Zoek op de website

Weg met de ‘afgezongen tonen’

Edzard Tjarda van Starckenborgh Stachouwer op latere leeftijd, foto van een schilderij. Fotocollectie gemeente Leens, RHC GrA (818-23276). Edzard Tjarda van Starckenborgh Stachouwer op latere leeftijd, foto van een schilderij. Fotocollectie gemeente Leens, RHC GrA (818-23276).

 

Wat vreugde kreet klinkt mij in t’oor?
Mijn zoontjes eerste tand is door
God zij er voor geprezen!
Wie zou bij zulk een blijde maar,
Al had hij ook geen enkel haar,
Van Phebus dichtgezinde schaar,
Niet eenmaal Dichter wezen.

 

Dit zijn de eerste regels van het gedicht dat Edzard Tjarda van Starkenborgh Stachouwer in 1822 schreef op het eerste tandje van zijn zoon Ludolph, geboren op zondag 25 maart 1821. Dit soort versjes behoren tot de negentiende-eeuwse huiselijke poëzie, met het dagelijks gezinsleven als onderwerp. Het is erg persoonlijk en spreekt van oprechte blijdschap of verdriet.

Deze twee elementen, individuele expressie en oprechtheid, werden vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw steeds belangrijker. In deze periode komt er kritiek op de gelegenheidspoëzie. Dichters en critici van literaire tijdschriften vinden het commerciële rijmelarij. De steeds terugkerende vaste onderdelen worden afgedaan als ‘afgezongen tonen’ van lage kwaliteit, die vaak in opdracht zijn geschreven. In deze poëzie is geen oprechte en individuele expressie van de dichter te vinden. Alleen die gedichten waaruit emotie van de dichter sprak, behoorden tot de ware lyriek. Voor gelegenheidspoëzie, vaak in opdracht geschreven op gebeurtenissen waar de dichter niet direct persoonlijk bij betrokken was, is geen plaats meer. Deze gedichten worden weggezet als een minderwaardige vorm van poëzie.

 

Titelpagina van de gedrukte bundel met bruiloftsgedichten voor het huwelijk van L. T. van Starkenborgh en A. C. De Mepsche. RHC GrA (1041-24). Titelpagina van de gedrukte bundel met bruiloftsgedichten voor het huwelijk van L. T. van Starkenborgh en A. C. De Mepsche. RHC GrA (1041-24).

Naast deze veranderende literatuuropvattingen, treedt ook een maatschappelijke verandering in. In de loop van de achttiende eeuw brokkelt het gemeenschapsleven af en verdwijnt langzaam het publieke karakter van familieaangelegenheden. Ook wordt het pronken met rijkdom, zoals tijdens veel bruiloften gebeurt, als onbeschaafd gezien. Huwelijken en begrafenissen beginnen steeds meer plaats te vinden in de intiemere privésfeer. De bovenlaag van de bevolking geeft bijvoorbeeld steeds vaker de voorkeur aan ‘stille huwelijken’, gevierd in huiselijke kringen en waar niet meer de hele buurt aan deelnam. Deze verandering is ook goed te zien aan de titels  van de gedichten. De bruiloft van Ludolf Tjarda van Starkenborg en Anna Catharina De Mepsche in 1650 wordt nog opgeluisterd met een bundeltje in druk van 12 bladzijden. Op de titelpagina wordt uitgebreid beschreven wie er trouwen en welke functies zij vervullen. De dichter neemt hier ook zijn publieksmomentje door zijn naam op de titelpagina te zetten.

Aan het eind van de achttiende eeuw, en in Groningen lijkt dit iets later te gebeuren, worden de bundels weer kleiner en de titels korter. Vaak worden alleen nog de namen van het bruidspaar genoemd: ‘Ter Bruiloft van den heer C. C. Geertsema en mejufvrouw E. M. Busch’. Bij de lijkgedichten zien we dat meer uiting wordt gegeven aan persoonlijke rouw, waar de gemeenschap geen deelgenoot meer van is. Ook verschijnen steeds meer gedichten handgeschreven gedichten in plaats van gedrukt. De gedichten zijn niet meer bestemd voor het grote publiek, maar alleen voor aanwezige familie en verwanten. Zo verschuiven de festiviteiten van de openbaarheid naar intiemere kringen.

 

Meer lezen?

  • Joseph Leighton. “Occasional Poetry in the Eighteenth Century in Germany.” In The Modern Language Review, 78, 2 (1983): 340-358.
  • M. A. Schenkeveld - van der Dussen. “Bruiloft- en liefdeslyriek in de achttiende eeuw: de rol van literaire conventies.” In De nieuwe taalgids 67 (974): 449-461.
  • Over de huiselijke poëzie van de negentiende eeuw zie Ellen Krol. De smaak der natie. Opvattingen over huiselijkheid in de Noord-Nederlandse poëzie van 1800-1840. Hilversum: Verloren, 1997.