Zoek op de website

31 maart 1851: toerist in Londen

Om 5 uren had ik reeds mijn bed verlaten, opdat ik op mijn comoditeit zoowel mijn gebed verrigten konde even wat te eeten en drinken. Ik was wel ook op de bepaalden tijd reijsveerdig, maar mijn geleidsman was nog niet eens bij der hand. Het was bijkans half 8 uur eer wij de reijs ondernamen. Toen ging het echter met harde schreeden en in een half uur tijd waren wij aan het veemarkt,"195" namentlijk eerst de schapen. Men berekende de schapen op 7000, terwijl er plus minus 3000 stuks runderen aanwezig waren. Ik verheugde mij zeer dat ik ook deze reijs gedaan had. Mijn verwondring was weder ten top /74/ gestegen. De schapen van allerlij aard zelf ook zoowel met lange als korte hoorns zag ik dat juist tog geen Drentsche waren, die vijne wol op zich hadden. Veele reeds geschoren vond ik aldaar, die zoo dik vet waren als het omtrent niet te denken is. De ruggen hebben een buitengewonen breedte. Met genoegen zette ik ettelijke malen mijne vingers daarop derwijl ze waggelden van vette en het is daardoor zoo zacht op hare lijf was alsof men een kussen aanvoelde. Veele bruinachtige schapen vond ik aldaar. Ook vind ik hier die soort vuile van op mijn reijs zoo dikwijls gezien te hebben netto of ze door de steenkolendamp waren aangedaan. Ieder koopman heeft daar zijn hokken en door de makelaars wordt de handel gesloten.

De veemarkt te Smithfield De veemarkt te Smithfield

Het gezigt van het rundvee is al reeds een mooij gezigt. Het is niet te denken hoe weinig menschen op de markt zijn, maar er behooren voor de 3000 stuks ossen en koeijen die op het markt zijn niet veel kopers te zijn, terwijl er vleeshouwers zijn die 100 en sommige nog meer gebruiken kunnen. Bij het heengaan waren ons reeds grote koppels tegengekomen. De markt vangt met het aanbreken van de dag reeds aan. Het vee wordt zelfs bijkans als het nog nacht is uit de booten gelost en dadelijk naar de markt aangevoerd. /75/ De ossen & koeijen, zoomede tusschen beide, staan er ook wel zeer vette stieren. Ik heb eene gezien die naar mijn inziens wel 1400 pond zal gewogen hebben. Het vee staat aldaar zeer geregeld. Het word zeker in grote hoeveelheden aangevoerd, terwijl ik op veele plaatsen in eene rij veel gelijksoortig gevonden heb. Men vind dan ook wel haar, hetwelk men hier te lande niet opmerkt. Zoo waren er onder andere zeer donkerbruine, bijkans zwart ook, die iets ligter bruin waren, veel rode soort, enkel wit, zoo ook rode-zwarte welke geheel zonder hoorens, ook welke met zeer grote hoorens. Ik heb ook nog gezien die aan de puntjes ijzeren knoppen erop geschroven waren.

Ovrigens heb ik van de handel zeer weinig opgemerkt, aangezien ik ook niet lang aldaar vertoefd heb. Mijne uren zijn nu al weder geteld. Ik heb reeds sederd gister zoo menigmaal in mijne bedenking genomen of ik wel de reijs over Rotterdam of Harlingen zal ondernemen. Vrijdag is mijne verlofpas uit. Indien ik over Rotterdam reijs, is het onmogelijk op de tijd in huis te komen, om reden dat ik mij te Amsterdam zoo noodzaaklijk moet ophouden. Voor woensdag kan ik niet weg komen en dan varen de beide boten. Ik heb de terugreijs naar het logement nu alleen aangenomen. De omnibussen rijden alhier nog zoo vroeg niet. Ik had nog wel gaarne iets langer gezien, maar de tijd liet het niet meer toe. Wij waren te laat weg gegaan. Met spoedige treden ging ik dan ook weder terug. Alle oogenblikken ontmoette ik wel een policiebediende die ik als dan de adres van mijn logement toonde, die /76/ mij gaarne teregt wezen.

Bij de tehuis komst in het logement spoedig wat gegeten en gedronken, dewijl ik bij het uitgaan het morgenontbijt nog niet genuttigd had. Nu wordt het weder tijd om zich met handelszaken te bemoeijen en wij ons begaven op het magazijn en kantoor om te zien hoe veel schuld ik vrijdag gemaakt had. Men zegt mij dat er veele nieuwe zaken uit de fabrijk waren aangekomen, waartoe ik dan ook kogte. De reken zoude opgemaakt worden en zoo gaan wij naar een magazijn van zijdewaren. Zwager had aldaar eene boodschap, ik kochte aldaar ook het eene en ander. De grote waarde die ik aldaar aantrof van zijden stoffen is niet te begroten. De veele bedienden in dit spil is tevens zoodanig op zijn order, dat ik mijn niet genoeg bewonderen kan. Zoude ik dit in het wezentlijke alles aannoteeren, zonder twijfel zullen de meesten het voor onwaarheid beschouwen. Ik zoude het ook nimmer gedacht hebben, zoo op eene plaats zoo veele zijdenstoffen aanwezig zouden zijn.

