Zoek op de website

Blijham

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De Naam van onze Woonplaats is Blyham.
Aanmerkingen.
In oude stukken vindt men ook dikwyls Blieham; thans schryft men algemeen Blyham.
Van waar deze naam zynen oorsprong heeft is my tot nog toe niet voldoende gebleken.
Er zyn die beweren, dat ons dorp Blyham heet, omdat men zoo blyde was zulk een kostelyken grond, der zee ontwoekerd te hebben.
Anderen zyn van mening dat Bly… van Blank… of daarvoor inplaats genomen zou wezen.
Ook heb ik eens een liefhebber der oudheden ontmoet, die my wilde doen begrypen dat Blyham, voor henen Bloiham, naar zeker bloem, die hier veel groeide en bloi genoemd werd, heette. Wat hier nu van wezen moge, wil ik niet liefst beslissen. Vóór 1277 was toch een dorp aanwezig van dienzelfden naam, en ook min of meer in die rigting. Kan het nu ook niet redelyker wyze worden aangenomen, dat men, wat eenmaal de Dollard nam, en naderhand weder gaf, ook geene wraak heeft genomen, door nu geene namen te nemen welke eertyds bekend waren, ofschoon de herdenking bedroevend ware, maar nu toch als het ware ook weder op nieuw herleefde?

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

De gehuchten of buurtschappen onder Blyham behoorende, zyn:
1e De Hooge brug,
2e De Winschoterzyl,
3e De Draaijery.
Deze drie gehuchten liggen alle drie, byna een uur gaans van de kerk; doch n° 2 op den versten afstand, in het noorden, terwyl de Hoogebrug meer westelyk van de kerk ligt en de Draaijery zoo wat schuins regt in ééne lyn met de kerk Noord Noord Oost.
Nopens den oorsprong dezer gehuchten blyft naar myn gevoelen niet veel raadselachtigs over, wanneer men op de benaming zelve wel acht geve.
Of geeft het woord de Hoogebrug niet duidelyk genoeg te kennen waarvan daan dit gehucht zyn’ naam ontleende? Zoo ook, moest eertyds, toen eens Sluis of Zyl, het overtollige water afstroomde, de oorzaak worden, dat men aan deze plaats den naam van Winschoterzyl gaf.
Eindelyk geeft de ligging van de Draaijery, genoegzame redenen aan de hand om deze benaming op te sporen of te billyken.
Wat de benaming van het dorp zelve betreft, hierover heb ik reeds vrage 1 gewaagd, weshalve daarover niets meer hier ter plaatse zal behoeven gezegd.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

a. Onze kerk, die eerst in 1783 geheel nieuw gebouwd is, is geheel van de toen in gebruik zynde steenen opgetrokken; welke steenen te . . . . . . . . . . van klei gebakken zyn: dus bevinden zich aan onze kerk geene duf- of duifsteenen.
De oude kerk, waarvoor deze nieuwe inplaats is gekomen, was ook niet van dufsteen, maar wel van steenen van eene buitengewone grootte; –
Ook de nog oudere kerk, die verder landwaarts heeft opgestaan was insgelyks van steenen van klei gemaakt.
b. Op de klok die in onzen zwakken toren hangt, en wel byna in het uiterst spits, waar naartoe men met eenige beschroomdheid moet opklimmen, heb ik het volgende opschrift gevonden.
Soli Deo Gloria:
Tudit
I. Borchard
Groningae
1749 (verder)
Ailko Doedens, Pastor,
Lukas Schmaal, Willem Poppes, Kerkvoogden.
 

