Zoek op de website

Stadskanaal

Gemeente Nieuwe Pekela

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Het Nieuwe Stads Kanaal (= gem. Wildervank).
Dit strekt zich uit, van het einde der boven Wildervank, naby het huis Barreveld, tot op den afstand van 3100 gr Roeden op 2½ uur gaans van hetzelve. De rigting van de hoofdvaart of het Kanaal, waar naar de plaats zelve haren naam draagt, is in eene regte lyn, nagenoeg Zuidoost, loopende paralel met de Sems- of Scheidlinie, die deze Provincie van Drenthe scheidt, op eenen afstand van pl.m: 80 Ned: ellen. Dit Kanaal aangelegd in 1787 wordt jaarlyks verder gegraven, en zal zyne strekking hebben op het Klooster ter Apel, en zoo tot aan de grenzen van Munsterland. Naast deze vaart heeft men, aan de Noord-Oostzyde, op 160 Ellen afstands, eene andere gegraven, die evenwydig met de eerste loopt, en het Boerendiep genoemd wordt. Dit loopt niet door, maar dient slechts om de turf, van de daaraan liggende Venen, in het Hoofddiep af te voeren. Bovendien heeft men verscheidene diepen of monden in de Drentsche venen opgegraven, die alle hunne uitwatering in het eerstgenoemde hebben. – Dit geheele Kanaal is echter niet bebouwd; - de aanbouw van huizen, die de plaats uitmaken, vangt eerst aan op een uur afstands van de Wildervank, en strekt zich anderhalf uur langs de vaart; en ook, voor een gedeelte, zoo ver langs het Boerendiep, uit.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Geene gehuchten of buurtschappen behooren tot nog toe, onder deze Kolonie. Het Nieuwe Stadskanaal zelf behoort onder 3 verschillende gemeenten, en onder derzelver kerken. Het voorste gedeelte, tot aan de Pieter Jans Schuts linie, op de kaarten van onze Provincie aangeteekend, behoort onder de Gemeente Wildervank; van daar tot aan de Balkula sloot, onder de Gemeente Nieuwe Pekela; terwyl het achterste gedeelte, zoo ver het bebouwd is, onder Onstwedde behoort. Ten opzigte van de bevolking is het eerste Deel het kleinste, en het tweede het grootste, hoe wel de bevolking in het achterste gedeelte jaarlyks sterk aanwint. De geheel bevolking was in 1818 ruim 600 zielen, en wordt thans (in 1828) reeds op 1400 gerekend.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Tot nog toe mist deze Kolonie een kerkgebouw, hoe wel wy redenen hebben, om te hoopen, dat, onder het wys en weldadig bestier van onzen geeerbiedigden Koning spoedig in deze allerdringendste behoefte, zal voorzien worden, daar de kerken van genoemde gemeente, op het minst, anderhalf uur van ons verwyderd zyn. – De school is een goed gebouw, in het jaar 1816, door de Regering van Groningen, gesticht; zy pronkt met een torentje en eene klok, welke geluid wordt. Deze klok is derwaarts overgebragt van het Klooster ter Apel, en heeft naar alle waarschynlyheid, voorheen in het Klooster gediend. Wie weet hoe vele vroome paters en monniken zy voorheen naar de kerk ter tafel, of uit het bed heeft gedreven. Thans dient zy om de jeugd het sein te geven, dat het Schoolonderwys zal aanvangen en by het versterven en begrafenissen. Boven om derzelver rand staat het volgende opschrift, in oud Duitsche Letters:
Micupor, anthonius, lathane, procul impetus, ablit. Wolter, Westrhues, me fecit anno M vc v.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Deze geheele Kolonie is bevaarbaar, en doorsneden met grachten; hier wyken genoemd, welke dienen om de turf af te voeren, en door schuiten, en tamelyk groote schepen bevaren worden. Allen, deze wyken of vaarten hebben haren uitloop in het Boerendiep, en door dit weder in het Kanaal. Bovendien loopt het water, door 9 onderscheidene monden van de Drentsche Venen in hetzelve.
