Zoek op de website

‘Uw superkorte antwoord was nogal onbeleefd’

Hoe de selectie van ontwerpers voor de Groninger stadsmarkeringen verliep, onttrok zich tot nu toe aan de waarneming. Recent openbaar gemaakte stukken van het Groninger Museum geven er nu inzicht in. Er waren maar liefst 37 kandidaten in beeld. Soms liep de irritatie hoog op.

De meeste Groningers zullen ze vast wel kennen: de negen ‘stadsmarkeringen’, die je bij even zovele invalswegen kenbaar maken dat je de stad binnenkomt. De monumentale bouwsels – er is er ook nog een tiende, centraal in de stad – dateren van eind 1990. Ze kwamen tot stand naar een idee van Frank Mohr (1931-1998), die naast directiesecretaris bij Philips Groningen bestuurslid van het Groninger Museum was. Mohr ging destijds door voor de ‘kunstpaus’ van Groningen.

Stadsmarkering bij de A7, afslag Hoogkerk, door Daniel Libeskind, 1990. Foto: Harry Perton, 2013. Stadsmarkering bij de A7, afslag Hoogkerk, door Daniel Libeskind, 1990. Foto: Harry Perton, 2013.

Op voorstel van Mohr mocht de Pools-Amerikaanse architect Daniël Libeskind (geb. 1946) een masterplan voor het stadsmarkeringsproject maken. Van deze avant-gardist, tegenwoordig vooral bekend door zijn ontwerpen voor het Jüdisches Museum in Berlijn en het nieuwe World Trade Center in New York, was destijds in concreto nog nauwelijks iets gebouwd. Zijn leidraad moest open genoeg zijn voor de ontwerpers van de afzonderlijke objecten. Deze zouden niet alleen worden gezocht onder architecten, vormgevers en beeldend kunstenaars, maar ook onder beoefenaars van andere kunstdisciplines, zoals musici, choreografen en zelfs (kunst)historici.

Bij het selecteren van ontwerpers diende Libeskind zich te laten bijstaan door een vrij zware Adviescommissie,  waarvan Wim Crouwel (directeur Museum Boijmans Van Beuningen Rotterdam), Ed Taverne (hoogleraar architectuurgeschiedenis RUG), Paul Hefting (directeur Dienst Esthetische Vormgeving PTT) en Marie-Hélène Cornips (conservator van het Groninger Museum) deel uitmaakten. Laatstgenoemde zorgde in mei - juni 1990 bovendien voor een presentatie van de ontwerpen in het Groninger Museum. Die presentatie sloot fase I van het project èn het werk van de Adviescommissie af, daarna volgde uitvoering van de ontwerpen.

Doordat onlangs het archief van het Groninger Museum over het jaar 1990 openbaar werd, zijn nu  de stukken in te zien die Cornips uit die tijd bewaarde.  Gelukkig betreffen die niet alleen het maken van de tentoonstelling over de stadsmarkeringen,  maar ook haar werk voor de Adviescommissie die Daniel Libeskind moest bijstaan. Het gaat dan vooral om correspondentie – met name faxen – uitgewisseld tussen de commissieleden onderling en Libeskind. De stukken maken duidelijk dat de selectie van ontwerpers niet altijd van een leien dakje ging, maar ook wel eens zorgde voor hevige irritatie.

De Adviescommissie ging in de zomer van 1989 voortvarend aan het werk. Bij de presentatie van het masterplan door Libeskind, een half jaar later, namelijk op 5 januari van het jubileumjaar 1990, konden zodoende de namen van zeven ontwerpers, wier werk uiteindelijk werd uitgevoerd, bekend worden gemaakt. Naast Libeskind zelf, die het ‘open boek’ bij de A7 ter hoogte van Hoogkerk zou ontwerpen, ging het om

  • de Nederlandse architect Gunnar Daan (hangend raster bij het Van Starkenborghkanaal);
  • de Amerikaanse architect John Hejduk (de joker bij de A7 naar Oost-Groningen);
  • de Japanse econoom Akira Asada (object eind Paterswoldseweg);
  • de Zwitserse kunsthistoricus Kurt W. Forster (de hoogspanningsmast met vlammetjes bij de A28);
  • de Amerikaanse choreograaf William Forsythe (de gebogen wilgenrij bij Noorddijk); en  
  • de Franse filosoof  Paul Virilio (de centrale sculptuur op het Martinikerkhof).

