Zoek op de website

Jacob Wilhelm Lustig

Martinikerk-organist Jacob Wilhelm Lustig was creatief uit frustratie

door Beno Hofman

Kerstvieringen werden in de geschiedenis van de Martinikerk waarschijnlijk het vaakst op het orgel begeleid door Jacob Wilhelm Lustig. Hij was er dan ook maar liefst 68 jaar organist. Toch was dit niet zijn grootste verdienste. Lustig gaf de kerk het huidige orgel en schreef - uit frustratie – meerdere boeken over muziek.

Jacob Wilhelm Lustig wordt op 21 september 1706 in Hamburg geboren als zoon van de gelijknamige organist van de plaatselijke Michaelis Kirche.

Al op jonge leeftijd treedt hij in zijn vaders voetsporen, speelt een tijdje in de Hollandse Gereformeerde Kerk van Hamburg en krijgt daarna een vaste aanstelling in de Lutherse hulpkerk.

Lustig krijgt les van beroemde mannen als Johann Mattheson, Georg PhilippTelemann en Johann Paul Kuntzen, maar krijgt in Hamburg niet de kans hogerop te komen.

Het overlijden van de organist van de Martinikerk - Petrus Havingha – opent voor hem in 1728 perspectief. Havingha’s zoon Gerhardus solliciteert, maar deze ‘soort van Candidaat in de Theologie’ is volgens Lustig geen serieuze concurrent.

Anders ligt dat met diens plaatsgenoot Lorentz Kühl. Deze krijgt uit Hamburg - volgens Lustig ‘uit baatzuchtige overwegingen’ - betere referenties mee en wordt dan ook in Groningen boven hem verkozen.

Maar doordat Kühl na het incasseren van de 98 gulden reisgeld niet meer komt opdagen, krijgt Lustig alsnog de door hem felbegeerde baan.

Tweede keus

Titelpagina Muzykaale Spraakkonst, 1754 [1769-3467] Titelpagina Muzykaale Spraakkonst, 1754 [1769-3467]

Dat hij eigenlijk tweede keus is, frustreert hem zodanig dat hij er bijna vijftig jaar later (!), in een toen door de Martinikerk aangeschaft psalmboek, nog op bovengenoemde wijze over schrijft.

In het zelfde ‘gedenkschrift’ memoreert Lustig uitvoerig aan zijn eigen bijdrage aan de totstandkoming van dit nieuwe psalmboek.

Opvallend genoeg maken de verantwoordelijke ‘Dichtkundigen in ’s Hage’ in hun notulen hier geen melding van.

Hoewel Jacob Wilhelm Lustig flink afgeeft op andere componisten, stellen zijn eigen composities weinig voor. Hij heeft zes pianosonates gemaakt en ‘drie vervolgstukjes’.

Over andere stukken bestaat onzekerheid, maar het zegt genoeg dat hij meer wordt genoemd als schrijver dan als componist.

Orgel

Orgel Martinikerk, 1977 [1986-21098] Orgel Martinikerk, 1977 [1986-21098]

Zo gauw Lustig in Groningen is aangesteld, spant hij zich in zijn orgel verbeterd te krijgen.

Nadat Arp Schnitger het in 1692 heeft uitgebreid, is er niets meer mee gebeurd en dat zint hem niet.

Niet lang nadat het orgel in 1740 klaar is en met een rugpositief van zestien registers het grootste van de Nederlanden is geworden, doet Lustig een poging een aanstelling in Den Haag te krijgen.

Schnitgers zoon Franz Casper, die zich na diens vaders dood in Zwolle heeft gevestigd, maakt een bestek.

Maar doordat deze in 1729 overlijdt, komt de uitvoering in handen van de eveneens uit Hamburg afkomstige Albertus Antoni Hinsz.

Hij wordt niet aangenomen en zwijgt er in zijn eigen geschriften over, maar het zal hem niet lekker hebben gezeten.

Inleiding tot de Muziekkunde

Titelpagina Inleiding tot de Muzykkunde, 1751 [1769-256] Titelpagina Inleiding tot de Muzykkunde, 1751 [1769-256]

Lustig, die in 1736 trouwt met Alijna Reckers (of Rikkers) en in 1754 met Margaretha Rosenbergh, krijgt uit zijn eerste huwelijk (tenminste) vier kinderen.

Twee van hen – oudste dochter Dorothea en zoon Hieronymus – behoren tot zijn leerlingen.

Veel tijd besteedt Lustig aan het schrijven over muziek. Een door hem zelf zeer gewaardeerd werk is zijn ‘Inleiding tot de Muziekkunde’.

Hij geeft het aan ‘muziekreiziger’ Charles Burney, zoals blijkt uit diens door Lustig vertaalde ‘Dagboek’.

Uit de door Lustig aan de oorspronkelijke tekst toegevoegde notities blijkt nog eens duidelijk hoe miskend de Martinikerk-organist zich heeft gevoeld.

Doordat het orgel is teruggebracht in de staat van 1740, leeft Lustig in elk geval voort in het orgel, dat hij tot zijn dood op 14 mei 1796 bespeelde.

Literatuur o.a.:

Nieuwe Groninger Encyclopedie, 1999
Beno Hofman: Stadsmonumenten, 1997

Martinikerk

Martinikerk

De eerste Groninger kerk is van hout en dateert van omstreeks 800. Ongeveer 200 jaar later wordt er een tufstenen kerk gebouwd. Weer zo’n 200 jaar later is deze te krap geworden voor de groeiende stadsbevolking en wordt er volgens de dan geldende stijl een drieschepige romano-gotische kruiskerk gebouwd, gewijd aan Sint Maarten. Geleidelijk groeit in de voor Groningen ‘gouden’ vijftiende eeuw uit deze kruiskerk de huidige laat-gotische kerk. De laatste grote restauratie vond plaats tussen 1962 en 1975, waarbij o.a. het 17e-eeuwse ‘zuidportaal’ met het ‘boter- en broodhuisje’ in vereenvoudigde vorm werd herbouwd.

Orgelbouwer  Arp Schnitger (1648-1719 Duitsland)

Orgelbouwer  Arp Schnitger (1648-1719 Duitsland)

Hij leert het orgelbouwen bij Berendt Huss, een broer van de in Groningen werkzame Hendrik en Johannes Huis (Huss). Hij is toonaangevend in Noord-Duitsland en Noord-Nederland, maar levert ook orgels in landen als Portugal en Rusland. Veel van Schnitgers orgelkassen in Groningen komen tot stand in samenwerking met kistenmaker Allert Meijer en beeldsnijder Jan de Rijk. De invloed van het door Schnitger geschapen orgeltype blijft in Groningen merkbaar tot begin 19e eeuw. Bekende Schnitger-orgels in de provincie zijn de orgels van de Martini- en van de Der Aa-kerk.