Zoek op de website

1 april 1851: bezoek aan bekenden

Was ik reeds weder vroeg op de been. Hoewel ik met de Engelsche meijd niet konde spreken, konde ik haar tog wel beduiden dat ik in de vroegte gaarne een kop coffij dronk, hetgeen mij dan ook telkens ter hand gesteld wierd. In de vroegte maakte zij het zaal zeer propertjes. Alles was blinkend en schoon. Nu ging ik alleen een wandelingje maken. Onder anderen zag ik nu de Thower, dat was niet verre van ons logement. Ook zag ik bij een groot nieuw huis op bouwen van witachtige gebakken steenen en nadat ik de steen regt bezien het die heel hard gebakken is en ieder steen is aan de een kant eene kleine holte in het midden naar de eene zijde. Waarschijnlijk dat het daardoor sterker is wegens de kalk. Nadat dit gebouw reeds 6 verdiepingen bevat, zag ik 12 opperlieden met kalk bij de stijger opklimmen, de kalkbakken zijn aan de eene kant open en met stokken erin, waarmede zij de kalkbakken op hunne schouder slingerden. /80/ Het gaat zoo geregeld of het een exkersitie is. De kalk is net als een deeg aangemengd, ook ging er dan weder zoo een troep met steenen na boven en zoodanig is het ook niets in Engeland wat klaar te krijgen. Het gaat alles met spoed, veele handen maakt ligt werk. Daarentegen werken de lieden zeer zwaar, maar men krijgt er ook voor betaald.
Het wordt nu dan weder tijd het logement op te zoeken en het morgenontbijt te gebruiken.
Nu gaan wij weder gesamentlijk aan de reijs en wij vinden dan eindelijk na lang zoeken den werksman voor zwagers zoon te Sunderland, die hem in zijn bedrijf wat verligten zal. Deze wordt aangenomen van 1½ £ of ƒ 18 per week. Het komt dan wel op mijn zeggen uit, dat waneer de knecht ƒ 18 verdient dan moet de baas toch ook wat hebben omdat deze jonge de goedheid zelve is, aan mijn zuster zoo veel goeds bewijst was ik zeer verheugd dat wij die boodschap verrigt hadden. Hij is reeds groot en wenscht eens dat mijne vrienden dit in oogenschijn konden nemen, opdat men daardoor ondervond dat ik in geenedeele de zaken alhier vergrote.

Om 10 uren was het nu bepaald bij de grossier te komen afreken. Het pakkleed en kistje voor zijden waar, alles was op de /81/ factuur geplaatst. Zoodat ik buitendien aan een makelaar ƒ 5 betalen dat hij in de eerste plaats de factuur in Hollands zoude schrijven, benevens een declaratie erbij te voegen, opdat ik geen ongemak konde hebben bij het goed in Holland in te voeren. De stukken zouden mij nu dan de nademiddag weder ter hand gesteld worden. De goederen waren betaald. Er waren zoo veele heeren, dat ik eigentlijk niet opgemerkt wie de regte eigenaar is. Ik had nu alles betaald en ging heen. Terwijl ik besloten had in het manufactuurfak voor deze keer niets meer te doen, want alles kost geld en weet nog niet hoe of het met de kosting zal uitkomen. En hetgeen mij nog van ordinare zaken ontbreekt, zal ik te Amsterdam bij kopen, terwijl ik de reijs over Harlingen nu voor vast heb opgegeven, terwijl die nog zoo zeker niet is als over Rotterdam en ik stel mij dan daarover zelve in tevredenheid aangezien ik aan mijne vrouw uit Sunderland geschreven had dewijl ik een paar dagen te laat ben aangekomen ik de tehuiskomst nu niet vast verzekeren konde.

