Zoek op de website

Onderzoek naar boerderijen

De provincie Groningen is van oudsher een sterk agrarisch georiënteerde provincie. In bepaalde regio’s is dit nog goed te zien aan de vele boerderijen. Veel van die boerderijen hebben al lang geen agrarische bestemming meer en zijn in gebruik als woonhuis. Als u onderzoek doet naar een boerderij is het belangrijk de oorspronkelijke bedrijfsfunctie niet uit het oog te verliezen.

Boerderij in Opende, 1913. Foto collectie RHC Groninger Archieven (818-12043) Boerderij in Opende, 1913. Foto collectie RHC Groninger Archieven (818-12043)

Wat u moet weten

Een goede reconstructie van de geschiedenis van de boerderij en haar bewoners is vaak alleen mogelijk door gegevens uit verschillende bronnen te combineren. Daarbij is het handig de gegevens op te splitsen in vier aspecten: gebouw, eigendom, bewoners en bedrijfsvoering. 

Eigendom
Er waren weliswaar boeren die hun boerderij hun eigendom konden noemen – de eigenerfden – maar de meeste boeren waren pachter, beklemde meier of meier genoemd. De eigenaar aan wie het land toebehoorde, ook wel ook wel bloot eigenaar genoemd, was dan slechts eigenaar in juridische zin. Eigendom werd geregistreerd op momenten van verandering (koop, verkoop en vererving) en als momentopname ten behoeve van bijvoorbeeld grondbelastingen. De laatstgenoemde bron biedt veel nuttige informatie als u de geschiedenis van meerdere boerderijen in een bepaalde regio onderzoekt. Grondbezit van een boerderij kan ontstaan zijn door samenvoeging of splitsing. Door overdrachten en de opeenvolging van eigenaren en bewoners en hun gronden te onderzoeken kunt u hierover duidelijkheid krijgen.

Bewoners
Als u weet wie de eigenaren van de boerderij waren, wil dat nog niet zeggen dat u daarmee ook de bewoners kent. Veel informatie over gezinssamenstelling, woonadres en veranderingen daarin over de periode 1850-1920, staat in de gemeentelijke bevolkingsregisters. De originele registers vindt u bij de desbetreffende gemeenten; bij de Groninger Archieven zijn de bevolkingsregisters grotendeels op microfiche raadpleegbaar. Zie hiervoor hoofdstuk 9. Vóór bovengenoemde periode moet bewoning blijken uit onvoorziene bronnen en registraties met een bepaald doel, zoals volkstellingen of belastingen waarbij vaak alleen de hoofdbewoner wordt genoemd. Ook akten uit de burgerlijke stand zijn nuttig voor het uitzoeken van eigendoms- en bewonersgegevens.

Gebouw
De beste bron voor de geschiedenis van de boerderij is uiteraard dat gebouw zelf. Als het nog bestaat, geven bijvoorbeeld de ligging, bouwstijl en sporen van verbouwing een idee van de ouderdom en de ontwikkeling van de boerderij. Overigens kan het bedrijf ouder zijn dan het huidige gebouw. Oude kaarten en foto’s geven een beeld van de ligging en uiterlijk in het verleden.
Soms vormt de juiste identificatie van oude boerderijen een probleem. Dit geldt vooral voor de kleine boerenbehuizingen in een dorpskern. Met de invoering van het Kadaster in 1832 kwam er een algemene en uniforme aanduiding van locaties, die identificatie door de tijd mogelijk maakt. De huidige huisnummering is in veel plattelandsgemeenten pas in de loop van de 20e eeuw ingevoerd.
Stukken over bouw en verbouw zijn pas vanaf ca. 1900 te vinden in archieven van gemeenten. Informatie over het interieur is eigenlijk alleen te achterhalen via eventuele ooggetuigen en nazaten van de bewoners. Boedelinventarissen kunnen een globale indruk geven, aangezien deze opsommen welke inboedel er in de vertrekken is aangetroffen. Ook in akten van overdracht kunnen vermeldingen van vertrekken voorkomen en andere informatie over het gebouw, zoals gegevens over bijgebouwen en onderdelen op het erf.

Bedrijfsvoering
Een boerderij is een bedrijf en het gebouw is dus allereerst een bedrijfsgebouw. Archiefstukken van dat bedrijf en herinneringen van (nazaten van) bewoners geven daarover natuurlijk de meeste informatie. Als die niet voorhanden zijn, geven de vorm, ligging en indeling van het gebouw wellicht een idee van de oorspronkelijke agrarische functies. Boedelinventarissen kunnen eveneens ophelderen van welke type bedrijf er sprake was. De agrarische geschiedenis van de omgeving geeft vaak ook veel aanwijzingen. Zo kunt u in de kadastrale leggers per perceel bekijken waarvoor het land gebruikt werd. Mogelijk was de boer lid van een landbouwvereniging of -coöperatie, of kunnen de archieven van verzekeringsmaatschappijen inlichtingen over het bedrijf verschaffen. Een hagelschadeverzekering bijvoorbeeld kan iets vertellen over het soort gewas dat verbouwd werd, en een brandverzekering zegt iets over het gebouw of de levende have.

