Zoek op de website

Groningse familie Feith had belang in de slavernij

Maar hoe groot was dat belang? Tristan Lemstra, student geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen ging op onderzoek uit.

mr. Hendrikus Octavius Feith, 1850-1870, tekening J. Ensing, GrA (818-22636) mr. Hendrikus Octavius Feith, 1850-1870, tekening J. Ensing, GrA (818-22636)

“Mijn wensch en naar ik durf aannemen, ook die van alle mijne thans in leven zijnde bloedverwanten, is, dat ons geslacht steeds moge blijven behouden den voorspoed, de eer en den goeden naam, die zij zoo in ruime mate gedurende eeuwen heeft mogen bezitten. Dat die wensch moge vervuld worden!”                                                                                                                                      

Zo besloot Hendrik Octavius Feith jr. (1813-1895) provinciaal archivaris van de provincie Groningen, de inleiding van  zijn Geslachtslijst van de familie Feith.[1] De naam Feith leeft nog steeds in het huidige Groningen. Denk maar aan het bekende Feithhuis en de Feithstraten. In de negentiende eeuw stond de familie Feith in hoog aanzien. Deels kwam dat doordat zij afstamde van Rhijnvis Feith(1753-1824), befaamd dichter en burgemeester van Zwolle. Ook in Groningen bekleedden Feithen hoge functies, zo was Hendrikus Octavius Feith sr. (1778-1849) lid van de Tweede Kamer  en net als zijn eerder genoemde zoon provinciaal archivaris, en zette hij naast zijn werk in voor liefdadigheidsinstellingen als het Toevluchtsoord voor meisjes en het Burgerweeshuis. Bij het overlijden van Feithen verschenen vaak vleiende gedenkschriften en daarmee leek de gewenste “goeden naam” gegarandeerd.

Echter, recent onderzoek naar Nederlandse banden met slavernij in het internationale Mapping Slavery project zorgt voor scheuren in dit beeld. Groningers waren op diverse manieren betrokken bij slavernij, denk aan  bestuursfuncties van de Groningse Kamer van de WIC, of de bouw van slavenschepen. Groningse betrokkenheid bestond in de negentiende eeuw nog vaak uit aandelen in suiker- of koffieplantages in Suriname die bewerkt werden door slaven. Toen in 1863 slavernij bij wet werd afgeschaft, bezat nog steeds een grote groep Nederlanders aandelen in plantages op de Antillen, maar voornamelijk in Suriname. Om herinvestering in de plantages te bevorderen en om de lonen van de ‘vrijgemaakte’ slaven (die alsnog tien jaar verplicht aan de plantage waren verbonden) te kunnen betalen, loofde de Nederlandse regering een “compensatie” voor de eigenaren uit van 300 gulden per slaaf. De naam Feith stond maar liefst achtentwintig keer op de compensatielijsten.

Men kan zich afvragen hoe een dergelijke ‘filantropische’ familie betrokken raakte bij slavernij. Een eerste link die gelegd kan worden tussen de Feithen en slavernij is de functie van H.O. Feith sr. als  thesaurier van het departement Groningen van de ‘Maatschappij ter bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere heidensche bevolking in de kolonie Suriname'.[2] Een tweede link vormde het belang van de familie Feith in suikerplantage ’t IJland aan de Pauluskreek. De 28 Feithen hadden dit gezamenlijk geërfd van hun oom Louis Rhijnvis Feith (1783-1845), die getrouwd was met Johanna Theodora baronesse van Dedem (1790-1878), wonende te Dalfsen. In 1824 kocht deze Louis onderhands 1/7e van 1/9e aandeel van W.J. Baron van Dedem. De waarde was 5000 gulden. Volgens het huwelijkscontract van Louis en zijn vrouw viel dit bezit buiten hun gemeenschap van goederen en volgens het testament van Louis uit 1840 moesten zijn erfgenamen dit aandeel ongescheiden laten. Uiteindelijk verwierf hij samen met zijn vrouw nog 1/63e aandeel in plantage ’t IJland. Daarmee was hun gezamenlijke belang van 2/63e relatief klein in vergelijking met de andere, overwegend Overijsselse eigenaren.[3] Logischerwijze is dit belang ook aanwezig in de memorie van successie, het overzicht van bezittingen na het overlijden van Hendrikus Octavius Feith sr. in 1849. [4]  De erven Louis Rhijnvis Feith kregen op het oog dus een vrij gering belang in plantage ‘t IJland, toch deden zij geen enkele poging om van dit  ‘door slavernij ‘besmette’ aandeel  af te komen. Mogelijk kwam dat ook doordat ze deel uitmaakten van een familienetwerk. Enkele erven Feith waren namelijk ingetrouwd in prominente families die eveneens bij deze plantage waren betrokken. Een voorbeeld is Ockje Meder, kleindochter van Rhijnvis Feith en dochter van Octavia Bellina Feith. Ockje was getrouwd met Jan Willem Cornelis Baron van Ittersum, kortstondig burgemeester van Groningen (1847-1848).

