Zoek op de website

Bellingwolde

Gemeente Bellingwolde

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Bellingwolde.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

De Leete ¼ uur ten oosten van de Kerk
Den Ham ¼, ½ en ¾ uur ten noorden
De Hamdyk 1 uur ten noorden
De Gast 1 uur ten Westen
De Draayery N.W.
De Bovenhuizen 5 minuten ten Oosten
De Bovenstreek een klein ½ uur ten Z.
De naamsoorsprong van het dorp zal waarschynlyk van veel bosch herkomstig zyn.
Ham zal misschien van het achterste gedeelte herkomstig zyn zoo als zulks met het achterdeel van huizen ook plaats heeft.
Hamdyk, om dat die dyk na by den Ham gelegd is.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Duifsteen is er niet aan de kerk voorhanden. De klokken in de Toren zyn beide gegoten in ’t jaar 1697.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

De Rivier de A. stroomt ten westen van Bellingwolde, en van Drenthe door Westerwolde loopende, ontlast zy zich één uur ten Noorden van de Nieuwe Schans in de Dollard.
De Moerslood ontspringt uit een Meer dat eertyds Bellingwolder meer heette, maar nu niet meer bestaat, en loopt gedeeltelyk langs de grensscheiding tusschen de Provincie Groningen en Oostvriesland tot in de gracht van de N: Schans. Kolken zyn er meen ik 10, waarvan eenigen van 20 tot 30 voeten en meer diepte hebben, eenigen zyn ook gedeeltelyk gedempt of door den tyd verkleind; zy liggen alle in de dyk, die van Bonde tot aan Winschoterzyl loopt, en waar van de Hamdyk een gedeelte is; wanneer die dyk gelegd is, of in welke jaren die kolken gespoeld zyn kan ik niet bepalen.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Het Lyske meer, ligt tusschen Bellingwolde en Munsterland; de grensscheiding loopt er door, de grootte is + 4 bunders en ligt in het woeste veen.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

7. Welke bosschen zijn daar?

Eenige kleine eiken bosschen by onderscheidene boerenbehuizingen.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

