Zoek op de website

Na 74 jaar terug in Roodehaan

In september 2014 stuurde Jacobus Tholenaar uit Dordrecht de Groninger Archieven een e-mail. Hij wilde weten of de boerderij van de familie Oosterveld in het buurtschap Roodehaan nabij Groningen nog bestond. Hier had hij in 1940 als dertienjarige jongen een jaar gelogeerd en meegedraaid in het bedrijf van veehouder Jan Oosterveld, nadat het bombardement van Rotterdam Tholenaars ouderlijk huis had verwoest. 74 jaar later was Tholenaar benieuwd hoe het er in Roodehaan uitzag. Archiefmedewerker Sebastiaan Vos deed wat voorbereidend archiefonderzoek voor Tholenaar en ging vervolgens samen met hem op pad.

Het traceren van de boerderij vergde enig uitzoekwerk in het archief van de gemeente Noorddijk, waar Roodehaan toen onder viel. ‘C 154, Roodehaan’ luidde het adres van de familie Oosterveld in 1940. Later lag de boerderij aan de Oude Roodehaansterweg 6, en tegenwoordig zou dit de Euvelgunnerweg zijn geweest. Zou. Want het pand blijkt een aantal jaren geleden te zijn gesloopt. Dat is niet het enige wat er veranderd is in Roodehaan. Waar vroeger op de groenlanden nabij de oude Hunze koeien graasden, razen tegenwoordig auto’s over de A7 en is een berg verrezen als gedaante van afvalverwerking Stainkoeln. Bedrijventerrein Eemspoort heeft zo ongeveer de rest van het landschap ingevuld. En dan moet bedrijvenpark Roodehaan even verderop nog worden aangelegd. Genoeg reden om meneer Tholenaar erop te wijzen dat de omgeving waar hij heeft vertoefd misschien maar beter een mooie jeugdherinnering kan blijven. Daar dacht Tholenaar zelf evenwel heel anders over. Hij wilde beslist komen kijken.

Een half jaar na het eerste mailcontact gaat Tholenaar voor het eerst in 74 jaar terug naar Roodehaan. Een paar dagen vóór dit bezoek verschijnt in het Dagblad van het Noorden een paginagroot artikel over hem, zijn leven in Roodehaan tijdens het eerste oorlogsjaar en zijn aanstaande terugkeer naar het voormalige buurtschap. Overigens is dit niet de eerste keer dat aan Tholenaar een heel krantenartikel wordt gewijd. In 1941 berichtte de Telegraaf al over hem. ‘Kobus Kuch wil boer worden’ luidt de titel van het stuk. Het schetst een bijzonder beeld van een Hollandse stadsjongen, die zich het boerenwerk en het leven op het Groninger platteland heeft eigen gemaakt en helemaal niet meer terug wil naar de grote stad. Er waren indertijd 1500 evacués uit Rotterdam naar de provincie Groningen gehaald door de Stichting de Groninger Gemeenschap. Al gauw keerden 1499 er terug. Tholenaar bleef als enige langer.

Jacobus Tholenaar na 74 jaar terug in Roodehaan. Foto: Sebastiaan Vos. Jacobus Tholenaar na 74 jaar terug in Roodehaan. Foto: Sebastiaan Vos.

Als Tholenaar zich eind maart van dit jaar meldt in de hal van de Groninger Archieven is hij niet alleen. Zijn kleindochter en kleinzoon hebben hem vergezeld uit Dordrecht. Bij hen staat nog een andere oude heer. Dat blijkt Wiendelt Smith te zijn. Indertijd het speelkameraadje van Tholenaar in Roodehaan. Smith was de zoon van de kruidenier op de hoek van de Olgerweg. Smith had het krantenartikel in het Dagblad van het Noorden gelezen en belde terstond de redactie om met Tholenaar in contact te kunnen komen. En zo ziet Tholenaar na 74 jaar ook zijn vriendje van toen terug. Tholenaar informeert bij Smith of Grietje van der Tuuk misschien nog leeft. Het meisje dat een paar huizen verderop woonde in Roodehaan en op wie de jonge Tholenaar wel een oogje had. Kalverliefde, zo zegt hij nu. Smith weet Tholenaar te vertellen dat Grietje helaas is overleden.

Even later vertrekt het gezelschap in twee auto’s richting Roodehaan. Smith rijdt voorop, hij kent de weg. Na zijn trouwen verliet Smith het ouderlijk huis en ging een stukje verderop wonen in Roodehaan, tot zijn woning plaats moest maken voor de aanleg van de Rijksweg 42, tegenwoordig de A7. Momenteel woont Smith in Haren, maar hij heeft nog wel contact met Roodehaansters van vroeger. Hij parkeert de auto naast garage Evenhuis, een nazaat van de Evenhuis die in de jaren 50 de boerderij van de familie Oosterveld kocht. Als Tholenaar uit de auto van zijn kleindochter is gestapt, kijkt hij wat onwennig om zich heen. Smith maakt hem duidelijk dat dit niet de plek is van de boerderij van Oosterveld. Hij wijst op de manege aan de andere kant van de A7. Die lijkt Tholenaar zich nog wel te herinneren. Oosterveld had ook weilanden in die buurt waar zijn koeien stonden, en waar Tholenaar dus ook wel kwam.