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

In onze kerkelyke gemeente vindt men geene eigenlyke rivieren doch zoo veel te grooter aantal kolken, ontstaan uit voormalige doorbraken in den ouden dyk.
Meer dan 20 zullen zeker nog in onze landerijen zigtbaar zyn, waarvan sommigen zelfs, gelyk het my voorkomt eene vreeschelyke diepte moeten hebben. Twee zoodanige kolken zyn er ook in de Kostery landen meer of min aanwezig.
Verschrikkelyk moet in die oude tyden, het water van den Dollard somtyds gewoed en akelige overstroomingen veroorzaakt hebben.
Van tyd tot tyd groeijen sommige van deze kolken door menigvuldige plantgewassen zoodanig aan, dat zy in den zomer droog worden.
Anderen daarentegen houden zich, gelyk even gemeld, staande en verstrekken den visschen tot eene veilige woonplaats. Een der grootsten en fraaisten treft men in de Pastorylanden aan.
Ik kan niet voorby, nu ik toch aan de monumenten van verwoestingen in oude dagen, denk, – hier onder ook nog een staaltje betrekkelyk dezelve mede te deelen. In een’ dezer kolken zou volgens overlevering. nog een’ aanzienelyken schat bewaard worden, daar neergelaten in eenen koperen ketel. Ja men verhaalde my nog voor korte jaren, dat Visschers denzelven somtyds konden aanraken.
Maar waarom deze schat daarin bedolven? Sommigen zeggen, dat ten tyde van den Munsterschen oorlog, een zeer ryk man, zyne gelden, het water ter bewaring had gegeven. – Dat hy na dien oorlog, zynen ingezonkenen rykdom niet weder had kunnen opdelven.” – En meer andere praatjes.
Doch wat hiervan zy, dat het geld er is, geloof ik niet. – Maar hoe komt men aan zulke vertellingjes.
Ook zou ik hier nog wel breed kunnen uitweiden, over de onderscheidene gesprekken hier omtrent, of wat nog meer is, over eene zeldzame bygelovige bedriegery betrekkelyk deze schat.
Doch dit zou onze verlichte dagen geenszins eere aandoen, weshalve ik liever zwyge.
Voorts vindt men in onze Kerkelyke Gemeente onderscheidene waterleidingen, waarvan sommigen onder den naam van togtslooten, en anderen dien van diep dragen.
Zoo treft men er eerst eene togtsloot aan die het water van een gehucht Lutjeloo genaamd, door Blyham leidt tot in eene hoofdwatering.
Verder nog eene dergelyke die dient om het water van de Moryge insgelyks in onze hoofdwatering te brengen.
Behalve dezen zyn er
1. Pastory diep, eene waterleiding, voornamelyk bestemd om het water van het Oosteinde naar en van de Zyldiepen te leiden.
2. Garediep, ook dienende om het water van de zoogenoemde gare landen naar een molendiep te voeren.
3. Buiten Zyldiep, loopende noordwaarts regt aan op de watermolens.
4. Binnen Zyldiep, eene afwatering of waterleiding in eene regte lyn loopende van het Pastory diep, naar het zoogenoemde Hekmans diep, nemende inmiddels mede het water uit de togtslooten van Lutjeloo en de Moryge.
5. Hekmansdiep. Dit diep loopt regt aan tot de watermolens en neemt of ontvangt al het water van ons geheel dorp en van de genoemde gehuchten; ten einde meergemelde watermolens werk te verschaffen. Die by goeden wind hun best doen, om dat water door eenen grondpomp te verdryven in een diep Wuppingediep genaamd, om alzoo op den weg te helpen, om zich te spoeden ten einde zoodra mogelyk door de Vierkerspelen Zyl in den Dollard te geraken.
Jammer maar, niet tegenstaande al die kostbare waterleidingen, dat ons vruchtbaar dorp nog zoo gedurig aan overstrooming is onderhevig.
Wanneer ik eens eenen bedaarden blik werp op al de hinderpalen, die onze uitwatering ontmoeten, op den verren afstand, die het water moet doorloopen, op de verbazende aanslyking by meergenoemde zyl, dan wordt myne ziel aangedaan met bange vooruitzigten in de toekomst.
En zal ons land vruchtbaar wezen, dan moet het noodwendig van water ontdaan worden, aangezien de soort van grond, zoo als de boeren zeggen, zoo naar zucht overhelt, en welk ongemak alleen door droog leggen verholpen kan worden. Doch laat my het heden genieten, zonder my, eene misschiene toekomst dat vergalle. Wie weet toch wat de dag van morgen zal baren.
Elke dag heeft genoeg aan zyns zelfs kwaad.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Aangezien men doorgaans door een meer, eene verzameling van zoet water midden in het land, verstaat, zoo moet ik zeggen, dat in ons dorp de zoodanigen niet gevonden worden, noch eertyds daar aanwezig waren, of door droogmalen waren verdwenen.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