Nu ga ik met vrissche moed aan het zoeken om de koralen. Zwager doet nu voor zich handelen in galanterie en ik ga mijns weg alleen. Ik zoek en vind en ik koop zelve, omdat ze zoo mooij was, /82/ schoon dezelfs hoog in prijs waren, was ik later tog wel overtuigd dat ik wel gedaan had. Toen ik ten half 3 uren in het logement gekomen was, nadat ik alweder aardig gelopen had, schoon niet in der mate van gister. Ik had nu dan bepaald een weinig rust te houden om aan mijn waarde te schrijven, dewijl ik nu de gelegendheid heb om naar de Hollandsche wal of zelfs naar Groningen toe een brief mede te krijgen om de ongerustheid van haar voor te komen, aangezien ik op de bepaalde dag niet kan tehuis zijn of de Hollandsche reijs moet dan na ter agteren blijven en zoude dan later genoodzaakt zijn exstra er naartoe te reijzen en ik nu als 't ware voor niets kan daar zijn. Men hoort nu dat er dingsdag ook een boot afvaart, maar helpt niet. Dit is een boot voor het vee en mag geene passagiers mede nemen. Vele regels zijn er van dien aard. De boot van woensdag mag geene pakgoederen mede nemen, terwijl die voor de brieven maal dient. Of dit nu alles na de regel altijd gaat, weet ik niet. Dat zwager de reijs mede gedaan heeft, was natuurlijk zeer aangenaam maar heeft integendeel ook veel tijd verkwist om reden dat hij zijne zaken in passant ook moest waarnemen. Mogte ik nog eens weder de reijs doen, zoo zoude ik zelve weten waar ik staan moet of heen.
Dingsdag loopt nu al spoedig ten einde. Ik had mij nu al meer /83/ en meer alleen op de weg begeven.

Nu is het tijd bij eenige kennissen te gaan afscheid nemen. Vooral had ik reeds in mijn logement tijding ontvangen om bij de heer L. Sijmons te komen, terwijl z. e. van mijn aanbod wat te veel gebruik hadden gemaakt. In de eerste plaats lagen in mijn logement reeds 5 kleine pakjes voor Rotterdam en 's Hage. Die van Rotterdam had ik besloten om die niet mede te nemen om reden dat daartoe zich wel meer gelegendheid zoude opdoen. Terwijl die na Den Haag aan mijne goede kennissen volgaarne zoude mede nemen, ofschoon ik eigentlijk wel wat hinder ervan had. Toen ik dan eindelijk dingsdagavond te zijnen huize aankwam, was men bezig met een aanzienlijk kapitaal Hollandsche coupons voor duizenden aan waarde. Ik verschrikte er nu bijkans van dat dien goede heer mijn vraagde of ik dezelfde in een pakketje wilde medenemen naar zijn zwager de heer Ezechiels te Rotterdam."197" Ik was bijkans convuis er van geworden en voegde zijn edele toe hoe dat hij aan mij dat durfde toe vertrouwen.

Waarop zijn antwoord was, omdat ik met zijn broeder te Amsterdam en ovrige familie zoo bekent was. Zijn broeder wist hij zeker dat die met een ieder en vooral met ieder heergelopene geene conversatie houd en dierhalve bij hem geheel geene vrees bestond om het aan mij mede te geven. Terwijl ik daarover zeer gevoelig werd in een vreemd land eene zoo grote vertrouwen te ondervinden, niettegenstaande mij dit nu op 't moment geene voordeel aanbracht, is het tog ligtelijk mogelijk dat het mij op den duur /84/ voordeel kan aanbrengen, terwijl ik daar nu weder onder een vriendschaplijk gesprek bij den heer en mevrouw en dezelfs zoon in het vertrek was, kwam er nog een gehuwde zoon en dogter beiden met hare gade in te gaan. Bij deze gelegendheid dat wij over het eene en ander, zelfs over handelszaken hadden gesproken, verklaarde mij die goede man dat het hem speete dat ik bij zijne kinderen te Manchester die aldaar beiden een fabriek van manufacturen hebben niet geweest ben. Zoo indien als ik eens weder komen mij gaarne een goede recomandatie wil verzekeren. Ik zie dan nu toch dat het oude spreekwoord ook hier van kracht is: Bergen en dalen ontmoeten zich niet, maar men menschen wel. Buiten en behalve heeft het mij echter leed gedaan dat ik het niet geweten heb dat die lieden aldaar wonen. Te meer omdat juist een dogter van mevrouw de wed. Andries"198" aldaar was over wien wij reeds toevallig eenige bijzonderheden gesproken hadden. Het begint nu reeds tijd te worden om mij weder na het logement te begeven, omdat ik mij nu nog voor het eene en andere voor te berijden heb. Ook moet ik nog bij de goede Van Delden en Boom, alwaar ik zaterdag voor hier iemand een goed woord gesproken heb en die mij even te voren als ik in der haast er nog na toe was gegaan, schoon hare man slechts een vak bekleed dat zeer gering is, zoude men hier zeggen. De man gaat bij dag zoo wel als nachts bij zieken waken."199" /85/ Het is een dogter"200" van onze oude overledene Oudgenoeg"201". Die vrouw stopte mij 5 Engelsche schellingen in de hand in een papiertje, het is tog drie gulden Hollands. Zulks zoude tog hier te lande van zoo een nobel vak niet gedaan kunnen worden. In hare huishouding ziet het er maar zeer best uit. Hare kinderen worden op eene zeer fatsoenlijke manier groot gebragt. Het zijn aankomende meijsjes er onder, die nu reeds al eenigzins in de huishouding kunnen bijbrengen. Hare eenigste zoontje heeft zij mij verhaald berokkend haar zoo veele verdriet om reden hij een beeld is. Doof en stom. Haar groote troost is nog dat hij op school ook zeer vorderd met leeren.

