Zoek op de website

200 jaar geleden: de bevrijding van Delfzijl, niet voor iedereen een feest

November 1813: Nederland is onderdeel van het Franse keizerrijk. Maar Napoleon heeft een zware nederlaag geleden bij Leipzig en zijn tegenstanders zijn in opmars. De kozakken (Russische ruiters) vallen het land binnen en de Fransen slaan op de vlucht. Behalve in Delfzijl. De Franse kolonel Pierre Maufroy weigert de vesting op te geven. Pas op 23 mei 1814 vertrekken de Fransen daar. Niet iedereen in Delfzijl staat te juichen. Voor Lucas Johannes Spandaw Ducelliee is het vertrek van de Fransen een flinke tegenslag. Deze arts is sinds 1811 maire (burgemeester) van Delfzijl, maar nu moet hij het burgemeesterschap overdragen aan nieuwe machthebbers.

Tegenwerking

De nieuwe burgemeester, Jan Jans Vos, komt al snel tot de conclusie dat Delfzijl zwaar in de schulden zit. De gouverneur van de Provincie Groningen stelt dan ook een commissie in die orde op zaken moet stellen. Dat blijkt een flinke klus, want de gemeentelijke administratie is een puinhoop en oud-maire Ducelliee werkt niet erg mee. Een jaar lang weigert hij de administratie over te dragen. Uiteindelijk ziet burgemeester Vos geen andere mogelijkheid dan naar het kantoor van Ducelliee te gaan en het hele archief in beslag te nemen. In dat archief treft hij overigens weinig financiële dossiers aan. Ducelliee blijft hem intussen tegenwerken. Steeds als de gouverneur of de burgemeester hem oproept voor een overleg probeert hij er onderuit te komen. Toch legt Ducelliee in 1816 stukje bij beetje verantwoording af aan de zittende gemeenteraad. Die gemeenteraad keurt niet elke verantwoording zonder meer goed. Op 8 november 1816 verklaart de gemeenteraad bijvoorbeeld dat ze de verantwoording van de administratie van de kazerne niet kan goedkeuren omdat ze de administratie niet heeft kunnen inzien en omdat de bewijsstukken die Ducelliee aanvoert volgens de raad “de echtheid misschen dewelke zulke instrumenten zoozeer behoeven”.

Problemen

Ducelliee kampt intussen ook privé met financiële problemen. Op 9 oktober 1816 stuurt Ducelliee een brief aan J.R. Modderman waarin hij smeekt om een lening van 250 gulden. Ducelliee legt uit dat hij tijdens zijn burgemeesterschap nauwelijks gelegenheid heeft gehad om zijn beroep als arts uit te oefenen. Ook betaalde het ambt volgens hem niet genoeg om een huishouden van te onderhouden. “Na het beleg is men op mij angevallen als woedende Leuwen, men heeft mijn huis, de lust mijner oogen, voor een zeer lage prijs doen verkopen”. In een brief aan de gouvereur van 2 juni 1817 beschrijft hij zijn toestand als “diep ter neer gezonken in armoede, en ellende, omringd van tegenspoed, waar ’t oog geen eind in ziet”.

Valse kwitanties

In het najaar van 1817 zetten twee commissarissen van de Gedeputeerde Staten van Groningen een kantoor op bij kastelein Meulman in Delfzijl om in twee dagen tijd twaalf getuigen te horen. Deze getuigen hebben in de jaren 1811-1814 allerlei klussen gedaan voor de kazerne, zoals timmeren, naaien en lakens wassen. Zo vertelt de 32-jarige weduwe Maria P. Wolt dat zij op verzoek van de maire nieuwe lakens naaide en oude lakens verstelde. De maire leverde het benodigde garen en betaalde voor het naaiwerk. De precieze bedragen weet Maria niet meer, maar ze weet wel dat ze nooit kwitanties heeft afgegeven. De naaister verklaart dat Ducelliee haar in de afgelopen zomer naar zijn huis toe liet komen om enkele kwitanties te tekenen. Maria tekende, hoewel ze niet wist wat die briefjes inhielden. De door Maria getekende kwitanties zijn bewaard gebleven. Het gaat om twee bonnetjes voor naaiwerk en drie bonnetjes voor het wassen van lakens, met de jaartallen 1812 en 1813 erop. Maar Maria verklaart dat ze nooit iets heeft gewassen voor de burgemeester. Het lijkt er dus op dat Ducelliee achteraf heeft geprobeerd bewijsmateriaal te fabriceren! Of Ducelliee ook fictieve kosten heeft opgevoerd is op grond van zijn archief niet te achterhalen, maar hij heeft in ieder geval geen deugdelijke financiële administratie bijgehouden. Het oordeel van het nieuwe gemeentebestuur is dan ook bikkelhard.

 Valse kwitantie van Maria P. Wolt, 1817 (2302-60) Valse kwitantie van Maria P. Wolt, 1817 (2302-60)

Vordering

Op 9 mei 1818, vier jaar na het vertrek van de Fransen, hebben burgemeester Vos en de gemeenteraad de financiële situatie van Delfzijl eindelijk volledig in kaart gebracht. De zaak was dan ook bijzonder complex. De oplossing van de gemeenteraad pakt slecht uit voor Ducelliee. De raad besluit onder meer dat zij een bedrag van f 2112 en 74 centen op de voormalige maire gaat verhalen. Dat slechte nieuws krijgt de voormalige maire niet meer mee, want Lucas Johannes Spandaw Ducelliee is enkele maanden eerder op 27 maart overleden. Hij is slechts 46 jaar geworden.

Meer weten?

De geschiedenis van Nederland in de Franse Tijd en het ontstaan van het Koninkrijk der Nederlanden is na te lezen op de website van 200 Jaar Koninkrijk

Het privé-archief van Ducelliée wordt bewaard bij de Groninger Archieven.

Hierin bevinden zich onder meer de twee processen-verbaal van de inbeslagname van het gemeentearchief door burgemeester Vos (2303-47),

de correspondentie met burgemeester Vos (2302-58)

en de brief aan Modderman (2302-2).

Er is ook een dossier met de financiële verantwoording door Ducellie en het oordeel van de gemeenteraad hierover (2303-60). De getuigenverklaringen en kwitanties zijn in dit dossier opgenomen.