Zoek op de website

Gesloopte Anatomisch Museum

herleeft in ‘De geest en de fles’.

door Beno Hofman

Met de bijna volledige sloop van het ‘Laboratorium voor anatomie en embryologie’ aan de Oostersingel in 2003 kwam een einde aan het Anatomisch Museum.

De disciplinegroep anatomie en embryologie van de universiteit moet het voortaan zonder de anatomische collectie doen, omdat er op haar nieuwe locatie aan de Antonius Deusinglaan geen plaats voor is. De voorwerpen gingen in depot, maar kwamen gedeeltelijk weer tevoorschijn voor de tentoonstelling ‘De geest en de fles’ in het Universiteitsmuseum.

De anatomie is een van de basisvakken van de geneeskunde. Letterlijk betekent anatomie ‘opensnijden’. In Italië komt men op het idee natuurgetrouwe wasmodellen van organen en andere lichaamsdelen te maken.

Petrus Camper

Petrus Camper (1722-1789), [1785-10533] Petrus Camper (1722-1789), [1785-10533]

Na de ontdekking van de mogelijkheid om het vaatstelsel vol te spuiten met conserveringsmiddelen, gaat men in de zeventiende eeuw preparaten op ‘sterk water’ bewaren.

Ten behoeve van het geneeskunde-onderwijs leggen hoogleraren vanaf dat moment privéverzamelingen aan.

Zo bouwen de Groningse hoogleraar Petrus Camper en zijn zoon Adriaan Gilles in de achttiende eeuw een enorme verzameling op.

In 1820 koopt koning Willem I de collectie van de Campers en schenkt deze aan de universiteit. Veel voorwerpen gaan naar het in opbouw zijnde ‘Museum voor Natuurlijke Historie’ van Theodorus van Swinderen, maar voor de anatomische collectie wordt een uitzondering gemaakt.

Deze gaat naar het ‘anatomisch theater’, dat zich eerst bevindt in een deel van de Broerkerk en vanaf 1830 in het nieuwe academische ziekenhuis aan de Munnekeholm. Twee jaar later wordt het ‘Anatomisch Museum’ uitgebreid met ongeveer 900 preparaten van wijlen Pieter de Riemer. En later nog met verzamelingen van de hoogleraren Wijnoldus Munniks, Johannes Mulder en Gerbrand Bakker.

Kop van Jut

Hendrik Jut Hendrik Jut

Doordat de lichamen van Leeuwarder gevangenen ter beschikking worden gesteld aan de Groningse wetenschap, komt op donderdag 13 juni 1878 het lijk van de Haagse moordenaar Hendrik Jacobus Jut in het ziekenhuis aan de Munnekeholm terecht.

Nadat velen het hebben bekeken, wordt zijn hoofd op alcohol gezet. Vele jaren staat het in het Anatomisch Museum, maar tegenwoordig is er alleen nog een gipsafdruk.

Hoewel de Telegraaf in 1989 beweert de kop te hebben teruggevonden via een familielid van de toenmalige hoogleraar Middendorp, zeggen medewerkers van het museum dat het preparaat is weggegooid nadat het door lekken van vloeistof is vergaan.

Een jaar voor de komst van de ‘kop van Jut’ zijn de algemene anatomie en de op ziektes en afwijkingen gerichte pathologische anatomie van elkaar gescheiden.

H.W. Middendorp, die voortaan alleen nog hoogleraar pathologie is, en zijn nieuw aangestelde collega J.P. van Braam Houckgeest van anatomie moeten de toch al beperkte ruimte achter het academische ziekenhuis splitsen.

Aanvankelijk gaat dat nog, maar onder hun opvolgers R.A. Reddengius en J.W. van Wijhe lopen de spanningen snel op. Beide hoogleraren willen zo gauw mogelijk een eigen gebouw, maar krijgen steevast te horen dat er eerst een nieuw ziekenhuis moet komen.

De patholoog Reddengius heeft het eerste succes. Terwijl er nog wordt gebouwd aan het nieuwe ziekenhuis, verrijst ernaast aan de Oostersingel een groot ‘Pathologisch-anatomisch laboratorium’.

Reddengius heeft het gebouw in november 1903 nauwelijks in gebruik genomen of hij wordt door collega Van Wijhe gesommeerd twee nog door pathologie gebruikte lokalen in het oude complex aan hem ter beschikking te stellen.

Pathologisch-anatomisch laboratorium

Anatomisch-embriologisch laboratorium, 1966 [818-5621] Anatomisch-embriologisch laboratorium, 1966 [818-5621]

Van Wijhe krijgt pas in de zomer van 1909 zijn nieuwe ‘Laboratorium voor anatomie en embryologie’.

Net als het gebouw van Reddengius staat het aan de Oostersingel en is ontworpen door rijksbouwmeester J.A. Vrijman.

Het Anatomisch Museum wordt ondergebracht in de zuidelijke vleugel op de begane grond en de snijzaal komt daar boven.

Beide disciplines beschikken nu over een ruim laboratorium en museum, maar de ontwikkelingen gaan door.

Zo wordt in de jaren zestig het Pathologisch Museum overbodig geacht en opgeheven. Een klein deel van de collectie gaat naar anatomie en de rest wordt weggegooid.

Enige jaren geleden kondigt zich ook het einde aan van het Anatomisch Museum. Op de plek van beide laboratoria heeft de universiteit nieuwbouw gepland. Geneeskundestudenten voeren nog actie voor het behoud van het museum, maar het blijkt vergeefs.

In 2003 komt de sloper en de anatomische collectie gaat in depot. Slechts oude wandplaten in de kelder van het gebouw van Medische Wetenschappen, herinneren tegenwoordig nog aan het oude museum.

De tentoonstelling

De tentoonstelling

De tentoonstelling ‘De geest en de fles’ werd op 2 december 2004 geopend door wethouder Josée van Schie. In de tentoonstelling was naast een selectie uit de anatomische collectie ook een deel van de etnologische verzameling te zien. Ook voor deze collectie geldt dat ze de meeste tijd in een depot is opgeslagen. Het Universiteitsmuseum wilde met de tentoonstelling laten zien dat het Anatomisch Museum en het Volkenkundig Museum weliswaar gesloten zijn, maar dat de collecties nog bestaan.