In ons dorp treft men geene gasten aan, doch wel in deszelfs nabyheid, zoo als de Uden gast en de Lutjelooster gast beiden onmiddelyk aan onze landeryen grenzende.
Wierden zou ik ook niet kunnen opsporen.
Warven – deze zyn nog hier en daar te vinden, doch worden van tyd tot tyd geslecht.
essen, ook dezen zoekt men by ons te vergeefs.
heuvels geheel onbekend.
hoogten, hier en daar kan men deze nog waarnemen.
Hebbende hunnen oorsprong, of den naam ontleend van het melken der koeijen, in over ouden tyd, en heten daarom melkhoogten, melkwarf.
Men wete, dat in die oude tyden het vee zoo wat in het wilde rond liep; dat het water doorgaans op een groot gedeelte des lands stond en het melken der koeijen alzoo moeijelyk maakte, waarom men hoogten opwierp, waar henen zich het vee begaf, en men dan gemakkelyker en beter de melk deelachtig kon worden. Deze warven, zyn van kleinen omvang.
dyken. Hier bedoelt men zeker oude dyken, de zoodanigen, welke eertyds het water keerden. –
Ten minste, ik wil het maar zoo hebben opgevat.
Van zulke oude waterkeeringen is hier en daar nog een brok aanwezig, doch de nyvere landman weet door ondervinding, dat zulke oude aarde vruchtbaar is, – deze neemt dan van tyd tot tyd zyne kans waar, en brengt door middel van een strykslede genoemde aarde over het naby gelegene land, zoodat weldra geene spoore hiervan meer aanwezig zullen wezen.
Wat hier of daar nog aanwezig of zigtbaar is, is nog achter gebleven.
Van dien ouden dyk, welke zich voorby onze zoogenoemde uiterdyken tot de Nieuwe Schans uitstrekt en op welken men den Hamdyk (een gehucht) heeft aangelegd.
Mogt men in deze vrage, de nog aanwezige dyken bedoeld hebben, dan heb ik slechts aan te stippen, dat Blyham, geheelyk, gelyk eene kom door den rand, zoo ook dit dorp geheel door dyken omringd is: – Wier instandhouding kostbaar en moeyelyk valt, en niet zelden met gevaar of groote en onberekenbare nadeelen, niet tegenstaande alle aangewende pogingen, nog bezwyken:
Getuigen, de doorbraken
in 1709, 1728
– 1763 Deze viel onder Wedde voor, doch overstroomde ook Blyham
– 1799.
En wie heugt de ontzettende doorbraak van 1827 nog niet? Zonder van vroegeren te gewagen.

7. Welke bosschen zijn daar?

Ach ons dorp ziet er zeer naakt en kaal uit! Behalve eenen of twee Singels, aan byzondere personen behoorende, vindt men hier byna geen boomgewas meer. De fraaije yperen boomen in twee ryen om de kerk maken eene goede vertooning en dragen niet weinig by, tot statige eerbiedwekkende stilte vooral in den donkeren zomeravond.
Over het algemeen hebben de menschen by ons weinig smaak voor bosch; hetwelk ook nog wel te verschoonen is, aangezien de grond ook niet regt geschikt daarvoor is, alsmede wegens de lage ligging, dikwyls door water al onze pogingen mislukken.
Zoo verloor ik zelf by de overstrooming des vorigen jaars, meer dan 20 groote esschen boomen, benevens vele kerseboomen.
De fyne en grove dennen, kunnen, niet tegenstaande de beste verzorging, by ons worden voortgeteeld. Meer dan eens heb ik dit zelf beproefd.
