deden ze dit ‘omme anx ende geruchte van hertoich Karel’. De Groningers en Ommelanders hadden gehoord dat de Bourgondische hertog Karel de Stoute van plan was Friesland bij zijn landen in te lijven, en waren doodsbenauwd dat hij een einde zou maken aan hun ‘Friese vrijheid’. Buiten de muur kwam een hoge aarden wal – het bolwerk – te liggen met een gracht daarvoor. Aan de zuidzijde werd de stad ook een flink stuk uitgelegd. Volgens de kroniekschrijver werd het bolwerk in 1471 ‘in het vierkant’ voltooid.30 De uitdrukking ‘in het vierkant’ (in quadratum) heeft behalve de letterlijke betekenis ook een figuurlijke en wil dan niet meer zeggen dan ‘geheel en al’, ‘volledig’. Met het oog op de vierkante vorm van de Groningse stadsplattegrond meent men echter uit deze woorden te kunnen opmaken dat aan alle vier de zijden van de stad Groningen een zelfde aarden-wal-met-gracht is aangelegd. Voor de westzijde zou dat betekenen dat er een wal zou zijn opgeworpen op de singel tussen het Menrediep en de A, of – zoals Van Giffen en Praamstra dachten – verder naar het westen, tussen de Westerbinnensingel en de Westersingel. Dit laatste is in elk geval onjuist. Zoals we al eerder zagen, is de door hen bedoelde verdedigingslinie pas 60 jaar later, in de Gelderse tijd, aangelegd.

Wanneer er in de jaren 1469-1471 iets is gedaan om de westflank van de stad beter te beschermen, zal dit beperkt zijn gebleven tot het opwerpen van een wal (met borstwering?) op de singel tussen Menrediep en A. We moeten dan wel accepteren dat er, om met Overdiep te spreken, twee ‘kranke plekken’ in de verdedigingslinie ontstonden. Ik bedoel daarmee de plaatsen waar het bolwerk de A kruiste. Daarvoor zou pas in de Gelderse tijd een oplossing worden gevonden.

De kroniekschrijver maakt in de geciteerde passage ook melding van de Nieuwebrug en de bouw van een kraan, allebei in de noordwestelijke hoek van de stad. Uit latere bronnen weten we dat de kraan op het bolwerk stond ter plaatse van de huidige Hoek van Ameland. Om deze losplaats bereikbaar te maken is aan het einde van de Visserstraat, tussen de noordwestelijke hoektoren en de Kassentoren, een klein poortje in de stadsmuur gemaakt: de (Lutke) Kranepoort. Het is op het eerste gezicht niet duidelijk met welk doel de Nieuwebrug (ook Kranepoortenbrug, nu Visserbrug) is gebouwd. Voor zover bekend was er destijds buiten de stad nog geen belangrijke weg die met de Kranepoort correspondeerde. De Kranepoort en een brug daarbuiten hebben hooguit toegang kunnen geven tot de zuidelijke, respectievelijk westelijke dijk langs het Reitdiep. Het is daarom niet uitgesloten dat ook deze brug is geslagen in verband met de groeiende havenactiviteiten aan de zuidelijke oever van het Reitdiep ter hoogte van de huidige Reitdiepskade. Wanneer in de jaren 1469-1471 inderdaad een defensieve wal is opgeworpen op de singel tussen Menrediep en A, zal dit ten koste zijn gegaan van de ruimte die daar voor het laden en lossen van schepen beschikbaar was. Dat kan de reden zijn geweest voor een verplaatsing van deze activiteiten naar de plek aan de huidige Reitdiepskade.

Sicke Benninghe vertelt over de bouw van de stenen Binnen- Apoort (1517) Editie Brouërius van Nidek (1725) p. 314. Sicke Benninghe vertelt over de bouw van de stenen Binnen- Apoort (1517) Editie Brouërius van Nidek (1725) p. 314.

‘Van de nie Ae Poorte de de Gronningers leten maecken en woe de knechten toe Loppersum geslaegen worden.

