Zoek op de website

Onderzoek naar militairen

Onder uw voorouders is misschien een militair, een soldaat of een officier. De soms fragmentarische bronnen voor onderzoek naar militairen zijn verspreid over het hele land te vinden in archief- en museumcollecties en bibliotheken. Gelukkig komen ook op het terrein van de militaire geschiedenis steeds meer gegevens via het internet beschikbaar. In dit hoofdstuk van de onderzoeksgids gaat de aandacht vooral uit naar bronnen waarin naamlijsten staan of bestanden waarin op namen kan worden gezocht. Het gaat daarbij alleen om militairen die behoorden tot de Nederlandse landmacht. De Franse tijd, 1795-1813, vormt daarbij een belangrijke cesuur.

Mobilisatie voor de kerk van Heveskes, 1914. Foto collectie RHC Groninger Archieven (818-20087) Mobilisatie voor de kerk van Heveskes, 1914. Foto collectie RHC Groninger Archieven (818-20087)

Militairen na 1813

Het huidige Koninkrijk der Nederlanden begon op 1 december 1813, toen prins Willem Frederik van Oranje-Nassau (Willem I) werd uitgeroepen tot ‘souverein vorst’. In 1814 werd in de nieuwe Grondwet vastgelegd dat er een Nationale Militie moest komen ter verdediging van het land. Deze zou worden gevormd door de marine en een beroepsleger, bestaande uit zowel beroepskrachten als vrijwilligers. Een eventueel tekort aan aanmeldingen moest door dienstplichtigen worden aangevuld. Hoewel vrijwilligheid voorop stond, werd het grootste deel der ‘miliciens’ door loting ingelijfd bij de Nationale Militie.
Iedere mannelijke ingezetene die de leeftijd van achttien jaar bereikte moest zich melden bij de burgemeester die hem inschreef in het inschrijvingsregister. Van deze registers, die zich in het gemeentehuis bevonden, werden alfabetische naamlijsten gemaakt. Een tweede exemplaar van het inschrijvingsregister werd naar de militiecommissaris gestuurd die voor de loting van de ingeschrevenen zorgde. Hierna gingen de lotingsregisters naar de militieraad, die de verzoeken tot vrijstelling, in verband met lichamelijke gebreken of broederdienst, beoordeelde. Was iemand ingeloot dan kon hij een plaatsvervanger (remplaçant of nummerwisselaar) zoeken die de dienstplicht voor hem vervulde. De militieraad moest wel akkoord gaan met de voorgedragen plaatsvervanger. De vervanging diende ook notarieel vastgelegd te worden. Deze mogelijkheden vervielen door invoering van de persoonlijke dienstplicht in 1898.
Na beëindiging van de werkzaamheden leverde de militieraad alle registers in bij de Commissaris van de Koning(in). Een tweede exemplaar van de lotingsregisters stuurde de raad naar de gemeenten.

Gegevens over militairen na 1813 bij de Groninger Archieven
In het bronnenschema militairen kunt u nakijken in welke archieven de inschrijvings- en lotingsregisters, ook wel militieregisters genoemd, te vinden zijn. Tot 1912 zijn certificaten van militie te vinden in de bijlagen bij de huwelijksakten van de burgerlijke stand. Elke man die in het huwelijk wilde treden, diende een verklaring te vragen aan de Commissaris van de Koning(in), waaruit bleek dat hij ingeschreven stond in de registers van de Nationale Militie. Vaak bevat het stuk ook een beschrijving van het uiterlijk van de loteling, zoals haarkleur, kleur van de ogen, de vorm van het gezicht en lichaamslengte.

Gegevens over militairen na 1813 bij het Nationaal Archief
Voor de periode 1814-ca. 1925 beschikt het Nationaal Archief te Den Haag over een registratie van de militairen in de Landmacht en van het Indisch leger: de zogenoemde stamboeken. Naast personalia en informatie over het dienstverloop, vindt u hierin ook een beschrijving van het uiterlijk van de militair en gegevens over eventuele krijgsverrichtingen, verwondingen en uitgereikte onderscheidingen. Meer informatie over de bronnen bij het Nationaal Archief.