De gouden regen (de Robynia), en anderen, komen slechts in weinige hoven aan den gang.
De Wilgen (maar die hebben ook dien naam niet te vergeefs) tieren welig, zoo dat deze nog al hier en daar worden gevonden. Evenwel geloof ik, dat by noeste vlyt, ondersteund door behoorlyke bekwaamheid wel meerder houtgewas zoude worden kunnen aangekweekt. – Doch de boer is voldaan als hy zynen hof met de noodige appel- en pereboomen en zynen tuin met eene dorenheg heeft voorzien en omringd.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Zeker zou het wenschelyk zyn, dat ieder onderwyzer deze vrage, byzonder met betrekking tot zyne gemeente, naauwkeurig kon beantwoorden; ten minste, dat hy eenigermate de voorwerpen der Natuur wete te rangschikken, en een algemeen overzigt van dezelve heeft. –
By weinigen geloof ik echter, dat men eene leerstellige orde aantreft, en wanneer men denkt, dat velen aan eigen nadenken zelfsonderzoek zyn overgelaten zal de juiste rangschikkingen, of liever het mistasten in dezelve, eenigermate te verschoonen zyn.
Dat men hier boven bedoele
1e Delfstoffelyk ryk
2e Plantenryk
3e Dierenryk, lydt geenen twyfel, doch meer gebyzonderd, en alles op te sporen, zal meer moeyelyk vallen.
De duizenderlei onderscheidene voorwerpen uit het onbewerktuigde ryk werden reeds van ouds, onder vier algemeene afdeelingen gebragt, ook met regt, om dat zy alle in zoodanige hoofdeigenschappen met elkanderen overeen komen.
De eerste klasse bevat alle aarden en steenen,
2° Zouten
3° de zoogenoemde brandbare Mineralen
4° alle metalen.
Tot een van deze klassen zou men dus al wat tot het Delfstoffelyk ryk behoort kunnen brengen, van welke ik nu nader eenigen zal trachten op te noemen.
Ofschoon men thans zeven enkelvoudige of grondaarden kent en alzoo al de delfstoffen dezer klassen onder een derzelve behoorden gerangschikt te worden, en wel onder dat geslacht eener grondaarde, waar van zy de meeste bestanddeelen hebben zal ik echter slechts opnoemen, wat men by ons hiervan ontmoet; en wel
Wat men zoo delfstoffelyk beschouwt.
1. Zand
2. leem
3. turf.
Deze drie soorten zyn in onze Gemeente voorhanden, ofschoon niet in groote hoeveelheid.
Meestal zit het zand te ver naar beneden, of onder eenen goeden bovengrond, zoodat men liever dit uit andere dorpen haalt.
leem verkrygt men ook met vele moeite, en den turf, ofschoon wel verkrygbaar, haalt men veelal uit naburige dorpen, omdat men of het hooge of lage Veen reeds heeft ontgonnen of van tyd tot tyd nog cultiveert. Zonder van Marmer, kryt of edelgesteenten gewag te maken of te denken aan den tripel, de Bolus, het roodkryt, de lei, den Wetsteen, den toetsten, de Basalt, de Lava, die tot de Thoon of kleiaarde behooren, zal ik maar bekennen geen ander delfstoffelyke voorbrengselen dan de even genoemde te kennen, noch daar eenigermate toe te kunnen brengen.
Ik ken by ons.
1 geen pypklei
2 geen Porceleinaarde
3 geen Vollersaarde
of dergelyke –.