Achtergrond

Grondbezit van de provincie
De grootste grondbezitter in Groningen vanaf ca. 1600 was het gewestelijke bestuur: de Staten van Stad en Lande. De Staten vormden een gecombineerd bestuur, waarin zowel de Stad Groningen als de Ommelanden vertegenwoordigd waren. 1594 is een belangrijk jaar. Dan vindt de Reductie van Groningen plaats. Dat wil zeggen dat de Staten zich aansloten bij de republiek en zich daarmee afkeerden van het toenmalige Spaanse gezag. Gevolg hiervan is dat het nieuwe protestantse bewind alle bezittingen van de rooms-katholieke kerk onteigende. Zo kwam het gewestelijke bestuur in het bezit van de kloostergoederen, die verspreid lagen over het gehele gewest en ongeveer een derde van het in cultuur gebrachte grondgebied besloegen. De overgeleverde administratie van deze Provincielanden, zoals de goederen voortaan gingen heten, herbergt een schat aan informatie betreffende boerderijen en hun huurders c.q. bewoners.
In 1617 werd een deel van de voormalige kloosterlanden verdeeld tussen de Ommelanden en de stad. In de daaropvolgende periode was het vooral de stad Groningen die door aankopen een flink deel van het voormalig kloosterbezit verwierf. Ook in de 18e eeuw (1764-1774) wist de stad te profiteren van landverkoop doordat de provincie in financiële nood verkeerde. De administratie van al deze goederen, zo vond men in de stad Groningen, mocht niet vermengd worden met eigen bezit. Dit gold voor voormalig kloosterbezit, maar ook voor de kerkelijke of ‘predikantengoederen’, die eigendom waren van de drie stedelijke parochiekerken.

Grondbezit van de stad
De grondpolitiek die de stad Groningen voerde, richtte zich niet alleen op het voormalig kloosterbezit. Zo hadden de stadsbestuurders hun vizier ook gericht op de Veenkoloniën, waar de stad de belangrijkste onderneming was naast de compagnieën waarin particulieren participeerden. Dit gold met name voor het Gorecht en de beide Oldambten. Om die reden werd de stad wel aangeduid als de grootste boer van de provincie.
Geheel in overeenstemming hiermee werd in 1619 de heerlijkheid Westerwolde door de stad aangekocht, waarmee ook de oude bezittingen van het klooster Ter Apel aan de stad vervielen.
Het bijhouden van alle gegevens over het grondbezit, vooral in de pas verworven veengebieden, en de vele huurders die deze bewerkten, de 'stadsmeiers', vereiste natuurlijk een gedegen administratie. Hiertoe werd vanaf 1652 een aparte 'rentmeester der stadsvenen' aangesteld, die verantwoordelijk was voor het beheer ervan. Deze administratie is voor een groot deel terug te vinden in het archief van het Veenkantoor. Hierin bevinden zich meerdere interessante bronnen.
De Staatboeken van land- en heemhuren bevatten bijvoorbeeld veel namen van stadsmeiers, waaronder zowel boeren als verveners. De (veen)rekeningen betreffen de rekeningen van land- en heemhuren. Vooraan in de rekeningen staan de ‘turfschulden’, waarin per deelgebied en lotnummer de namen van de veenmeiers staan. De gehanteerde plaatsaanduiding en nummering corresponderen met de kaartboeken van Jannes Tideman (Caartboek van Sappemeer, uit 1691) en Arnoldus Tideman (Caartboek van de Peekel Aa, uit 1702). Deze vormen in feite het beginpunt van de meetboeken. In de meetboeken staan de stadsmeiers met de oppervlakte van het door hen gebruikte land aangetekend. Omdat het stadsbestuur ernaar streefde eens in de tien jaar de oppervlakte van het ontgonnen land vast te stellen, wordt bij iedere meier steeds de oude en nieuwe oppervlakte vermeld.
De administratie van het Veenkantoor was verdeeld over drie afdelingen, zogenaamde ‘kantoren’: Sappemeer, Stadskanaal en Pekela. Het vervolg op deze administratie vindt u terug in het archief van de Stadsonderontvangers.

Veranderingen in grondbezit
De belangrijkste bronnen over veranderingen in grondbezit zijn akten van koop, verkoop, vererving en boedelinventarissen. 
In notariële akten kunt u bij het passeren van een pachtcontract soms een verwijzing naar de oorspronkelijke vestiging (constitutie) van de beklemming tegenkomen. Hier vindt u ook de naam van de richter of grietman die de rechten en plichten van eigenaar en beklemde meier destijds in een beklembrief vastlegde. Bedragen voor huur en data waarop de pachter deze jaarlijks betaalde, werden genoteerd in een zogeheten huurboekje. Deze boekjes duiken nog wel eens op in een familiearchief of bij een voormalige bewoner van zo’n boerderij.
In de archieven van de Hoge Justitiekamer en van de plaatselijke gerechten kunt u stukken vinden over gerechtelijke verkopingen van boerderijen en landerijen, de zogeheten trekcedullen. De rechtbank bepaalde hoe de opbrengst van een executieverkoop verdeeld moest worden over de schuleisers: het preferentieoordeel. Het bewijsmateriaal werd verzameld in de bijlagen van preferentieoordelen. Het gaat voor een groot deel om jaarrentebrieven: stukken over de verkoop van de rechten op de jaarlijkse rente-inning over de waarde van een stuk land. Deze bijlagen vormen een interessante bron omdat ze de namen van de eigenaren en de omvang en ligging van de landerijen geven.