197.

Zijn zwager is Elias Ezechiëls, zie noot 213.

198.

Bedoeld is mogelijk Sophie Andries, geboren 1826 te Den Haag, of Henriette Helena Andries, geboren 1829 te Den Haag. Kinderen van Rosetta Jacobs Sijmons (een zuster van Eleazar Jacob Sijmons) en Eliasar Andries te Den Haag; zie ook noot 173.

199.

In de census van 1851 komt de in 1803 te Amsterdam geboren ziekenoppasser Moses (Morris) Jacob Boam voor. Destijds woonde hij te Londen aan 19 Castle Street. Hij trouwde 23 juli 1834 met Amalia Samuels. Volgens de census had het echtpaar de volgende kinderen: Hannah, geboren 1836; Elizabeth, geboren 1837; Rosa, geboren 1841; en Sarah, geboren 1842. Een zoontje wordt niet genoemd. Voor een nadere indentificatie van Boam is het register van aangenomen of behouden familienamen van Amsterdam belangrijk: Jacob Joseph (waarschijnlijk ongeveer 1771 geboren als zoon van Joseph en Anna Barends Salomons en 1800 te Amsterdam in ondertrouw met de circa 1770 geboren Naatje Mozes) neemt op 5 december 1812 voor zichzelf en zijn kinderen Joseph (9 jaar oud), Mozes [= Morris] (8 jaar oud), Saartje (6 jaar oud) en Barend (2 jaar oud) de familienaam Boom aan. Van deze vier kinderen woonden Barend (Barnett) en Saartje (Sarah) destijds ook in Londen. Barend werd op 2 november 1853 (zie National Archives HO 1/52/1673) genaturaliseerd onder de naam Barnett Boam.

200.

Volgens de census van 1851 is zij 1805 te Amsterdam geboren, maar de omgeving van Assen als geboorteplaats ligt meer voor de hand. Andere dochters waren namelijk (Roosje Samuels Oudgenoeg, die in 1830 te Amsterdam trouwde met Lazarus Jacobs Sheikeles, was omstreeks 1807 te Zevenhuizen geboren, en een andere dochter Jetje Samuels Oudgenoeg die in 1834 te Amsterdam trouwde met Jacob Samuels Jacobs was omstreeks 1808 te Assen geboren) wel in de omgeving van Assen geboren.

201.

Bedoeld Samuel Levie Oudgenoeg [Altgenug], geboren circa 1764 te Norden overleden te Leek 3 april 1848, gehuwd met Hindrikje Salomons Hichentlich (circa 1780 - 1843). Het gezin vertrok in 1821 uit Assen en vestigde zich in 1825 te Leek.