Dan rijden we een klein stukje terug naar de kruising Olgerweg en Euvelgunnerweg. Hier stond vroeger het tolhuis, en dat huisje is nog steeds als zodanig herkenbaar. Vroeger waren hier twee tolhekken. Eentje over de Euvelgunnerweg en eentje over de Olgerweg, zo legt Smith uit. Als kwajongen schopte hij soms tegen het tolhek, zodat de cent die daar door iemand als tolbetaling op was gelegd eraf viel. Die was dan voor de eerlijke vinder! Tholenaar herkent het tolhuis. We lopen naar het erf waar tot een aantal jaren geleden de boerderij van Oosterveld nog stond. Het is een zompig terrein met klei, kuilen, pitgras en verdwaalde bakstenen. Niets herinnert aan het feit dat Tholenaar hier als jongen met het boerenleven in aanraking kwam. In Roodehaan ging hij niet naar school, maar werkte van ’s ochtends vroeg de hele dag voor veehouder Oosterveld. ’s Avonds kon hij spelen met Smith. Tholenaar vertelt dat op het erf van Oosterveld appelbomen en perenbomen stonden, maar ook daar is niets meer van terug te zien. Aan de andere kant van de weg, tegenover het erf van Oosterveld stroomt de voormalige Hunze. Tholenaar herinnert zich hoeveel moeite het hem kostte om het paard in bedwang te houden dat de wagen met melkbussen voorttrok. “Ik moest oppassen, anders reed ik zo de sloot in”, aldus Tholenaar.

Jacobus Tholenaar en Wiendelt Smith. Foto: Sebastiaan Vos Jacobus Tholenaar en Wiendelt Smith. Foto: Sebastiaan Vos

In het krantenartikel in de Telegraaf van 1941 zegt de jonge Tholenaar dat hij boer wil worden. Dat is uiteindelijk nooit gebeurd. Tholenaar wijst er fijntjes op dat deze krant wel vaker overdrijft. Zijn kleindochter vraagt vervolgens lachend of hij misschien nog ergens een liefdesbrief voor Grietje in de grond heeft gestopt. Dat niet, wel constateert Tholenaar met een glimlach dat het touwtje nog wel aan de boom hangt waarmee hij het kalf, dat hij van boer Oosterveld cadeau zou krijgen, had kunnen vastbinden. Althans in de krant stond die belofte van een kalf, maar ook hier is de berichtgeving niet helemaal in overeenstemming met de werkelijkheid. Wat wel klopt is dat het de jonge Tholenaar ontzettend beviel in Roodehaan. Niet voor niets wilde hij langer blijven. Toch veranderde er op een gegeven moment wel iets. De jongste zoon van het gezin, Willem Oosterveld, kreeg steeds meer NSB-sympathieën. Hij probeerde tevergeefs Tholenaar bij de Hitlerjugend te krijgen en was steeds vaker voor de NSB op pad. Dat betekende dat Tholenaar meer en meer het werk van Willem Oosterveld moest overnemen. Dat werd hem op een gegeven moment eigenlijk teveel. Toen Tholenaars vader een keer op bezoek kwam in Roodehaan en ontdekte dat zijn zoon last had van de fanatieke Willem Oosterveld en door hem harder moest werken dan prettig was, nam hij zijn zoon mee terug naar het westen. Tholenaar was daar toen wel gelukkig mee. Zo kwam er een einde aan een bijzonder verblijf in Roodehaan. En 74 jaar later is Tholenaar blij dat hij er nog een keer is geweest. Er valt niet heel veel meer te zien, maar de herinneringen zijn levend én hij heeft weer contact met zijn kameraad van toen.

Bronnen:

  • RHC GrA toegang 1491, Gemeente Noorddijk (1) 1811-1939 (1972), inv.nr. 1009, Gezinskaartenregister, 1922-1938.
  • RHC GrA toegang 1492, Gemeente Noorddijk (2) (1916) 1940-1968 (1988), inv.nr. 392, ‘Woningregisters’. Registratie van personen per woning en volgnummer of straat geordend, ca. 1920-1969.
  • De Telegraaf, ‘Kobus Kuch wil boer worden en blijft in Groningen’, 13 maart 1941, 3.
  • Dagblad van het Noorden, ‘Ik was zo vrij als een vogel’, 25 maart 2015, 23.