Om de meerdere hoogte van den grond alhier, boven de Wildervank, is men genoodzaakt het water door Sluizen of Vallaten op te houden. Drie zoodanige Sluizen of Vallaten, zyn thans in het Kanaal of Hoofddiep aanwezig. De eerste bevindt zich 1100 gr: Roeden (451 Ned:) van de Wildervank, de tweede 1700 (697 Ned.) en de derde 2700 (1107 Ned), de tweede of middelste Sluis wordt eerst geheel nieuw gelegd, naby het schoolgebouw, en zal spoedig klaar zyn.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Voorheen was er een klein meer, in de Wildervankster venen, het Hoetmans meer genaamd, en op de kaarten nog aanwezig. By de vergraving en afwatering der Venen is echter dit meer droog geloopen. De plaats, waar het gelegen heeft, wordt nog het meer genoemd.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Hoogten of heuvels, treft men hier, behalve het hoogveen, niet aan. Over het geheel verschilt de hoogte van den grond aanmerkelyk met de Stad Groningen, zynde het water boven het achterste of het derde vallaat, omtrent 21 voeten hooger dan in het Schuitendiep.

7. Welke bosschen zijn daar?

Bosschen worden hier niet gevonden. Onder het Veen vindt men het zoogenaamde Kien- of Keinhout, somtyds ter lengte van geheele boomstammen; een duidelyk bewys, dat hier voormaals groote bosschen gestaan hebben.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het Dierenryk, treft men hier behalve de Huisdieren aan, vele byën, zoo die hier te huis behooren, als die van elders in den zomertyd hier geplaatst worden, en welken de bloei van de boekweit- en heidevelden, een overvloedig voedsel oplevert. – Klein wild, als hazen, patryzen enz. hout zich ook veel in dezelve op. In de menigvuldige vaarten en wateren wordt veel visch gevangen.
De voornaamste en nuttigste gewassen en die hier het best gedijen zyn: Rogge, garst, erwten, boonen, aardappelen en boekweit. Deze laatste wordt op het Hoogveen in groote menigte verbouwd, zoodat men in den bloeityd, eenige uren in den omtrek, het heerlykste gezigt over de bloeijende boekweitvelden kan genieten. Onderscheidene boomen en tuinvruchten komen hier goed voort. Het veen, dat niet bebouwd wordt, is bedekt met heide, die tot voedsel voor schapen en byën verstrekt.
Delfstoffen van belang worden hier niet gedolven. Somtyds ontmoet men onder het veen oudheden, gelyk de Romeinsche brug by ter Haar; onderscheidene Urnen, gedenkpenningen, enz. van welk een en ander zoo ik meen, berigt te vinden is, in de Antiquiteiten van den Heer Westendorp.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grond bestaat, voor het grootste gedeelte; uit hoogveen, waarvan lange turf, in onderscheidene soort en zwaarte, gegraven wordt. Zoo lang het onbesneden ligt, trekt men er jaarlyks aanmerkelyk voordeel van, door den boekweit-bouw. De bovenste korst wordt dan, in den herfst of winter omgehouwen, deze plaggen worden in Mei of Juny, als zy droog zyn, verbrand, de asch wordt over het veen gestrooid, als mest ondergeploegd. en de boekweit gezaaid. Dit kan verscheidene jaren achtereen gedaan worden, maar het moet dan weer eenen geruimen tyd rusten. Het is dan, zoo als men het noemt, uitgeboekweit. De reden hiervan, schynt gelegen te zyn, in de meerdere zwaarte of digtheid van het veen, op meerdere diepte. Wanneer de bovenste of ligte korst, die tot branding en teelt beschikt is, afgebrand is, moet de oppervlakte weder eenige jaren aan den invloed van lucht en vorst blootgesteld zyn, om weer in losse, brokkelige veenaarde te veranderen, wanneer zy op nieuw tot branding en bebouwing geschikt is.
Het spreekt van zelve, dat het veen hier door in hoogte vermindert.
Onder het Hoogveen is zandgrond, hoe dieper men graaft, hoe witter. Dit zand wordt door bemesting en cultuur tot vruchtbaar bouw- en weiland gebragt, en is, ofschoon niet de fynheid en zachtheid van oude zandgronden bezittende, toch uitnemend geschikt, om onderscheidene nuttige gewassen voort te brengen.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Eenige werkdadige Meetkunst voor zoo ver in het opmeten en verdeelen van het veen te pas komt, echter genoegzaam zonder theoretische kennis. Eenige lectuur en beoefening der Zangkunst.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Eene Bierbrouwery, twee smederyen, een koren-wind-molen, drie boekweiten-rosmolens. Verder vele Kooplieden en neringdoende personen, bakkers, kuipers, kleeder- en schoenmakers, hoedemakers, timmerlieden en metselaars, landbouwers, veeneigenaren en veengebruikers en voor het grootste gedeelte arbeiters.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtgesteldheid alhier, wordt voor zeer gezond gehouden. In 1826, by de algemeen heerschende ziekte, bleven de Veenkolonien van dezelve bevryd.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eene school, benevens een Zang- en een Lees- gezelschap. De school met de woning voor den onderwyzer en tuin, zyn ruim, en goed aangelegd.