Er waren echter veel meer kandidaten genoemd en benaderd. Ook zou het nog aardig wat moeite kosten om het tiental compleet te krijgen met de drie nog ontbrekende ontwerpers.

Stadsmarkering bij Noorddijk door William Forsythe, 1990. Foto: Harry Perton, 2006. Stadsmarkering bij Noorddijk door William Forsythe, 1990. Foto: Harry Perton, 2006.

Naast de zeven hierboven genoemde, uitverkoren ontwerpers die toehapten, zijn er om precies te zijn dertig kandidaten gedurende langere of kortere tijd in beeld geweest. Daaronder bevonden zich zeer bekende namen als die van de beeldend kunstenaar Peter Struycken, de beeldhouwer Carel Visser, de componist Michel Waisvisz, de architect Rem Koolhaas en de filosoof Jacques Derrida. Hoe het (eventuele) contact met hen verliep, blijkt niet uit de nu openbaar gemaakte stukken. De componist Luigi Nono en de meubelontwerper Dom van der Laan waren in elk geval al doodziek toen ze werden benaderd.  De popmusicus Laurie Anderson gaf bovendien geen antwoord op de brieven van Libeskind, en nam ook haar telefoon niet voor hem op.

Wie eerst wèl wilde meedoen, was de beeldhouwer Maria Nordman. Zij participeerde op 21 januari 1990 zelfs in een workshop voor de deelnemers in het Amsterdamse Hilton Hotel, maar kon zich niet verenigen met een schets in Libeskinds masterplan, verlangde meer artistieke vrijheid en ook een veel hoger honorarium dan het project kon betalen: ƒ 30.000 in plaats van de begrote ƒ 7500,-. Voor de workshop was ze speciaal overgekomen uit haar woonplaats Santa Monica, California. Dat de ƒ 6000,- reis- en verblijfskosten in haar geval als verloren moesten worden beschouwd, werd door de commissie bijzonder betreurd.

Wie eveneens aan de workshop meedeed èn financieel te hoge eisen had, was de Amerikaanse theatermaker Robert (Bob) Wilson. In maart ’90 leverde hij een schets in van een soort verticale tuin met inheemse planten. Hij wilde 25.000 dollar voor zijn bijdrage. In onderling overleg werd besloten dat het geen zin had om met hem door te gaan. In zijn afschrijvingsbrief aan Wilson kon Libeskind zijn teleurstelling niet verbergen:

“I have to admit that I found it personally depressing that the ever present ‘’market economy” will yet succeed in homogenizing the world into one big bank account.”

Brief van Wim Crouwel namens de Adviescommissie aan Daniel Libeskind, 13 februari 1990 (1590-1146). Brief van Wim Crouwel namens de Adviescommissie aan Daniel Libeskind, 13 februari 1990 (1590-1146).

De manier van communiceren door Libeskind wekte al eerder irritatie bij leden van de Adviescommissie. Zo had Libeskind in het najaar van 1989 niet willen reageren op een lijstje kandidaat-ontwerpers, dat de Adviescommissie hem toezond. “Zeer jammer dat het zo loopt”, vond Cornips toen. Terwijl in januari en februari 1990 de tijd begon te dringen, wezen Libeskind en de Adviescommissie elkaars voorgedragen kandidaten af. Daarbij kon Libeskind nogal bruusk zijn. Zo beoordeelde hij de Duitse kunstenaar Ludger Gerdes als “not approprate”. Paul Hefting, zeer actief als commissielid, overwoog daarna dat de commissie zich eigenlijk moest terugtrekken, maar vond dat toch ook weer te ver gaan.  Vooral naar aanleiding van het geval Maria Nordman besloot de commissie Libeskind behoedzaam te kapittelen over zijn communicatieve vaardigheden. Wim Crouwel concipieerde hiertoe een brief, waarin de Adviescommissie enerzijds haar volle vertrouwen in Libeskind uitsprak, maar anderzijds toch ook de staf brak over diens gebrek aan voorkomendheid:

“Although we fully agree with rejecting her (nl. Nordman), your super short answer to her friendly letter was rather impolite.”

Tezelfdertijd betuigde Cornips namens de commissie aan Nordman haar spijt, dat Libeskind en zij niet tot overeenstemming waren gekomen. Weliswaar stond de commissie achter diens besluit,

“…but we also regret the short answer from Daniel Libeskind to your letter.”

