Zoek op de website

De laatste eer

We kunnen het ons nu nauwelijks nog voorstellen; een begrafenis die uitdraait op een drinkpartij. Toch kon het er in de zeventiende en achttiende eeuw nogal uitbundig aan toe gaan, tot ergernis van de overheid.

Vooral de ‘utigsten’, de begrafenis malen met ‘leedbieren’, werden niet gewaardeerd. De overheid probeerde daarom de openbare uitingen van vreugde en verdriet strenger in de hand te houden. Deze gebruiken, die stamden uit de tijd voor de Reformatie, waren vooral op het platteland moeilijk uit te roeien. Bij begrafenissen van mensen uit de sociale bovenlaag waren lange begrafenisstoeten gebruikelijk waar soms honderden mensen in meeliepen. De begrafenis was op deze manier ook weer een publieke aangelegenheid. Elke sociale laag en elke geloofsgemeente had zo dus eigen gebruiken rondom het overlijden en begraven.

Begrafenis bij de Gereformeerden te Amsterdam, ca. 1730, Bernard Picart, 1732. Collectie Rijksmuseum. Begrafenis bij de Gereformeerden te Amsterdam, ca. 1730, Bernard Picart, 1732. Collectie Rijksmuseum.

Gedicht op het overlijden van Gerhard Swartte te Groningen, 1665. RHC GrA (1236-172). Gedicht op het overlijden van Gerhard Swartte te Groningen, 1665. RHC GrA (1236-172).

Deze belangrijke gebeurtenis ging dan ook niet voorbij zonder dat het openbaar werd gemaakt en er een gedicht voor werd geschreven. De gedichten bestonden voornamelijk uit lovende woorden over de overledene en waren voor dichters vaak een opdracht uit sociale verplichting.

Rond het overlijden van iemand werden verschillende soorten gedichten gemaakt. Het lijkdicht was een gedicht dat bestemd was om vóór de begrafenis voor te dragen. Het grafdicht was bedoeld voor bij het graf. Er zijn nog meerdere onderscheidingen, maar het lijkdicht en grafdicht komen het meest voor.

Hoe zag zo’n lijkdicht er eigenlijk uit? Als we een aantal onder de loep nemen vallen verschillende dingen op. Het gedicht op het overlijden van Gerhard Swartte in 1665 illustreert bijvoorbeeld hoe lang de titels konden zijn, die groots boven de gedichten pronkten van de losse gedrukte vellen (planodrukken):

De naam en functie van de overledene worden met name uitgelicht en vol omhaal wordt beschreven waar en wanneer degene was overleden, op welke leeftijd en wanneer de begrafenis zou plaatsvinden. In gedichten voor vrouwen werd ook vaak verteld met wie ze getrouwd waren geweest. Het doet bijna denken aan een aanplakbiljet waarop omstanders kunnen lezen wanneer deze gebeurtenis rond een belangrijk persoon zal plaatsvinden. Deze gedichten hadden immers ook weer een publieke functie: openlijk de eer en lof zingen van het goede dat de overledene voor de gemeenschap had gedaan.

Lijkdicht op Rudolph Coenders. RHC GrA (623-1577). Lijkdicht op Rudolph Coenders. RHC GrA (623-1577).

Het tweede dat opvalt zijn de steeds terugkerende structuurelementen in de gedichten. Zowel in het bovenstaande gedicht op Swarte als in gedichten op het overlijden van bijvoorbeeld Teteke Entens, Anna Clant, Judith De Mepsche en Justinus Polman worden achtereenvolgens lof (laus), klacht (luctus) en troost (consolatio) uitgesproken. De lof is het onderdeel waarin de overledene wordt geprezen om zijn of haar kwaliteiten, deugden en goede daden voor de gemeenschap of het vaderland. In het lijkdicht op Rudolph Coenders wordt bijvoorbeeld benadrukt dat deze ‘seer manhaften kryghs-heldt’ is gestorven voor het vaderland in de strijd tegen de Engelsen tijdens de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog (1665-1667). Eerst wordt verteld dat sterven voor het vaderland op het slagveld de meest lofwaardige dood is. Coenders verdient daarom ook alle eer, omdat:

’t Welck heden, wel te recht aen Conders is gebleecken,
Die nimmer, in den strijdt den moedt heeft ooyt besweecken.
Maer die staegh vroegh en laet voor ons de sorge droegh,
En op het woeste meer ons Vyanden versloegh;

Na de lovende woorden volgt de klacht. Deze heeft tot doel het publiek ervan te doordringen hoe groot het gemis zal zijn voor de nabestaanden. De troost moet vervolgens de tranen laten verdwijnen. Er konden verschillende argumenten worden gebruikt om troost te bieden. Dit hing er in de eerste plaats vanaf of de overledene een man of een vrouw was. Bij mannen werd vaak gezegd dat er een goede opvolger zal zijn voor de functie die hij vervulde, of dat hij niet voor niets op het slagveld is gesneuveld en de strijd zal doorgaan. Bij vrouwen werd vooral gezegd dat het sterven alleen het einde is van het aardse leven. In het lijkdicht op Anna Clant wordt bijvoorbeeld als argument van troost gegeven, dat de dood niet het einde is, en ze nu is verenigd met God:

Roept, o, wat een verlies. O wee, o groote wee
Een wee voor u ende ons: Maer sy is sonder pijne
Sy leeft ook in den dood, geniet den clare schijne
Van christo ’s hemelsson sy singt voor haren Godt

Deze drie vaste onderdelen (lof, klacht, troost) stammen uit de retorica. De meeste dichters uit de hogere sociale klasse hadden een opleiding gehad aan de Latijnse school waar retorica een belangrijk onderdeel was van de lesstof. Hier leerden ze aan welke eisen gedichten moesten voldoen. Zij wisten dus precies hoe zo’n gedicht er moest uitzien. Er waren ook genoeg leerboeken en voorbeelden van voorgangers die ze konden gebruiken bij het schrijven van een lijkdicht. Zo kon een dichter een passend gedicht schrijven dat aan de verwachting voldeed van de opdrachtgever.

Deze gedichten rondom het overlijden bestonden dus uit vaste onderdelen. Het doel was het publiek overtuigen van de van de grote waarde die de persoon had gehad voor familie, vrienden en de gemeenschap. Het laatste eerbetoon.

Lees verder... Weg met de ‘afgezongen tonen’ 

 

Meer lezen?

  • Duijvendak e.a. (red.). Geschiedenis van Groningen. Deel 2, Nieuwe Tijd. Zwolle: Waanders Uitgevers, 2008.
  • Sonja Witstein. Funeraire poëzie in de Nederlandse Renaissance. Assen: Van Gorcum, 1969.
  • Adèle Nieuweboer. “De achttiende-eeuwse gelegenheidsdichter en zijn publiek: van toegezongene tot toevallige lezer.” In Verleidingskunsten der muzen. Geredigeerd door J. J. M. Westerbroek e.a., 58-75. Muiderberg: Dick Coutinho, 1986.