Militairen in de Franse tijd, 1795 - 1813

In de zogeheten Franse tijd (ook wel Bataafs-Franse tijd) verkeerde Nederland onder zware Franse invloed: eerst als de Bataafse Republiek (1795-1806), daarna als het Koninkrijk Holland met Lodewijk Napoleon op de troon (1806-1810) en ten slotte ingelijfd in het keizerrijk van Napoleon (1810-1813).

De Bataafse Republiek had een leger van ongeveer 34.000 man. Het bestond voor een deel uit oud-militairen van het Staatse leger (het leger van de Republiek der Verenigde Nederlanden, zie onder). Wie niet wilde dienen onder Frans gezag verliet de dienst of ging met pensioen. Daarnaast werden nog eens zo’n 25.000 Franse militairen in Nederland gestationeerd. Dit aantal slonk overigens na korte tijd tot 8.000 man. Het Bataafse leger nam aan verschillende militaire acties van de Fransen deel.

In 1805 verminderde het Nederlands bestuur het Nederlandse deel van het leger tot 22.000 man en formeerde het een elitekorps van 1.350 man. Koning Lodewijk Napoleon (1806-1810) breidde het elitekorps uit tot 7.000 man, maar het totale leger bleef 22.000 man tellen. Na de inlijving van Nederland bij Frankrijk in 1811 ging het Nederlandse leger op in het Franse en werd voor de Nederlanders de militaire dienstplicht ingevoerd. Wie niet wilde dienen kon een remplaçant benoemen, maar arme lieden die geen vervanger konden bekostigen, moesten zelf het leger in. Zo vervulden ongeveer 28.000 Nederlanders in de periode 1811-1813 hun dienstplicht in het Franse leger. De helft hiervan behoorde tot de Grande Armée, waarmee Napoleon in 1812 Rusland binnenviel. Voor de terugtocht uit Rusland riep Napoleon mannen op uit de gegoede stand: ruiters die paard en uitrusting zelf moesten bekostigen. Dit waren de Gardes d’ honneur. Vervanging was bij deze oproep niet mogelijk. De verplichte militaire dienst werd in Nederland dus voor het eerst in de Franse tijd in 1811 ingevoerd en heette conscriptie. Vanaf die tijd bestond het leger uit beroepsmilitairen en dienstplichtigen. Alle mannen die de leeftijd van twintig jaar bereikt hadden, waren dienstplichtig. Degenen die ingeloot werden, konden een plaatsvervanger aanstellen.

Gegevens over militairen uit de periode 1795-1811 bij de Groninger Archieven
In het provinciearchief en in het gemeentearchief van Groningen zijn registraties van dienstplichtigen en lotelingen bewaard gebleven: de conscriptielijsten. Per lichting werden twee lijsten van ‘conscrits’ (lotelingen/dienstplichtigen) opgesteld. Een ‘liste du tirage’ (trekkingslijst) en een ‘liste alphabetique’. De alfabetische lijst bevat per kanton en per plaats, de namen van de lotelingen. Naast nummer en trekkingsnummer wordt van hen onder meer vermeld:

  • naam en voornaam
  • plaats en datum van geboorte
  • lengte
  • woonplaats
  • de namen en voornamen van de ouders
  • beroep van de dienstplichtige
  • beroep van vader en moeder

In het bronnenschema militairen vindt u een opgave van archiefstukken die lijsten met namen van militairen en genomineerde militairen bevatten.

Gegevens over militairen uit de periode 1795-1811 bij het Nationaal Archief
Ook voor de Franse tijd zijn de bronnen bij het Nationaal Archief beperkt en onvolledig. Een deel van de militaire administratie bevindt zich in Frankrijk. De bronnen die er zijn, leveren personalia en informatie over het dienstverloop. Meer informatie over de bronnen bij het Nationaal Archief.