Het Zang gezelschap in 1825 opgerigt heeft 30, en het Leesgezelschap, in 1826 voor de tweede maal tot stand gebragt, telt 11 leden.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Het voornaamste middel van bestaan, dat de opkomst en de bron van Welvaart dezer Kolonie is, bestaat in het veen, het grootste gedeelte der inwoners heeft nog zyn onmiddelyk onderhoud aan hetzelve te danken. Echter wordt, by de toenemende vergraving en de ontginning van den ondergrond, meer en meer land toebereid, en het is daarom te voorzien dat deze Kolonie eens, van eene Veen- in eene Landbouwende en Handel-Kolonie, zal overgaan, vooral indien het Kanaal tot aan de Munstersche grenzen zal doorgegraven zyn. Verdere bronnen van bestaan zyn: de handel in boekweit, en in ander koren en veldvruchten, benevens de neringen, handwerken en bedriyven, Fabryken en Trafyken, die boven onder de opgave der Fabryken, enz. genoemd zyn.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Een eigelyk gezegd plaatselyk Dialect vindt men hier niet, doordien de meeste inwoners zich van elders hier hebben neergezet, en de volks- of platte taal blyven spreken, van dat dorp, die plaats of Stad, waar zy gewoond hebben of geboren zyn. Zoo hoort men hier de platte taal van Westerwolde, dat reeds veel van het Oostvriesch en Munsterlandsch heeft, van de Pekela, Wildervank, Veendam, de Ommelanderwyk, de Zuidwendig; van Winschoten, de meer beschaafde Groninger Stadstaal, Hollands, Duitsch en Brabandsch.- Echter kan men aanmerken, dat de platte volkstaal van de Nieuwe Pekela het meest gesproken wordt, van welke plaats, alsmede van de 4 daaraangenoemde en wier taal weinig van de eerstgemelde verschilt, de meeste ingezetenen herkomst zyn.
Een algemeen gebrek, dat in alle gezegde gemeenten, en dus ook hier plaats heeft, is de weglating, of verkeerde plaatsing der keelklank h voor aan de woorden of letterggrepen. Zoo zegt men hier and, ond, aas, in stede van hand, hond en haas; en daar en tegen hoort men dikwyls hoorlog, hooren, hel of helstok, enz: in plaats van oorlog, ooren en el. Zelfs in eigennamen zegt men arm, endrik voor Harm, Hendrik Hamsterdam ligt in olland. – De herme Endrik; ij eeft zynen harm gebroken.
Het was myns bedunkens wel de moeite waardig eens te onderzoeken, waaruit dit gebrek ontstaat, en welke de redenen mogen zyn, waarom het in deze Streken (De Veenkolonien) plaats heeft, en buiten dezelve, of elders in onze provincie, zoo veel ik weet, niet aangetroffen wordt.- Veel moeite kost het den onderwyzer, dit gebrek in de school by zyne leerlingen te verhelpen; want hierin volgr men ook Siegenbeeks grondregel: “Schryf zoo als gy spreekt, en daarom schryft men ook getrouw na, uizen, aren, houders enz. Veel moeite, zeg ik, kost het den Onderwyzer, dit er uit te krygen, en niet zelden heeft hy het verdriet te moeten hooren, dat leerlingen, die eene goede uitspraak hadden verkregen, 1, 2 of 3 jaren, na dat zy de school hebben verlaten, weer in dezelfde fout vervallen en zoo goed als de beste de “h” radbraken. Wil men een proefje van de platte taal, zoo als zy hier het meest gesproken wordt, daartoe diene dan de volgende:
Zamenspraak tusschen Klaas en Hendrik
Klaas: On gait et dien vader inderk? Et e de kolde nog?