Belasting op grondbezit
De Staten van Stad en Lande hieven tot 1798 de belasting op grondbezit, de 'verponding'. In de Schatregisters van de verponding staat per belastingplichtige de omvang van het grondbezit (in ‘grazen’ of ‘deimten’). De registers bevatten geen begeleidend kaartmateriaal, maar ze houden veelal de volgorde van de ligging van de bezittingen in het landschap aan, bijvoorbeeld langs een weg of in een buurtschap.
Vanaf 1832 vormden de gegevens van het Kadaster het uitgangspunt voor de kohieren van de grondbelasting. Tussen 1814 en 1832 werd grondbezit vastgelegd in onder meer Leggers en Staten van ongebouwde of onbetimmerde eigendommen en belastingkohieren op de gebouwde eigendommen en op de ‘deuren en vensters’ (registers van eigenaren en vruchtgebruikers).
Speciale aandacht verdienen de registers ten behoeve van de waterschapsbelasting: het 'dijkschot'. In Groningen worden deze aangeduid met de verzamelnaam 'schotregisters', maar er bestaan ook andere benamingen. Hierin treft u veel informatie aan over landerijen, eigenaren en vruchtgebruikers: de schot- of dijkplichtigen. Een aantal schotregisters uit Fivelingo, Hunsingo en Westerkwartier uit de periode 1754-1780 bevindt zich in het archief van de Hoge Justitiekamer.
Qua omvang en bestaansperiode vertonen de waterschapsorganisaties in Groningen, ook wel zijlvesten of dijkrechten genoemd, een grote variatie. Een aantal organisaties ontstond al in de Middeleeuwen, op initiatief van kloosters. Andere waterschappen zijn veel later pas ontstaan. Zo kan het gebeuren dat in het ene waterschapsarchief middeleeuws materiaal te vinden is, terwijl andere slechts archiefstukken uit de 18e en 19e eeuw bevatten. Om een overzicht te krijgen is het raadzaam om de inventarissen van deze archieven te bestuderen. Deze archieven berusten deels bij de Groninger Archieven en deels bij het waterschap Hunze en Aa’s.

Aan de slag

Om structuur aan te brengen in uw zoektocht naar de geschiedenis van een boerderij en de bewoners, is het handig om onderstaande stappen te doorlopen:

  1. Van verschillende regio’s bestaan boerderijboeken. Kijk daarom eerst of er al iets is gepubliceerd over ’uw’ boerderij of het betreffende gebied. Zie ook het overzicht van boerderijboeken.
  2. Bekijk kaarten (digitaal of in gedrukte atlassen) van het gebied en bestudeer de ontwikkeling van de boerderij en het omliggend land. Heeft de boerderij steeds op dezelfde plaats gestaan? Wanneer verschijnt het huidige gebouw op de kaarten?
  3. Als u een bedrijfsvermelding van vóór 1832 hebt gevonden en graag wilt weten om welke boerderij het gaat, kunt u proberen deze op te zoeken in de oudste kadastrale gegevens uit 1832. U kunt deze inzien op de website www.hisgis.nl. Hebt u een vermelding van  na 1832, probeer dan de bijbehorende kadastrale aanduiding (gemeente, sectie en perceelnummer) te achterhalen. Veranderingen in de eigendomssituatie zijn in tweevoud opgemaakt in de kadastrale leggers. U kunt ze vinden bij de Groninger Archieven of bij de gemeente waarin de gezochte boerderij ligt.
    Kunt u de boerderij niet terugvinden in de kadastrale gegevens uit 1832, dan zijn er een paar mogelijkheden:
    > Op het huidige adres of op elk van de kadastrale perceelnummers die in de loop der tijd gekoppeld zijn geweest aan de boerderij die u onderzoekt, kunt u uw zoektocht door de kadastrale administratie starten.
    > De Groninger Archieven beschikken over notariële akten vanaf 1811 tot ca. 1935. Hebt u een verwijzing naar een verkoop/overdracht van vóór 1935, dan is het mogelijk in de notariële akten verder terug te zoeken.
    > Stukken betreffende overdrachten vóór 1811 zijn te vinden in de oud-rechterlijke archieven, eveneens in te zien bij de Groninger Archieven. Het verschilt per gebied hoever u terug kunt zoeken. Misschien vindt u in de u oudst bekende akte een vermelding van het voorgaande ‘transport’: Hoe is die toenmalige eigenaar in het bezit van de boerderij gekomen?
  4. Het Bronnenschema boerderijen is een aanvulling op het Bronnenschema panden gemeente Groningen en het Bronnenschema panden overige gemeenten. Wilt u ook onderzoek doen naar de bewoners, neem dan ook het Bronnenschema familieonderzoek mee.