Militairen in het Staatse leger, vóór 1795

Het gezamenlijke leger van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden heette het Staatse leger. Het leger was in 1576 in het leven geroepen om de Nederlanden te beschermen tegen muitende Spaanse soldaten. De oorsprong van het Staatse leger lag dus in de Tachtigjarige Oorlog, maar het bleef bestaan tot de komst van de Fransen in 1795. Het Staatse leger was een beroepsleger. Tot invoering van een algemene dienstplicht is het in de praktijk nooit gekomen. In vredestijd bestond het Staatse leger uit zo’n 40.000 tot 52.000 man, maar in geval van oorlog kon het aantal manschappen meer dan verdubbelen. Het leger had vooral tot taak de Republiek te verdedigen of een aangevallen stad of vesting te ontzetten. Veldslagen echter leverde het niet vanwege de hoge kosten aan materieel en manschappen.

Garnizoensplaatsen van het Staatse leger

Het Staatse leger was doorgaans gelegerd in vestingen en in de versterkte steden:

  • Op de linies: Sluis, Sas van Gent, Hulst, Hulsterambacht, Steenbergen, Bergen op Zoom, Breda, Geertruidenberg, Heusden, ‘s Hertogenbosch, Grave, Nijmegen, Arnhem, Doesburg, Zutphen, Deventer, Zwolle, Coevorden, Bourtange, Nieuweschans en Delfzijl.
  • Aan de zuidgrens: Maastricht, Venlo en Stevensweert.
  • Buiten de grens in het Duitse gebied, de ‘Kleefse barrière’ genaamd (tot 1672): Rees, Wezel, Rijnbeek, Orsoy en Meurs.
  • Verder over de oostgrens: Emmelkamp (Emlichheim bij Coevorden) Leeroord (Lierort bij Leer) en Emden.
  • Barrièresteden in België: Veurne, Knocke, Ieper, Waasten, Meenen, Doornik, Namen en Dendermonde.

Deze lange opsomming van plaatsen kan u wellicht helpen om bij uw genealogisch onderzoek iemand als militair te herkennen. Als bijvoorbeeld in één van de ondertrouw- of lidmatenboeken van de stad Groningen staat: ‘van de Emmelkamp’, dan is het goed mogelijk dat u te doen hebt met een militair uit het huidige Emlichheim.

Gegevens over militairen vóór 1795 bij de Groninger Archieven
Gegevens over militairen kunnen voorkomen in de doop-, trouw- en begraafboeken.  Er kwamen echter ook militairen naar Groningen, die afkomstig waren uit de andere versterkte steden en versterkingen in en rond de Republiek. Deze kunnen voorkomen in de lidmatenregisters. Ongeveer de helft van de militairen kwam uit Nederland of Duitsland. De herkomst van de andere militairen is echter onduidelijk. Van de militairen genoemd in de boeken van Delfzijl is van 85% de herkomst niet genoemd. Huwelijksproclamaties werden vaak afgekondigd in de garnizoensplaatsen, waarna het paar elders trouwde. In de ondertrouwregisters van de stad Groningen wordt de herkomst van de militair vaak niet vermeld. In Lieroord komen de meeste militairen uit Duitsland, met name uit Oost-Friesland.
De Staten van Stad en Lande stelden gelden ter beschikking voor het Staatse leger, maar bemoeiden zich alleen met de benoemingen in hogere rangen, niet met de aanstelling van soldaten. Deze benoemingsbesluiten staan tussen de resoluties van Gedeputeerde Staten. Van de overige personen in het leger zijn verder in Groningen nauwelijks gegevens te vinden. Incidenteel zijn - al dan niet fragmentarische - lijsten bewaard gebleven.

