Zoek op de website

Noordlaren

Gemeente Haren

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Noordlaren, ruim 2½ uur Zuidoost ten Zuiden van Groningen gelegen.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Onder Noordlaren behoort het gehucht Glimmen met de Punt ¾ uur noordwestwaarts van het genoemde dorp gelegen. De naamoorsprong van Glimmen weet ik niet, maar de daarby liggende punt zynde eene Stads herberg, aan de Aa gelegen, heeft zynen naam bekomen van eene pont of schouw, waarmede men eertyds over gemelde rivier voer.
Noordlaren wordt, ter onderscheiding van de naburige Drentsche plaatsen Zuid- en Midlaren, Noordlaren genoemd. Doch wat is nu de naamoorspronng van laren?- Volgens Picart (J. Picart antiquiteiten van ’t Oude Vriesland bl. 102) zou het afkomstig zyn van het Latynsche woord Lararium, dat een huis of verblyf der beschermende huisgoden beteekende welke goden men Lares noemde.- Is dit zoo, dan krygt zekerlyk de gissing van Nassau (H.J. Nassau, Oude Aardrykskunde bl.: 162.) dat het oude Mediolarium nu Midlaren zyn zou meerdere zekerheid.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Dufsteen of duifsteen vindt men hier niet; doch op de torenklok die van eene matige groote en zwaarte is, leest men dit weinig beduidende opschrift: Als de Hoog Ed. Heer Raadsheer de Drews kerckvoogd en Johannes en Lubbertus Munkerus Predikanten. En Jan Sibering en Jan Hemming mede kerckvoogden waren en Albert Hundricken en Warmelt Kruse, Volmachten waren- is dese klocke vergooten door mester Tittie Goossens en heeft my gegooten op dit pas als hy nog vryer was Anno 1712.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

a: De Drentsche Aa of het Hoornsche diep, loopende, van het Zuiden naar het Noorden, aan de Westzyde van deze Gemeente; het maakt de limiet of grensscheiding uit, tusschen deze Provincie en Drenthe tot by of achter het buitenverblyf van den Heer C.H.J. Jullens te Glimmen, van waar het geheel door deze Gemeente loopt en het overtollige Drentsche water, verder noordwaarts aan, naar Groningen enz. voert.
b: De Hunse of het Drentsche diep; komende van het meer Zuidwaarts gelegene Drenthe; stroomt aan de oostelyke grenzen van deze Gemeente noordwaarts aan, en stort zich vervolgens in het Winschoterdiep.

Aanmerking van den Heer Westendorp

Is hier ook een oud bed der A, dat bykans onmerkbaar is? Is de a hier niet het Hoornsche diep, of wanneer wordt dit zoo? Is dit dezelfde tak? En waarom is de A hier niet overal de scheidslyn, gelyk eerst en het Hoornsche diep vervolgens?
Is er niet een oude en nieuwe A? Dit stel ik my nog vast voor.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

a: Het groote en Vischryke Zuidlaardermeer, aan den Oostkant van Noordlaren, door het welk de Hunse uit Drenthe naar Groningen stroomt. Op het wydste is het van het Zuiden naar het noorden ¾ uur gaans lang en deszelfs omtrek is wel 2 uren.
b: Het Pollsche meer, ten westen van Noordlaren digt by de Aa gelegen, is van weinig beteekenis.
Het heeft zynen naam van de daarby gelegene Poll, voorheen een heide veld, thans door den Heer van Hasselt voor een klein gedeelte in Bouwland en het overige in bosch veranderd.
c: Het Hemrik, een klein meertje, ten noorden van Glimmen, aan de Aa gelegen.

Aanmerking van den Heer Westendorp
Loopt de Hunse of de Groeve een tak daarvan, door het meer; Hoe ver hoort dat meer aan Noordlaren en hoe ver van Kropswolde?
Heeft Zuidlaren er niets aan?
Is er geen oud bed der Hunse achter de Groeve en naar den kant van het Schuitendiep merkbaar?
Wat scheidt hier de landen?
De steller heeft alle dyken, Kaargangen waterlossingen, naar het Winschoterdiep strekkende overgezien, en deze kennis is van veel belang.
Onder welke huizen hoort het land van Noordlaren en waar is de scheiding?
Hoe veel brengt de jaarlyksche verhuizing van het Meer op?

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

a: Eene Koren-es ten Westen en Zuiden van Noordlaren, ruim een uur gaans in den omrek, waarop de akkers der landgebruikers door elkander liggen en slechts door zwetsteenen (Kleine Keisteenen) van elkander gescheiden zyn.
b: Eene Koren-es ten Oosten van Glimmen, doch veel kleiner dan de eerstgemelde.