1° uit het Dierenryk:
Paarden, runderen, schapen, verkens, hoenders, eenden, duiven, hazen, patryzen enz. benevens riviervisch.
Plantenryk:
Rogge, weite, gerst, haver, Boekweit, boonen, erwten, Aardappels en verdere tuinvruchten, ook vlasch en een weinig hennip.
3° Delfstoffelyk ryk:
Zand, Turf.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De uitgestrektheid van het Karspel 1½ uur en meer, de hoogte en laagte der gronden zyn zeer verschillend, de veen- en zandgronden zyn meestal tamelyk hoog, maar de groen- en bouwlanden laag, zoo dat het veel tyds onder water staat, zoo als nu in twee zomers heeft plaats gehad, en waardoor de inkomsten zeer gering zyn.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Kunsten en Wetenschappen worden er weinig beoefend.
Men houdt zich hier nog al bezig met het lezen van onderscheidene nuttige boeken.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Met de Fabryken en Trafyken en handwerken is het gelyk op de meeste dorpen gesteld n.l. Smeden, Schoenmakers, Kleêrmakers, Wevers, Timmerlieden, Metselaars, Winkelier, Kroeghouders, Klok- en Horologiemakers, Landbouwers, dagloners enz. Koophandel, bestaat in Paarden, rundvee, schapen, verkens en onderscheidene graansoorten.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtgesteldheid is vry gezond, evenwel worden er door het lang onder water staan der gronden, ’t welk ook veelmaal Zomers plaats heeft, nog al ziekten veroorzaakt.
De lucht is hier tamelyk gezond en zou waarschynlyk nog gezonder zyn, indien de kleilanden in het winter halfjaar, niet onder water stonden, ’t welk ook door eene goede inrigting voorgekomen konde worden. De zandgronden zyn merkelyk hooger.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Er is maar ééne kerk en eene hoofdschool en ééne byschool westeinde.
Godsdienstige gezindheden: Behalve plm: 16 Roomsgezinden en een twintigtal joden, allen gereformeerd.
Leesgezelschappen: Hiermede houdt men zich nu en dan nog al bezig.
Zanggezelschappen: geene.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De middelen van bestaan zyn:
1. Landbouw, 2. Veeteelt, 3. Byenteelt, 4. Handwerken, 5. Kruideniers en Lakenwinkels. Het bestaan der Ingezetenen is over het algemeen niet ruim, eenigen uitgezonderd.
Wanneer er betere afleidingen voor het water gemaakt wierden, zou het bestaan over het algemeen verbeterd worden.
Om het groot aantal huisgenooten, ’t welk de boer noodig is, moet er veel spek gebruikt worden. Vleesch gebruikt men in mindere mate.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De taal is hier vooral niet minder goed dan te Groningen, behalven eenige woorden die naar het Oostvriesche klinken. Over het algemeen is men hier minder plat, dan op vele andere plaatsen, echter worden onder de geringste en ook nog wel onder de hoogere klasse, klanken gebruikt, die zich niet door Nederduitsche letteren laten uitdrukken, b.v.
“Dag Jan hoe gait het die, en hoe gait in joen hoes?”
“Ja Harm, dat kan nog wel, doch onze Pyter is yn bitje kapöt.”
“Ik ging guster na de Pekel, en wol mi daar besteden as schippersknecht, maar ik kon zoo veul geld nyt bedingen als ik mynde; ik wol vyertig gulden hebben en mi wörd maar
dryentwintig boden; der was ook yn jonge van Vryskeloo doch dy kon noch zoo veul nyt krigen, en dy zee, dan wil ik lyver bessems binnen.”
Men heeft hier de gewoonte, om elkander aldus te groeten
“goeden dag i beiden”, of “goeden dag i drijën.”
N.B. De oe geeft men hier meest den klank zoo als de landman dezelve gebruikt in het woord koe.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De ingezetenen zyn wat de geringe klasse betreft vry werkzaam. De boeren zelf werken weinig of niet, maar houden zich bezig met het opzigt over het werken van hun land, handelen nog al veel in paarden en ander vee.
Het is hier de gewoonte om altyd een zeer vriendelyk voorkomen te vertoonen, en daarom mogen vreemden hier ook gaarne verkeeren; men kan echter op de gezegden niet al te sterk vertrouwen.
Onder elkander is men zelden eensgezind, want de een wil vaak (al is het ook tot zyn eigen best) niet, omdat de andere het wil, of, om dat hy zelf de uitvinder niet is, zoo gaat het ten minsten met de afleiding van het water. Om kundigheden te verzamelen is men traag, ten minsten niet aanhoudend, zoo wel in het godsdienstige als in andere noodzakelyke wetenschappen; de kinderen worden in dit geval ook zeer verwaarloosd.
Onder de geringe klasse en dienstboden leeft men veelal ruw, maakt veel gebruik van kleine kroegen, en loopt dan zingend en tierend by den weg, soms geheele nachten door, en verkwist alzoo zyn geld.
Zindelykheid is men nog al vry opgesteld, ten minsten in de woningen.
Voetpaden en wegen worden, alwaar het overvloedige water zulks niet onmogelyk maakt (wegens directie) tamelyk goed onderhouden.
Het gebruik der spyze bestaat in allerlei tuin- en veldvruchten, goed gesmeerd, met eene ruime portie van spek of vleesch; de geringe klasse moet zich echter veelal met aardappels enz. voeden.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

In het jaar 1797 is hier een nieuw fraai orgel bestaande uit 17 registers, in de kerk gebouwd door orgelmaker’s Schnitger en Freytag.
In het jaar 1823 is hier het fundament ontdekt van een schiet toren, zynde die welke in de Groninger Kronyk wordt aangehaald en waaruit de Hamburgers door de Groningers verdreven zyn en welke dezelve geruineerd hebben.
Over deze toren heb ik Juny 1822 breedvoeriger berigt gegeven aan den Heer Westendorp.

(get) S. Brandt Onderw.
te Bellingwolde.