Zoek op de website

Synco Reijnders

Synco Reijnders maakte naam met ‘roare raize’

door Beno Hofman

Synco Reijnders wordt in 1793 in de Groningse Folkingestraat geboren als zoon van de doopsgezinde arts Jan Reijnders en zijn echtgenote Frederica Hoitsema.

Synco gaat naar de Latijnse School en begint op zijn achttiende aan een studie theologie. Na twee jaar stapt hij over naar rechten.

Reijnders behoort in 1815 bij de eerste Vindicaters en maakt in zijn studententijd z’n eerste gelegenheidsgedichten.

'Een roare raize'

In 1822 studeert Synco af, trouwt met de negen jaar jongere Wiea Zuidema en vestigt zich als kanton-notaris in Delfzijl. Daar tekent Reijnders de geschiedenis op van een Ommelander boer die een dagje met zijn vrouw naar de stad gaat: ‘Een roare raize van ’t Hogeland noa Stad’.

Nadat de vrouw is achtergebleven in het Lopster Veerhuis, gaat de boer door naar de Vismarkt en belandt uiteindelijk in het beruchte café De Fontein in de Lamme Huingestraat, de huidige Akerkstraat.

Hier wordt hij verleid en van zijn geld beroofd. Terug bij het Lopster Veerhuis bezweert hij nooit meer een stap in de stad te zullen zetten.

Het gedicht verschijnt in 1828 en beleeft al datzelfde jaar een tweede druk. ‘Pries is ein stoter’ adverteert uitgever C.L. Meijer op 12 december van dat jaar in de Provinciale Groninger Courant. De ‘roare raize’ wordt een van de succesvolste werkjes van Reijnders.

De dichtende burgemeester

In 1832 verruilt de notaris Delfzijl voor Appingedam. Hier is Reijnders naast notaris ook tien jaar – van 1833 tot ’43 – burgemeester. In deze periode treedt hij bovendien vaak dichtend op bij vergaderingen van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen.

Als dichter levert Synco in 1837 ook twee bijdragen aan de eerste jaargang van de Groninger Volksalmanak. Eén in het Nederlands – ‘Mijn afscheidsbezoek aan den ouden toren van Appingedam’ – en één in het Gronings: ‘Houw dat Jan an zien Saar komen is’.

Synco Reijnders lijkt in 1861 van standplaats te gaan ruilen met de Zandtster notaris L. Wildervanck de Blécourt. De laatste komt inderdaad naar Appingedam, maar Reijnders keert nog datzelfde jaar terug naar zijn geboortestad. Op 24 oktober vestigt hij zich met zijn echtgenote en twee nog thuiswonende dochters aan de Nieuwe Boteringestraat als ‘oud-notaris’.

Na het overlijden van z’n echtgenote trekt Synco in 1868 in bij z’n zoon Hendrik, die een wijnhandel heeft op de hoek van de Oude Boteringestraat en Achter de Muur ( de huidige Hardewikerstraat). Vijf jaar later overlijdt Reijnders op tachtigjarige leeftijd.

De Groningsche Volksalmanak

Portret Synco Reijnders (bron: Groningsche Volksalmanak 1906) Portret Synco Reijnders (bron: Groningsche Volksalmanak 1906)

De genoemde Groningstalige gedichten behouden een grote populariteit.

Dit wordt nog versterkt doordat A.T. Vos in de Groningsche Volksalmanak van 1906 een artikel aan de ‘Ommelander Dichter’ wijdt.

A.S. de Blécourt en de bekende Kornelis ter Laan verzorgen in 1941 een heruitgave van de bekendste twee gedichten van Reijnders in de serie ‘Berijmde vertellingen’.

Op het schutblad verklaren zij de uitgave ‘als een hulde aan de eerste dichter in de Groninger volkstaal’.

In de inleiding wordt duidelijk dat dit gelezen moet worden als de eerste Groningstalige dichter ‘van betekenis’.

Ook de samenstellers van het recent verschenen overzichtswerk ‘Twee eeuwen Gronings’ erkennen de betekenis van Reijnders.

In het boek staat hij niet alleen met een korte biografie, maar bovendien met zijn beroemdste gedicht, in de nieuwste spelling: ‘Raare raize’.