7. Welke bosschen zijn daar?

Eigenlyk groote bosschen vindt men hier niet.
De Poll, die voor eenige jaren nog heide was, is nu byna geheel met dennen bezet en zal misschien met weinige jaren tot een groot bosch aangroeyen.- By het buiten verblyf van den Heer Jullens te Glimmen is een bosch doch niet byzonder groot en belangryk.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

a: Uit den grond delft men hier: wit- of welzand; kei- of straatsteenen, waaronder van byzondere zwaarte; leem; en uit het weinige veen dat men hier vindt: langen turf en ook baggel, die zeer goed en zwaar is.-
b: Daar het bouwland uit zandgrond bestaat, is het best tot den aanbouw van rogge geschikr, die hier dan ook menigvuldig aangekweekt wordt en het voornaamste bestaan der inwoners opgelevert. Boekweit, haver, vlas en raapzaad wordt hier weinig verbouwd. Aardappelen meerder. Spirweln knollen (herfst knollen) heeft men hier ook: het eerste dient
geheel en het andere gedeeltelyk, om er het vee (rundvee) in den herfsttyd mede te voederen. – Houtgewas vindt men hier veelvuldig, vooral eiken en elzen, verder, yperen, esschen, willigen enz.
c: De dieren welke de landbouwers aanhouden, zyn: paarden, ossen, koeijen, verkens en hoenders.
Paarden en koeyen worden inzonderheid veelvuldig aangekweekt, zoodat, meestal op de herfstkermissen een groot aantal naar elders verkocht worden. Schapen houdt men niet en de byenteelt wordt slechts door weinigen uitgeoefend.
Van het wild gedierte vindt men hier: hazen, konynen, korhoenders, water- en houtsnippen, patryzen, ganzen en eendvogels, inzonderheid de beide laatsten in meningte. In het zoo vischryke Zuidlaarder meer en de andere boven gemelde wateren, treft men veevuldig: baars, Snoek, Karper, brasem, zeelt, voorn en aal of paling aan.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Noordlaren en Glimmen, beide in de afhelling van den zandigen Hondsrug gelegen, het eene meer en aan deze, het andere minder en aan geene zyde, hebben enen vry goeden of vruchtbaren grond. Aan de Westzyde van Noordlaren en ten Oosten van Glimmen heeft men eerst vruchtbaar zand en vervolgens heideveld. – Voor een gedeelte zou men dit heiveld spoedig in eenen vruchtbaren grond veranderen kunnen en een ander gedeelte is misschien voor den groei van hout (dennehout onder anderen) niet ongeschikt. Op en bylangs den Hoogenweg, die naar het naburige Zuidlaren in Drenthe loopt, vindt men dieper in den grond meestal niets dam leem. –Op andere plaatsen heeft men eerst vyf of meer palmen goede of tuinaarde en dan roodachtig zand, hetwelk nader by den wel witter wordt. Door dit zand loopt somtyds eene ader zwarte aarde, hier oer genoemd, die op het gezigt veel overeenkomst heeft met gemalen sichorei en geheel onvruchtbaar is. Ten Oosten en noordoosten van Noordlaren heeft men eenen lossen, gemegden en zeer lagen grond, die by den winter geheel onder water loopt, doch voor den hooibouw zeer geschikt is. In het hoogste gedeelte heeft men een, twee en meer ellen diep veen; dat tot baggelen zeer goed is: verder naar het water is het Veen met andere stoffen vermengd en levert eenen lossen grond op.
Ten Westen en Noordwesten van Glimmen is de grond even zoo als de laatstgemelde en dieper vindt men het witte of welzand.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

-

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Voor weinige jaren vond men in Noordlarengeen winkelier, tapper, bakker noch Smid, de dagelyks gebruikt wordende goederen moesten toen van de naburige plaatsen gehaald worden; terwyl iedere boerin voor huisselyk gebruik zelve brood en Stoet (Drentsche Stoet) bakte, daar meest alle boeren van ovens voorzien waren. Thans zyn er door de toenemende bevolking twee winkeliers, twee tappers, twee kleermakers, twee Schoenmakers, vier timmerlieden, een bakker en een Smid.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Door de hogere ligging, door den verderen afstand van de zee en de mindere uitdamping van den zandgrond is de lucht hier niet zoo vochtig en zyn de avonden, na warme zomerdagen, niet zoo koud, dan in de noordelyke streken van deze Provincie. Vele ziekten, die elders somtyds heerschen, zyn hier geheel niet, of althans zeer zeldzaam.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