St. Pauls te Londen (uit: Gaspey en Talis, Tallis's illustrated London) St. Pauls te Londen (uit: Gaspey en Talis, Tallis's illustrated London)

Nu zijn wij juist niet verre van de Sint Pauluskerk, die wij nu met eens hebben bezocht. Het is weder een wonder. Men zegt ons dat dit eene der zeldsaamheden der wereld genoemd word. Zeer veele monumenten staan van binnen in de kerk van de oude Engelsche helden, in het midden is de buitengewone hoge ronde koepel. Men moet zich achterover buigen om naar /77/ boven te zien. Ik had daarbij nog eenige bijzonderheden op een stukje papier opgeschreven, maar het is zoek geraakt, waartoe ik nog een klein hoekje alhier zal open laten.
De koepel in de Sint Pauluskerk van onder om het teken of gravurewerk te aanschouwen moet men tegen sturen de gehele ronde omtrek beneden is met bonte marmervloer met een zoo grote ster de omtrek is 140 treen ruim 400 voet. Rondom in de kerk staan in levensgrote veele van de oude Engelsche beroemde mannen, waaronder ook Nelson, veel meer andere.

De drukte voor de Royal Exchange aan de Cornhill, circa 1890 De drukte voor de Royal Exchange aan de Cornhill, circa 1890

Nu moeten wij op eene verre afstand voor zwager zijn zoon eene noodzaaklijke boodschap verrigten, alwaar wij per omnibus naartoe rijden. Bij de Beurs kan men naar verkiezing heerkomen waar men wil, vandaar gaan ze naar alle rigtingen. Men stapt maar op. De wagens zijn zoo bont van alle opschriften rond en rond, alles is volgeschilderd. Honderden van rijtuigen, die niet alleen van binnen vol zitten maar zelfs bovenop maar opgepakt word. Komt op de straten eens een paard te struikelen of door de gladte der steenen komt te vallen de zweep wordt er opgelegd, springen weder op en het gaat en passant weder voort. Die passagiers van binnen bemerken het gheeel niet, ik heb zelfs een paar maal als ik bovenop zat dit spelletje ondervonden. Om een voorbeeld te geven dat er rijtuigen in London zijn zag ik met ons oprijden een omnibus met no. 7700 (op dezelfde dag no. 7701 ook gezien) of dit nu van de omnibussen de no. alleen is of dat er andere rijtuigen mede inbegrepen zijn dat wil ik niet voor vast zeggen, terwijl men dan ook veele andere soort wagens ziet die met nommers getekend zijn. Ik herinnere mij nu aan het gisteravond verhaalde van onze kastelein Mozes Meijer, /78/ dat eens iemand aan zijne vrouw zijne aankomst te London geschreven had. Zijne vrouw was daar omtrent zeer ontevreden bij het retour schrijven uit hoofde hij haar niet het eene andere bijzonderheden had mede gedeeld. Later verantwoord hij zich met het volgende: een algemeen spreekwoord is, de gehele wereld is een stad, maar zegt hij in de stad London is een Wereld! En diegene welke hier die drukte bijwoond en alles gade slaat, zal dat gezegde bijna goed keuren. Hoe veele uren gaans ik heden wel door de stad ben gereden, kan ik niet wel bepalen en het geld uitgeven voor iets dat men bij ons lang niet zoude doen, valt mij niet meer zoo zwaar. Het wordt ten laatsten alles een gewoonte. Ik heb tog heden al voor een flesch bier 12 stuiver betaald.

Om 5½ uren komen wij te huis. Het eeten was nu ook even zoo wel klaar als anders, veel gemaklijker en beter voor de passagiers als te Amsterdam. Het is hier even als in een ordinaris: er wordt niets van gezegd of men vroeg of laat komt. Dit is voor passagiers wezentlijk een groot gemak en spoedig als te Amsterdam is het netto om half 5 en de passagiers moeten zich er na hebben, althans bij Vredenburg."196" Zoo spoedig ik nu het eeten op had weder aan de reijs tewijl iemand mij verzekerd had om het bonte Albast ergens te kunnen krijgen, alwaar ik weder een schelling met rijden versnoept heb. Zwager heeft hier /79/ egter regt gehad. Hij had reeds aan die man gezegt dat het leugens waren, dat hij het wiste hoeveele moite wij ook gedaan hebben het was niet mogelijk te London dit op te sporen.
De lichten waren reeds lang op toen ik weder tehuis kwam. Weshalve ik dan ook deze avond maar besloot tehuis te blijven. Te meer omdat ik de nodige aantekening in mijn Journaal nog lang niet afgewerkt had.

195.

Waarschijnlijk is bedoeld de Smithfield Market, die in 1855 werd gesloten en verplaatst naar Islington. Op de plaats van de vroegere veemarkt is tegenwoordig de Central London Meat Market.

196.

Mogelijk is de logementhouder Joseph Abraham Vredenburg in de Nieuwe Hoogstraat te Amsterdam bedoeld.