In den jaere ons Heeren duisent vyfhondert ende soeventyn op den vyften dagh augusti op Sunte Dominicus dagh de was doe op eenen wonsdagh, wort de nie poorte ter Ae angeleght ende begundt toe maecken, de daer steet tusschen dat [bolwerck] an de Mennersgraft. Harmen Cock was doe rentmester en Roeleff Sissinge bouwmester ter Ae. De leeden den eersten steen der poorten als de angelecht wort, en leden goldt en silver onder den eersten steen. En den steen daer die poorte gemaecket wort genoomen van den grooten toorn en de poorte daer die grave hadde begunt toe maecken buiten Oosterpoorte in de woert.’

Ik veronderstel dat men in het kader van de bevestiging van de singel tussen Menrediep en A rond 1470 ook een soort ‘voorpoort’ heeft gebouwd ten westen van de middeleeuwse Apoort op de oostelijke oever.

In 1500 werd Groningen tevergeefs belegerd door hertog Albrecht van Saksen. Enkele jaren later bedreigde ook zijn zoon Georg de aan haar vrijheid verknochte stad. In haar nood zocht ze steun bij de Oostfriese graaf Edzard, maar toen deze te zwak bleek om de nodige bescherming te bieden, ruilde ze hem in 1514 in tegen de hertog van Gelre. De woelingen van die tijd zullen de Groningers hebben duidelijk gemaakt, dat hun defensie verdere versterking behoefde. Wellicht heeft men daarom besloten om de zojuist genoemde ‘voorpoort’ in het bolwerk op de singel tussen Menrediep en A te vervangen door een stenen poortgebouw. Op 5 augustus 1517 legden rentmeester Harmen Cock en bouwmeester Roelof Sissinge de eerste steen voor een ‘nie poorte ter Ae’.31 Deze poort werd later ‘Binnen-Apoort’ genoemd. Voor de bouw ervan werden bakstenen gebruikt die afkomstig waren van de sloop van het kasteel van graaf Edzard van Oost-Friesland, dat in de zuidoostelijke hoek van de stad had gestaan.

In die tijd nam de invloed van het Bourgondisch-Habsburgse bewind in de Nederlanden toe en daarmee ook de oorlogsdreiging. Het Gelderse Groningen zag zich genoodzaakt zich verder in te graven. Tussen 1528 en 1531 werd aan de westzijde van de stad, tussen de huidige Westersingel en Westerbinnensingel/Westerhavenstraat, een nieuw, zwaar bolwerk opgeworpen. Buitenom kwam een gracht met stilstaand water. Rondelen werden opgeworpen om de twee ‘kranke’ plekken te beschermen waar het nieuwe bolwerk de A kruiste. Er kwamen twee nieuwe poorten in het bolwerk: een (Buiten-) Kranepoort in het noorden en een (Buiten-) Apoort in het zuiden. De Buiten-Kranepoort kwam te staan op de plek waar nu het schoolgebouw staat waar het materialendepot van de dienst ROEZ en de Stichting Monument en Materiaal zijn gehuisvest, op de zuidwestelijke hoek van de huidige Verlengde Visserstraat en Westerbinnensingel. De nieuwe (Buiten-) Apoort stond op de kruising Astraat–Westerbinnensingel/Westerhavenstraat. Volgens de kroniekschrijver Abel Eppens waren de nieuwe poorten van hout en waren ze niet overwelfd.32

Door de bouw van de nieuwe Apoort verloor de pas enkele jaren tevoren voltooide indrukwekkende (Binnen-) Apoort haar primaire verdedigende functie. Wanneer in 1534 in een tekst sprake is van de Apoort, wordt – dat blijkt uit de context – daarmee de Binnen-Apoort bedoeld.33 Wanneer we dit gegeven combineren met het jaar van de laatste vermelding van de middeleeuwse Apoort op de oostelijke oever van de A (1511), kunnen we de conclusie trekken dat deze oudste Apoort (de ‘Binnenste Apoort’ dus) tussen 1511 en 1534 moet zijn opgeruimd.