In Noordlaren is eene Kerk, eene ruime en luchtige school en sedert 1819 een zanggezelschap. Te Glimmen is ook eene school doch niet ruim en luchtig genoeg.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Het meerendeel der inwoners hebben hun bestaan van den landbouw en veeteelt. Byna niemand of hy houdt zoo veel vee en bebouwd zoo veel land als tot huisselyk gebruik noodig is.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Door de nabyheid van Drenth, heeft de platte taal veel van den Drentschen tongval. Indien ik dit door voorbeelden ophelderen zoude, dan was het vooraf noodig om geheel andere klinkletters aan te nemen daar men anders; noch door zamenvoeging van verschillende klinkers, noch door de zorgvuldigst aangewende moeite den regten klank aan sommige woorden niet zou kunnen geven

Aanmerking van den Heer N. Westendorp
Het was toch wel van belang, dat de schryver ons hier van eene proef mede deelde, dewyl deze tongval een der aanmerkelyke differente in ons gewest is.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Zuinig, naarstig en nederingheid zyn de voornaamste karakter trekken der inwoners. Eerlyk en gedienstig zoo wel jegens vreemden als onder elkander; ook zyn zy verre van die wulpsheid en loszinnigheid, welke in sommige grootere plaatsen heerscht. Gelyk de getyden des jaars verschillen; zoo verschilt ook byna de tyd van opstaan, eten enz.
Volgens eene overeenkomst onder elkander, het boer willekeur genoemd, mogen zy in het hooiland niet voor een onderling bepaalden dag beginnen te maa”≥en. –Is die dag verschenen, dan geniet de boer weinig slaap, van des morgens 2 of 3 rust hy niet voor des avonds 10 of 11 uren. Het oogswerk wordt gelyk begonnen en geeindigd; des morgens te 6 en 7, des middags te 12 en 2 en des avonds te 8 uren, geeft men door het kleppen der dorpsklok het algemeen teeken van eten en werken. Des winters heeft de boer weinig meerder te doen dan dorschen en het vee te voederen; het ontbyt komt dan niet voor 9, terwyl het avondeten om 8 uren plaats heeft, waarna men zich al spoedig ter rust begeeft.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Ten noorden van Noordlaren had de bisschop Blankenheim van Utrecht in 1400 eene schans opgeworpen de Blankeweer genoemd, om den toevoer van levensmiddelen naar Groningen te verhinderen. Graaf Edzard van Oostvriesland maakte in 1505 op de hoogte van de Punt, eene sterkte weerdenbras. Ook ziet men ten noorden van Noordlaren, nog de overblyfselen van bolwerken. Ten Westen van Noordlaren op de Koren-es is het Hunebed, bestaande in eenige groote, zware en regelmatig op elkander liggende keisteenen of vlinten. In Drenthe heeft men meer van deze hoopen en men houdt dezelve voor begraafplaatsen in zeer oude tyden.

Aanmerking van den Heer N. Westendorp
Kan de Schryver ons ook hiervan bezorgen eene naauwkeurige opgave der lengte buitenwerks en binnenwerks en der breedte buiten- en binnenwerks en der breedte buiten- en binnenwerks en van het getal zysteenen aan weerskanten en der deksteenen en van de endsteen.
Het is slechts een brok van een groot hunebed, het moet oudtyds zeer lang en aanzienlyk geweest zyn.
En durven wy de scryver niet verzoeken van ons daarvan eene goede afteekening van eene goede hand voor de Kronyk te bezorgen.
W.
Er is nog een ander oud toegeslykt bed aan de Hunse, zoo als men my zegt, en de landen tusschen Noordlaren en het Winschoterdiep- achter de groeve is het zigtbaar. Hoe loopt dat.

W.
Er zyn onder Noordlaren voorzeker belangryke burgten geweest, want de Bisschop had hier, wanneer hy naar Groningen in eenige huizen, vry herberg met zynen Stoet. In Noordlaren is veel gevogten en ook by Glimmen. Hier is ook eene oude burgt geweest.
Wolfsberg heeft onder de kerk van Noordlaren behoort. De steller gelieve te onderzoeken, waar toen de weg liep van Wolfsbergen naar Noordlaren. Zeker voorby het Schansje by Wolfsbergen? Thans in het meer? En waar? En waar kwam de weg dan uit?
Waar zyn de grenzen van Noord- en Midlaren? Hoe groot is Midlaren? Waar de Midlaarder Veenen gelegen, of zoo ze afgegraven zyn, gelegen geweest? Ik wensch vopral naar den kant van Kropswolde dit allernaauwkeurigst te weten? Waar zyn hier de grenzen?