Zoek op de website

Bevrijding

na 60 jaar kritisch beschouwd

door Beno Hofman

Het einde van de oorlog werd zestig jaar geleden uitbundig en uitgebreid gevierd.
De autoriteiten en de media vonden dat het allemaal wel wat minder kon, maar andere kritische geluiden klonken er nauwelijks.

Pas nu de generatie die het heeft meegemaakt, bijna is uitgestorven, lijkt er wat meer nuancering mogelijk. Het Universiteitsmuseum en de der Aa-kerk lieten dit in 2005 zien in tentoonstellingen.

De bevrijding wordt in 1945 niet alleen gevierd met feesten, maar ook met vergelding. Het boek ‘Militair Gezag in Groningen’ houdt het op circa vijfduizend mannen, vrouwen en kinderen, die spoedig na de bevrijding in de stad gevangen worden gezet op verdenking van heulen met de vijand. Een ieder, die ook maar op een of andere wijze verdacht wordt, gaat achter slot en grendel.

Kampen

Arrestatie van een man en een vrouw op de Parklaan op 15 april 1945 [1785-18709] Arrestatie van een man en een vrouw op de Parklaan op 15 april 1945 [1785-18709]

De Binnenlandse Strijdkrachten bergen de verdachten op in provisorische kampen.

De Korenbeurs, pakhuis Albino aan het Winschoterdiep, het gebouw van de Grunneger Sproak, het Huis van Bewaring en de gevangenis zijn de grote strafinrichtingen.

De Plantsoenschool aan de Noorderbinnensingel en Huis De Beurs behoren tot de kleine kampen.

Het oppakken van de verdachten leidt vaak tot mensonterende toestanden.

Vrouwen die in de ogen van anderen wat al te innig zijn geweest met de bezetters, worden in het openbaar kaal geschoren.

‘Foute’ mannen worden opgejaagd en onder schot gehouden.

Zowel tijdens het oppakken als later bij het luchten, bijvoorbeeld op de Vismarkt, komen veel ‘goede’ Groningers de ‘fouten’ bekijken, beschimpen en uitdagen. Bij nader inzien blijkt opsluiting in veel gevallen niet terecht. Zo zitten er verzetsmensen tussen, die als dekmantel NSB-lid waren, en onschuldigen, die zijn aangegeven door buren die hen niet mogen.

Pakhuis vol kinderen

Winschoterdiep oostzijde : gezicht op Albino gebouwen, 1931. Foto: P.B. Kramer [1785-2533] Winschoterdiep oostzijde : gezicht op Albino gebouwen, 1931. Foto: P.B. Kramer [1785-2533]

De kampen zijn vaak overvol, waardoor het er erg onhygiënisch is.

De slechte omstandigheden in het met ongeveer 700 vrouwen en kinderen gevulde pakhuis Albino, leidt na drie maanden tot een kritisch krantenartikel.

‘De geïnterneerden liggen den geheelen dag en nacht in stroo, behalve een klein gedeelte, dat uitgaat om te werken.

Van haar plaatsen mogen zij niet opstaan, op een kwartier luchten per dag na en voor een bezoek aan de W.C.

Zij mogen niet lezen, niet handwerken en alleen zachtjes met haar buurvrouw praten. Het stroo wordt zelden ververscht’. Het krantenartikel spreekt verder over slechte ventilatie, luizen, vlooien en ziektes.

Volgens het derde artikel van de derde titel van Tribunaalbesluit moet de internering ‘voor zover mogelijk tevens strekken tot opvoeding en opleiding der geïnterneerden tot nuttige leden van het Nederlandsche volk’. Vanuit dit oogpunt wordt er voor de kinderen van geïnterneerde ouders spoedig naar andere oplossingen dan opsluiting gezocht.

Zo wordt er op Verlengde Hereweg 177 een kindertehuis gesticht voor zo’n dertig, veertig zogeheten NSB-kinderen.
De kinderen blijken van hun ouders een Duitse-opvoeding te hebben gekregen.

Feest en onrust in Groningen

In het onlangs verschenen boek ‘Zomer 1945’ vertelt het voormalige hoofd mevrouw F. Klaassens-Perdok hoe de kinderen bijvoorbeeld altijd Duitse liedjes zingen.

Van de vrouw, die in de oorlog Joodse kinderen heeft geholpen, mag het als ze er maar voor zorgen dat het buiten niet te horen is.

Volgens mevrouw Klaassens kunnen de kinderen ook erg goed marcheren.

Zo goed zelfs dat zij dit bij de avondvierdaagse beter doen dan de deelnemende militairen

Eigenlijk verdienen de kinderen de eerste prijs in de marcheer-wedstrijd, maar dat vindt de organisatie toch niet zo’n goed idee.

De geïnterneerde volwassenen worden indien mogelijk aan het werk gezet. Direct na de bevrijding worden er al mannen ingezet bij het puinruimen in de binnenstad. Anderen moeten pro-Duitse pamfletten van muren en schuttingen verwijderen. Een aantal ‘foute’ vrouwen wordt toegewezen aan de bevrijders, om voor hen bijvoorbeeld wat schoonmaakwerk te verrichten.

Dat het hier niet bij blijft, blijkt uit het verhaal van de heer R. Brongers dat op de tentoonstelling in het Universiteitsmuseum hangt.
Brongers vertelt dat de Canadezen het vergaderlokaaltje van hun restaurant Schortinghuis als kantine mogen gebruiken.

De familie, die boven het restaurant aan de zuidzijde van de Vismarkt woont, hoort wel dat de bevrijders er ’s avonds flink de beest uithangen. In zijn geschreven verhaal geeft hij als mogelijke verklaring dat er bij die militairen ook nog al wat criminelen zaten, die dienstnamen in ruil voor strafvermindering.

Dit soort verhalen maakt de geschiedschrijving van de bevrijding na zestig jaar completer.
 

Van mij tot mei

Van mij tot mei

In het Universiteitsmuseum was de tentoonstelling ‘van mij tot mei’ te zien, over het eerste naoorlogse jaar in Groningen.

‘Bevrijd!’

‘Bevrijd!’

De tentoonstelling ‘Bevrijd!’ toonde verhalen van ‘gewone mensen’, persoonlijke en ontroerende ooggetuigenverslagen. Beide tentoonstellingen waren producties van Oorlogs- en Verzetscentrum Groningen (OVCG).