De in de Gelderse tijd opgetrokken houten Kranepoort en Apoort zijn in 1553 vervangen door stenen exemplaren. Dit gebeurde in het kader van een verdere modernisering van de vestingwerken, die onder meer voorzag in een verbreding van de aarden wal. Abel Eppens vertelt dat de poorten toen ook overkluisd werden, zodat het tijdens een rondgang over het bolwerk niet meer nodig was om bij een poort van de wal af te dalen en hem aan de andere kant weer te bestijgen.34

Nog eens de twee Apoorten op de stadsplattegrond van Braun en Hogenberg uit 1578. GrA T1536-5210. Nog eens de twee Apoorten op de stadsplattegrond van Braun en Hogenberg uit 1578. GrA T1536-5210.

Op de vogelvluchtplattegrond van Braun en Hogenberg zien we beide stenen Apoorten: links de Buiten-Apoort van 1553 en rechts de Binnen-Apoort van 1517. De twee poorten zijn ook nog afgebeeld op de plattegrond van Nicolaas van Geelkercken, die in 1616 werd opgenomen in de Rerum Frisicarum Historia van Ubbo Emmius.

De Binnen- en Buiten-Apoort op de plattegrond van Nicolaas van Geelkercken (1616). GrA T1536-6886. De Binnen- en Buiten-Apoort op de plattegrond van Nicolaas van Geelkercken (1616). GrA T1536-6886.

De Buiten-Apoort van 1553 is omstreeks 1620 afgebroken om plaats te maken voor de nieuwe stadswal, waarvan het verloop hier met streepjeslijnen is aangegeven.

De plaats waar de Buiten-Apoort (de poort uit de Gelderse tijd) heeft gestaan is herkenbaar aan de verwijding in de Astraat. De plaats waar de Buiten-Apoort (de poort uit de Gelderse tijd) heeft gestaan is herkenbaar aan de verwijding in de Astraat.

Zoals gezegd had de Binnen-Apoort na de bouw van de Buiten-Apoort eigenlijk geen functie meer voor de stadsverdediging. De Groningers waren echter buitengewoon gehecht aan het fraaie bouwwerk. Dat bleek toen Caspar de Robles, de Portugese kolonel die ten tijde van de hertog van Alva in het noorden de honneurs waarnam voor koning Filips II, in 1575 bij het stadsbestuur aandrong op een grotere inzet bij het voltooien van de dwangburcht die in de locale geschiedenis bekend staat als ‘het kasteel van Alva’.

De Robles stelde voor om de Binnen-Apoort af te breken en de stenen te gebruiken voor het nieuwe fort. Het stadsbestuur reageerde afwijzend. De poort was, aldus de heren, ‘door onze lieve voorouders met gemeenschapsgeld gebouwd ter verdediging en tot sieraad van de stad’, van afbraak ervan wilden ze niet weten.35

Net zoals de andere stenen stadspoorten werd ook de Apoort aan particulieren verhuurd of als gevangenis gebruikt. Raadsheer Frederick Moysteen huurde de poort in 1584 om graan te ‘zolderen’.36 Vier jaar later werden er de galeiboeven opgesloten die afkomstig waren van een oorlogsschip dat deel had uitgemaakt van de Spaanse Onoverwinnelijke Vloot, uit de koers was geslagen en in Delfzijl beland.37

Toen in de jaren 1615-1628 de vestingwerken werden aangelegd die tot het einde van de negentiende eeuw de stad hebben omgeven, werd de Buiten-Apoort van 1553 afgebroken om plaats te maken voor de nieuwe wal. De nieuwe Apoort die hier in het jaar 1623 werd gebouwd was – zo kunnen we op de vogelvluchtplattegrond van Egbert Haubois zien – uiterst simpel van architectuur. Een indrukwekkend front ontbrak, zodat de poort niet veel meer was dan een stenen pijp door de wal. Later, in 1657, is alsnog een nieuwe Apoort
gebouwd in renaissance-stijl, met een voor bewoning geschikte bovenverdieping. De poort was voorzien van een torentje met rood koepeldak. Het klokje dat daarin was opgehangen waarschuwde de reizigers een kwartier voor de afvaart van de trekschuit naar Friesland.38

