Zoek op de website

De borg Nienoord en het slavernijverleden van Groningen

Anne van Lieshout, student Geschiedenis aan de RUG, deed onderzoek naar de sporen van het slavernijverleden in Groningen. Eén van de plaatsen die zij bestudeerde was de borg Nienoord.

De borg Nienoord, uitsnede uit de Coenderskaart, 1680, collectie GrA (1536-1475). De borg Nienoord, uitsnede uit de Coenderskaart, 1680, collectie GrA (1536-1475).

Aandelen in de Kamer Stad en Lande van de WIC

In 1524 werd de borg Nienoord gesticht door Wigbold van Ewsum (1470-1528) en deze bleef tot de tragische dood van Johan van Panhuys en zijn gezin in 1907 in de familie. Tussen 1640 en 1714 woonde Anna van Ewsum op de borg.[1] Zij was de dochter van Willem van Ewsum van Nienoord (1601/1608-1643) en Margaretha Beata von Freytagh zu Gödens (1621-1665). Haar vader behoorde in 1643 tot de hoofdparticipanten van de Groningse Kamer Stad en Lande van de Westindische Compagnie. Hij had in deze Kamer het grote bedrag van 10.000 gulden ingelegd, een bedrag dat Anna later van haar moeder in aandelen “staende op de Westindische Compagnie, bij de Caemer van Groningen” zou erven.[2] Bij het overlijden van haar vader datzelfde jaar, erfde Anna de borg. Haar moeder hertrouwde al snel, in 1645, met Rudolf Willem van In- en Kniphuisen (1620-1666).

Portret met zwarte bediende

Anna trouwde zelf op zeventienjarige leeftijd in 1657 met de broer van haar stiefvader, Carel Hiernonymus van In- en Kniphuisen van Upleward (1632-1664). Een aantal jaar later stierf haar man al, waarop Anna hertrouwde met een neef van haar overleden man, Georg Wilhelm van In- en Kniphuisen (1635-1709), in 1665. Ter eren van hun huwelijk werden beide echtlieden geschilderd door de bekende Nederlandse schilder Jan de Baen (1633-1702). Op het schilderij werd Anna afgebeeld met een zwarte bediende die haar bloemen op een schaal aanreikt.

Replica van het schilderij van Anna van Ewsum met zwarte bediende, 1964  (Collectie Gemeente Leek, 8880) Replica van het schilderij van Anna van Ewsum met zwarte bediende, 1964 (Collectie Gemeente Leek, 8880)

Dit betekent niet dat zij daadwerkelijk een zwarte bediende in dienst had, maar moet geïnterpreteerd worden als een trope in de toenmalige schilderkunst. Door zich met een zwarte bediende af te beelden, werd duidelijk gemaakt dat men over de nodige rijkdom beschikte. Daarnaast stak Anna’s blanke huidskleur, wat toen gold als het schoonheidsideaal, tegen de donkere kleur van de bediende af, waardoor zij beter uitkwam. Het schilderij verwees ook naar de invloed die de familie in de Groningse Kamer van de WIC had.

Het echtpaar behoorde tot de rijksten in het gewest en hun aanzien werd vergroot toen Georg Wilhelm in 1694 door de Duitse keizer in de gravenstand werd verheven. Met Georg Wilhelm kreeg Anna een zoon, Carel Ferdinand (1669-1717), die in 1706 bewindhebber van de Kamer Stad en Lande werd. Bij zijn dood, elf jaar later, liet hij aan zijn kleinzoon, Jan Carel Ferdinand (1717-1737), 1240 gulden aan aandelen in de Groningse Kamer na. Er is in de archiefstukken niet terug te vinden wat er uiteindelijke met deze aandelen gebeurd is.

De ‘moor’ Adriaan aan de buitenkant van de schelpengrot, 1972. Foto: M.A. Douma (818-8267). De ‘moor’ Adriaan aan de buitenkant van de schelpengrot, 1972. Foto: M.A. Douma (818-8267).

‘Moren’ in de schelpengrot

De schelpengrot die op het terrein van Nienoord te vinden is, is naar alle waarschijnlijkheid in 1704 gebouwd. Rechts van de ingang van de grot hangt een uit steen gehouwen hoofd van een zwarte bediende, Adriaan genaamd. In de grot zijn nog twee morenkoppen te vinden. Volgens de legende zouden deze tot slaaf gemaakten van een verre reis door de borgheer naar Nienoord meegebracht zijn, waar ze te werk gesteld werden. Zowel Adriaan als de twee andere zwarte bedienden zouden op een dag een kind van de verdrinkingsdood gered hebben. Als dank voor hun heldendaad gaven de borgbewonders hen hun vrijheid terug. De ‘moren’ kozen er echter voor om op de borg te blijven werken.

De ogen van de morenkoppen binnen de grot kunnen bewegen. Het verhaal gaat dat Georg Wilhelm het altijd leuk vond om zijn gasten hiermee voor de gek te houden. Het is niet meer te achterhalen of deze legende over de zwarte bedienden die een kind van de verdrinkingsdood redden, daadwerkelijk gebeurd is. Maar vanwege de overlevering van het verhaal en de aanwezigheid van de morenkoppen in de schelpengrot, zouden we het wel aan kunnen nemen.

1.

Voor meer informatie over het leven van Anna van Ewsum, zie Wouter van Schie, Anna van Ewsum: haar afkomst, haar leven, haar wereld (Leek: Makoenders, 2013).

2.

Toegangnr. 626, Borg Nienoord, 1437 – 1890, inv. nr. 811, Akte van overeenkomst tussen voormond en voogden van Anna van Ewsum en haar moeder Margareta Beata Freitach, hertrouwd met Rudolf Wilhelm vrijheer van In- en Kniphuisen, heer tot Lutzborg enz., over Margareta's in Nienoord ingebrachte boedel. Afschrift, 1645 juli 30, blz. 2.