Hoe vindt u een militair uit het Staatse leger?
Als u wilt ontdekken tot welk regiment een militair behoorde en waar hij gelegerd was,  volg dan dit stappenplan:

  1. In de huwelijksinschrijving staat vaak vermeld onder welke officier (kapitein of hogere rang) de bruidegom diende.
  2. Kies de Staat van Oorlog (toegang 1, inv.nrs. 1229-1237 en 1636-1801) die correspondeert met het trouwjaar.
  3. Zoek deze officier hierin op en noteer de naam van de hoofdofficier waaronder hij diende.
  4. In het boekje Hoofdofficieren der infanterie van 1568-1813 van H. Ringoir (Den Haag, 1981) is het regiment te vinden van die hoofdofficier.
  5. In de publicatie Vredesgarnizoenen van 1715-1795 en 1815-1940 van H. Ringoir (Den Haag, 1980) staat in welke garnizoensplaats het regiment op dat moment lag.
  6. (Optie:) Raadpleeg de collectie Wolters (CBG) voor een eventueel later huwelijk van de militair in kwestie.

Gegevens over militairen vóór 1795 bij het Nationaal Archief
Het aantal bronnen over deze periode is vrij beperkt en onvolledig. Vooral over militairen met de rang van onderofficier of lager zijn slechts weinig of geen gegevens terug te vinden. De bronnen die er zijn, leveren personalia en informatie over het dienstverloop.
Meer informatie over de bronnen bij het Nationaal Archief.

Vervolgonderzoek bij de Groninger Archieven

Schutterij, Landstorm en Landweer
Sinds de middeleeuwen bestonden er ook burgerkorpsen die zorgden voor de plaatselijke veiligheid en de handhaving van rust en orde: schutterijen en burgerwachten. In de Franse tijd werden aanvankelijk alle bestaande korpsen opgeheven en alleen de gewapende burgermacht of schutterij verplicht gesteld voor mannen van 18-55 jaar.
In 1814 werden de schutterijen gereorganiseerd. In plaatsen van 2.500 of meer inwoners bestonden ze al, dat waren de ‘dienstdoende schutterijen’. De dienstdoende schutterijen hielden oefeningen. In kleinere plaatsen werden ‘rustende schutterijen’ ingesteld, zij oefenden niet. In 1815 moesten mannen tussen de 18 en 50 jaar verplicht dienst doen, vanaf 1827 mannen tussen de 25 en de 34 jaar, soms zelfs naast hun verplichting voor de Nationale Militie. In geval van nood werden de dienstdoende en rustende schutterijen ingezet als reserveleger: de Landstorm. In 1901 werden ze gefaseerd afgeschaft. De Schutterij van de stad Groningen werd uiteindelijk in 1907 opgeheven.

In plaats van de in 1901 opgeheven schutterijen werd de Landweer ingesteld. De Landweer was een reserveleger voor de landsverdediging dat bestond uit ex-dienstplichtigen en vrijwilligers. Vanwege de oorlogsdreiging werd er in 1913 een nieuwe Landstorm opgericht. Dit reserveleger voor oorlogstijd bestond uit vrijwilligers tot 40 jaar en alle ex-Landweerleden en ex-militieleden.
Uit de periode na 1813 zijn het archief van de Schutterij van de stad Groningen en de inschrijvingsregisters van de Landstorm en de Landweer bewaard gebleven. Zie het bronnenschema militairen. Hierin vindt u overigens nog meer bronnen voor vervolgonderzoek naar de periode na 1813.

Vervolgonderzoek bij overige instellingen

In de gemeentearchieven kunt u terecht voor de lotingsregisters uit de periode vóór 1863 en voor archieven van de plaatselijke schutterijen.  U kunt uw onderzoek ook vervolgen bij het Centraal Bureau voor Genealogie of bij het Instituut voor Militaire Historie, beide in Den Haag.
Meer informatie over bronnen bij overige instellingen.