Buiten- en binnenfront van de ‘Buitenste-Apoort’ van 1623, met de renaissance-opbouw van 1657. Het afgebeelde poortgebouw is in 1859 afgebroken. Geaquarelleerde pentekening door G. Kater Jzn. GrA T1536-5831. Buiten- en binnenfront van de ‘Buitenste-Apoort’ van 1623, met de renaissance-opbouw van 1657. Het afgebeelde poortgebouw is in 1859 afgebroken. Geaquarelleerde pentekening door G. Kater Jzn. GrA T1536-5831.

De ‘Buitenste-Apoort’ van 1623 op de plattegrond van Haubois. De renaissance-opbouw van 1657 is door een latere bewerker van de plattegrond op een onbeholpen manier toegevoegd. GrA T1536-5229 (detail). De ‘Buitenste-Apoort’ van 1623 op de plattegrond van Haubois. De renaissance-opbouw van 1657 is door een latere bewerker van de plattegrond op een onbeholpen manier toegevoegd. GrA T1536-5229 (detail).

De doorgang door de westelijke stadswal kort voordat de brug over de stadsgracht werd vervangen door een dam, c. 1875. Foto J.G. Kramer. GrA T1785-13591. De doorgang door de westelijke stadswal kort voordat de brug over de stadsgracht werd vervangen door een dam, c. 1875. Foto J.G. Kramer. GrA T1785-13591.

De 19e eeuwse stadsbestuurders hadden minder op met het verleden dan hun voorvaderen van 1575 en besloten in 1827 en 1828 de Binnen-Apoort af te breken.39 In 1859 onderging de bouwvallige Buitenste Apoort hetzelfde lot.40 Over bleef een onoverdekte doorgang door de wal, die aan weerszijden met eikenhouten deuren kon worden afgesloten. Tenslotte schiep de Vestingwet van 1874 de mogelijkheid om ook dit laatste hinderlijke restant van de vestingwerken op te ruimen. In 1875 werden de overblijfsels van de westelijke stadspoort verwijderd en werd de brug over de gracht vervangen door een dam. Hierna heeft Groningen het 125 jaar zonder ‘Westpoort’ moeten doen.

Met dank aan Bram Idema voor het gebruik dat ik van zijn aantekeningen uit de stadsrekeningen mocht maken en aan Bert Tuin voor zijn commentaar op mijn tekst.

Dit artikel is in eerste aanleg in 2010 geschreven op verzoek van de redactie van het jaarboek Hervonden Stad. Vanwege zijn omvang is het niet geplaatst. Ook voor het Historisch Jaarboek Groningen werd het niet geschikt geacht.

29.

GrA T2100-66.1; gedrukt: OGD I 330; Van den Broek 2011, 67-74.

30.

Van den Hombergh en Van der Werff 2012, 84.

31.

Van den Hombergh en Van der Werff 2012, 414.

32.

Feith en Brugmans 1911, I 117.

33.

GrA T2100-9 blz. 583; Formsma en Van Roijen 1964, 50.

34.

Feith en Brugmans 1911, I 117.

35.

Formsma en Van Roijen 1964, 334-335.

37.

GrA T2100-15.1 fol. 66v-67v, en Van den Broek 2008, 135 (GrA T2100-1.1 fol. 87).

38.

Doorgaans wordt de bouw van dit torentje op 1670 gedateerd (bijv. Feith 1898, 134, en Schuitema Meijer 1976, 708). Uit de rekening van de ontvanger-generaal van de provincie Stad Groningen en Ommelanden blijkt dat dit onjuist is (GrA T1-1880 fol. 204v).

39.

De doorgang door de westelijke stadswal kort voordat de brug over de stadsgracht werd vervangen door een dam, c. 1875. Foto J.G. Kramer. GrA T1785-13591.

40.

Verslag van den toestand der gemeente Groningen 1859, 23