Hendrik: Ja, Klaas.Hy ligt nog om de ander dag stief te bedde. Wi hebben al van ’t veurjaar of an mestert, maar de koorse wil nog nyt wegblieven. Hy het ’t ook zoo in de kop.
Klaas: Dat zal dy holle lu ook achter oetzetten; Vader zyk, en nyt verdynen, hen de mond moút toch gaan. Zy ebben nog al en Stuvertien achter de and ad, maart dat gait ook op.
Hendrik: Dat kanste denken. Wi doun alles wat we kennen; mien wief is er mynst om de ander dag om vÈ´┐Żar op te passen; dat wil he van nijmant lyver hebben, en dan, kanst wel begriepen, gait ’t zoo goud in onze aigen huushollen nyt as anders. En ik mout vaders zaken ook waarnemen; as ter en schipper komt, om turf te koopen, dan mout ik maar staan laten, wat er stait, en sjauwen met na t veen. Ik heb in gyn dry weks na mien iemen west, en in mien toen, wast ’t roet hooger as de eerappels. Maar ik denk, laat wy nog maar doun, wat we keunnen, we wyten nyt hou lank dat we hom nog hebben.
Klaas: Waste an dien holders duste, dat duste gyn vremde, mouste maar denken. Nou inderk, ik mout na mien wark; het ga di goud.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Het zelfde wat ik ten aanzien van eene plaatselyk Dialect gezegd heb, geldt hier ook ten opzigte van karakter, levenswys, zeden en gewoonten; zoo dat men hier een mengemoes (pot pourri) van taal, zeden en gewoonten, van een half dozyn plaatsen kan vinden.
Veelal begint men zich in gebruiken by huwelyken, doopen, begrafenissen, en openbare aangelegenheden, naar de Gemeente Nieuwe Pekela te schikken. De tyd van naar bed gaan, is onder de arbeidsklasse zeer vroeg, gewoonlyk by den zomerdag ’s avonds om 7 of 8 uren, en des winters wat later. In den Zomer staat men ’s morgens te 2 uren, of nog wel vroeger, vooral by lichte maan op. Nog voor de zon opkomt, is elk reeds op het veld aan zyn werk, of bezig met turf te schepen enz. Des nademiddags om 2 of 3 uren scheidt men uit; echter wordt in den tyd, dat de turf gestoken wordt, tot ’s avonds zes of zeven uren gewerkt. De burger klasse leeft hierin naar eigene verkiezing of aangenomen gewoonte. Het middagmaal houdt men, vry algemeen, te 12 of 1 ure.
Tot de vermaken en uitspanningen behoort het bezoeken der openbare kermissen, en vooral, in den winter, het schaatsryden, waartoe de menigvuldige vaarten en diepen, de ruimste gelegenheid aanbieden, gelyk men hier in deze kunst ook vry wat ervaren is. Het Kaart- en dobbelspel houdt, voornamelyk des zondags, vele jongelieden onledig, terwyl de verre afstand hen, van het bywonen der openbare godsdienst, terug houdt.
By bezoeken maakt men niet veel complimenten.
Men komt, genoodigd zynde, in den achtermiddag of vooravond, blyft den avond passeren, en scheidt gewoonlyk niet voor 11 a 12 uren. Een kopje thee, koffy met een blaadje; vervolgens eene boterham met eene kop chocolade is voldoende.
By trouwen en begrafenissen, geeft men nog al partyen,maar op verre na zoo groot en kostbaar niet, als onder den boerenstand. Het dragen van rouwleedederen, over eenen afgestorvenen bloedverwant, wordt nimmer vergeten. Over een jong geboren kind, dat overlydt, doet men den rouw aan. Ovirigens heerscht hier onder de geringe klassen nog veel ruwheid en onbeschaafdheid, en in het algemeen losheid van zeden en denkwyze, hetwelk by eene volkryke gemeente, die van alle godsdienstig onderwys verstoken is, niet wel anders kan plaats hebben.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Onder deze Rubriek valt hier ter plaatse, zoo veel ik weet, niet aan te merken. Van Spookgeschiedenissen, Spokeryen enz. hoort men weinig, en in het algemeen heerscht het bygeloofhier niet sterk. Oudheden worden, behalve wat misschien nog onder het Veen bedolven ligt, niet gevonden.

Aldus opgemaakt den 10 oct. 1829 (get) E.J. Hardenberg