Intussen waren er twee kandidaten bijgekomen, wier ontwerpen wèl zouden worden gerealiseerd: de Engelse-Groningse beeldhouwer Thom Puckey (van de gehoornde schoorsteen bij de Friesestraatweg) en de Estische kunstenaar Leonhard Lapin (die samen met zijn landgenoot de architect Enn Laansoo zou tekenen voor de ivoren toren met wenteltrap aan de Kooiweg). Ook begon eind februari 1990 de beoordeling van ingediende ontwerpen, waarbij de meningen danig konden verschillen. Zo vond commissielid Paul Hefting de joker van John Hejduk weliswaar “intrigerend als concept”, maar ook “erg anecdotisch” en “kitscherig”, terwijl Libeskind juist gecharmeerd was van Hejduks “very personal interpretation of the program”. Daarentegen oordeelde Libeskind aanvankelijk nogal hard over de schoorsteen van Puckey:

“I think you have not understood that the project is not just a commission for a sculpture but an urban intervention within a special context. Since I find no relationship of your proposal to the overall master plan, theme, intention, scale and spirit, I must ask you to fundamentally reconsider your proposal.”

Het eerste ontwerp van de stadsmarkering bij de A28 ten oosten van de stad, door John Hejduk, februari 1990 (1590-1147). Het eerste ontwerp van de stadsmarkering bij de A28 ten oosten van de stad, door John Hejduk, februari 1990 (1590-1147).

Getuige de uitkomst is dat laatste maar in beperkte mate gebeurd. Wie zijn ontwerp echter wel fundamenteel moest herzien was Libeskind zelf. Voor de locatie A7 bij de afslag Hoogkerk ontwierp hij een gigantische boekenkast  met 100.000 boeken en annex een soort van landingsbaan, die zo’n twee ton zou moeten gaan kosten. Vanwege de forse budgetoverschrijding en de vrees dat de boeken, aan te leveren door alle stadjers, in die kast zouden gaan wegrotten, moest Libeskind van coördinator Frank Mohr te elfder ure zijn werk overdoen.

Op dat moment, enkele weken voor de opening van de presentatie in het Groninger Museum, hadden Libeskind en de Adviescommissie nog steeds geen tiende ontwerper vast kunnen leggen. Ook hier greep Mohr in, door de Duitse theatermaker Heiner Müller te benaderen. Hoewel op deze manier zowel Libeskind als de Adviescommissie werd gepasseerd, reageerden die welwillend of zelfs ronduit enthousiast op de keuze. Mohr verontschuldigde zich ook wel voor zijn interventie: “Ik vond het onverantwoord om de tentoonstelling in te gaan met één open deelnemersplaats”. Müller zou het object bij de Eemshavenweg maken, waarbij hij zich liet inspireren door de dood van Luigi Nono, de Italiaanse componist die eerder in beeld was geweest voor het ontwerpen van een stadsmarkering.

Het eerste ontwerp van de stadsmarkering bij de Friesestraatweg door Thom Puckey, maart 1990 (1590-1147).
Het eerste ontwerp van de stadsmarkering bij de Friesestraatweg door Thom Puckey, maart 1990 (1590-1147).
Stadsmarkering bij de Friesestraatweg door Thom Puckey, 1990. Foto: Harry Perton, 2008.
Stadsmarkering bij de Friesestraatweg door Thom Puckey, 1990. Foto: Harry Perton, 2008.
Het eerste ontwerp van de stadsmarkering bij de A28/Hoornsedijk door Kurt W. Forster, maart 1990 (1590-1147).
Het eerste ontwerp van de stadsmarkering bij de A28/Hoornsedijk door Kurt W. Forster, maart 1990 (1590-1147).
Stadsmarkering bij de A28/Hoornsedijk door Kurt W. Forster, 1990. Foto: Harry Perton, 2008.
Stadsmarkering bij de A28/Hoornsedijk door Kurt W. Forster, 1990. Foto: Harry Perton, 2008.

Bronnen

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 1590 (archief Groninger Museum) inv.nrs. 1146 en 1147: Stukken betreffende het project stadsmarkering in 1990.
  • Via de krantenbank www.delpher.nl: artikelen in het Nieuwsblad van het Noorden d.d. 18.5.1989, 30.5.1989, 30.12.1989, 5.1.1990, 9.1.1990, 9.4.1990, 22.5.1990, 25.6.1990 en in het Nederlands Dagblad d.d. 11.1.1990.
  • Het lemma ‘Stadsmarkeringen’ op de website Staat in Groningen.