Plantage 't IJland (nr. 117) op een kaart van de kolonie Suriname. Kaart: Dr. Veelwaard en zoon, 1835, opgenomen in het boek "De landbouw in de kolonie Suriname" door M.D. Teenstra (1536-6515) Plantage 't IJland (nr. 117) op een kaart van de kolonie Suriname. Kaart: Dr. Veelwaard en zoon, 1835, opgenomen in het boek "De landbouw in de kolonie Suriname" door M.D. Teenstra (1536-6515)

De totale compensatie waar de aandeelhouders van de plantage in 1863 recht op hadden was 37.800 gulden.[5] Dit bedrag werd naar rato van het aandelenbezit verdeeld Echter is de kans zeer aanzienlijk dat de familie Feith hier pas in 1878 geld van zag, omdat de weduwe van Louis Rhijnvis Feith het vruchtgebruik genoot van wijlen haar echtgenoots nalatenschap. Toen zij in 1878 overleed, ontvingen de erven Feith eindelijk hun erfdeel.[6]

Geconcludeerd kan worden dat de betrokkenheid van de familie Feith bij de Surinaamse slavernij relatief gering was. Of dat belang haar eer en goede naam aantast, mogen de lezers zelf uitmaken.

Meer weten?

Okke ten Hove en Heinrich Helstone, ╩║Suriname en Nederlandse Antillen: Vrijverklaarde slaven en gecompenseerde eigenaren (Emancipatie 1863)╩║ op www.gahetna.nl. Bekijk hier de database van vrijverklaarde slaven en gecompenseerde eigenaren en lees achtergrondinformatie.

Rhijnvis Feith, Genealogie van de familie Feith: Voortzetting der aantekeningen van Mr. H.O. Feith No. 150, Archivaris te Groningen. ’s-Gravenhage, 1924. 

Het project Mapping Slavery

Mapping slavery.nl maakt de sporen van het Nederlandse slavernijverleden toegankelijk voor een breder publiek. Het project brengt het slavernijverleden dichtbij, door plaatsen te beschrijven in de directe woonomgeving van Nederlanders van nu.

Mapping Slavery Groningen is een initiatief van Barbara Henkes en Margriet Fokken, beiden als historici verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij werken aan een wandelroute door de stad en fietsroutes door de ommelanden om het slavernijverleden van Groningen te ontsluiten.

1.

Feith, H.O., Geslachtslijst van de familie Feith. Groningen, 1881. Zie de inleiding.

2.

F.C.J. Ketelaar, 'Drie generaties Feith' in: Gerrit S. Overdiep et al. (ed.), Acht Groningse juristen en hun Genootschap : 225 jaren Pro Excolendo Iure Patrio. Groningen: 1986, pp.61-104. Zie p. 72.

3.

Historisch Centrum Overijssel, toegang 1172: Familie Feith, inv.nr. 129: Authentiek afschrift van het holografisch testament van mr. Louis Rhijnvis Feith 1845-1845.

4.

RHC Groninger Archieven, toegang 511: Familie Feith (3), 1500 - 1951, inv.nr. 33:. Uitreksel uit de akte van scheiding van de nalatenschap van mr. Hendrikus Octavius Feith en zijn vrouw Harmanna Maria Meurs, voor wat betreft het aandeel, aan hun zoon mr. Hendrik Octavius Feith toegewezen, 1849 okt 1.

5.

Work in progress: Okke ten Hove: Het Nederlands notariaat en de afschaffing van de slavernij in Suriname (werktitel).

6.

RHC GrA, toegang 1449: Familie Trip (3), 1587-1885, inv.nr. 88: Brieven ingekomen bij Hindrik Jan Trip, 1830-1885.