2. Plantenryk.
Is het waar, dat het geen, het wel voor ons van eene volstrekte noodzakelykheid en tevens van het uitgestrektste gebruik is, het belangrykste voorwerp van onze kennis en beoefening moge gerekend worden, dan voorzeker mogen wy het Plantenryk, voor een belangryk deel der Natuurkunde niet alleen maar voor iederen mensch in het byzonder houden. Noch dieren, noch delfstoffen zyn zoo noodzakelyk tot onmiddelyke onderhouding van ons leven, en welks bezit vooral den gemeenen man zoo geheel schadeloosstellen voor het gebrek van andere voortbrengsels.
Des menschen allereerste en noodzakelykste behoefte, de honger, brengt hem terstond tot het groeijend ryk en houdt hem opmerkzaam op de voortbrengselen van hetzelve. Plaatste de goede Schepper, Vader Adam in eene vruchtbare landstreek om dezelve te bebouwen, wy ook, indien wy wel gebruiken wat wy hebben – mogen en kunnen als het ware ook onze woning in een paradys bouwen.
Trouwens: het geluk van den mensch behoort toch niet in een werkeloos genot, niet in eene bevrediging van zyne wenschen, eene vervulling van zyne behoeften, zonder werkzaamheid en arbeid; maar veeleer in inspanning van zyne krachten, ter ontwikkeling en uitbreiding der fisike en morele krachten.
Als uit zulk een oogpunt beschouwd geniet de gevoelige menschenvriend een uitnemend genoegen, wanneer hy dorre zandwoestynen ziet verkeren in lagchende velden, of inplaats van distelen en doornen golvende koren aren.
Met steeds toenemende blydschap heb ik ook sedert eenige jaren bespeurd de aanhoudende aankweeking en beoefening der gewassen en de meer volkomene kennis van dezelve. – En daar dit met genoegen gepaard gaat, moet ook de plantkunde zelve, hoe langs zoo meer tot volkomenheid geraken.
Daar nu geene enkelvoudige zuivere aarde voor den groei van eenig gewas geschikt is, maar altoos vermengd moet zyn met die grondstoffen welke de planten tot voedsel behoeven. Zoo bespeur ik dat de landman of tuinier door eigen ondervinding geleerd, zeer wel by ons weet te kiezen wat er waar – by de aankweeking met goed gevolg, kan ondernemen.
Zonder op weder of wind – licht, warmte of dergelyke te letten of natuurkundige redenen op te geven, weet hy toch de beste middelen tot de beste einden te kiezen, alhoewel dikwyls eerst door schade wys geworden.
Hy weet zeer wel, dat het groeijend ryk zich op tweederlei wyzen vermenigvuldigd die of door looten, of afleggers of door zaden.
Hoe men best de indiaansche Vygeboom aankweekt; raakt hem niet – maar wat tot zyn Departement behoort, kent hy als door proefnemingen. –
De onderscheidene soorten van het plantenryk meest by ons in gebruik zyn dezulke, die meest winstgevend en gelukkig tierend zyn.
Ook zal ik geen kunstige rangschikking kunnen doen, als zynde voor my onmogelyk, alleen in het oogloopende onderscheidingsteekenen in aanmerking nemende, zonder op de verdeeling of klassificatie, het zy in bloem of geslachtswerktuigen te letten alleenlyk eene natuurlyke verdeeling volgende.
a. Paddestoelen.
Dezen treft men by ons, soms in groote menigte aan; doch schynen geen ander doel te hebben, dan hunne byzondere gedaante voor eenen korten tyd te vertoonen.
Welke nu van de 10 geslachten der paddestoelen schadelyk of welke nuttig zyn; is den landman geheel onbekend. Gaarne laat een boer, den grooten der aarde de kampernoeljes, de keizerlingen, de truffels, als hy maar zyne Engelsche aardappels moge hebben.
Het zwam echter uitgezonderd.
b. Wier.
Hiervan treft men by ons nog al aan, hier onder byzonder het Eendenkroos, waarmede onze slooten en andere wateringen dikwyls bedekt zyn en door de Eenden misschien ook om de veelheid der waterdiertjes door de Eenden veel gebruikt en zoo het schynt smakelyk genoten wordt.
2. de Flap, groeit al te menigvuldig.
Zoo zal ik hiermede over het Wier eindigen. Ware my eens Schoolmeestersplaats by de Noorder- of Zuiderzee ten deele geworden, misschien zou ik dan over het onberekenbaar nut van genoemde plant wel iets meer hebben kunnen zeggen, en dan byzonder over het zeewier en deszelfs byzonder lengte nog wel het een, en ander hebben ter neder gezet.
c. Mosch.
Het is myne zaak niet om te zeggen, welke van de 300 onderscheidene soorten van Mosch zich by ons bevindt. Ik heb door ervaring geleerd, dat het Mosch by ons niet tegenstaande deszelfs schoonheid, steeds met verachting wordt beschouwd en geenszins de bewondering of een bedaarde beschouwing tot zich trekt. Welligt komt deze afkeer van hier, omdat waar het Mosch zich vertoont, doorgaans slechte boomen of slechte landen zyn.
Zeer weinige menschen zien verder dan hunnen eigenen kring – en dit is vooral een zwak by den boer.
Of men nu van het Rendiermosch gewaagt of men wil beweren, dat de Noordelyke landen, zonder dat byna niets overig hadden; dat het de boomen tegen den vorst beveiligd, enz. – dit alles doet niet ter zaak. Doch genoeg hier over.
Ook het mosch vindt men by ons (mag ik het zeggen ) meer dan genoeg.
d. Grassoorten.
Hiertoe behooren al de planten, waarby zich de landbouw en de Veeteelt voornamelyk bepalen, weshalve ik hierby iets langer moet stilstaan. Deze klasse is echter te uitgebreid, dat ik dezelve in haren geheelen omvang zal kunnen beschryven; alleen eenige weinige koornsoorten graan- of gras zal ik slechts aanstippen. Zeker onderscheiden zyn de grassoorten ook by ons, naar de ligging der landen. Genoeg evenwel, het gras maakte algemeen het voedsel van het zoo nuttige tamme vee uit. Des Zomers zoeken zy hun voedsel in de weiden, en des winters is het als hooi, het voornaamste stalvoeder. –
Moest ook het gras, gelyk het koren jaarlyks worden gezaaid, waar zou men volk en tyd genoeg krygen, om het geen tot den landbouw en de veeteelt behoort, behoorlyk te volbrengen!
Hoe wys is dus deze inrigting van den goeden God!
e. Granen (by ons verbouwd).
a. Rogge. Deze onderscheidt men in inlandsche en brabandsche.
De laatstgenoemde wil het best voort op zware klei of ook na goede bemesting op Roodolmigen grond; terwyl men de eerstgenoemde meer op Veenbouwten of op Zandgronden aankweekt. –
De Rogge in het algemeen is een allernuttigst gewas, is gemakkelyker en algemeener te bebouwen, en levert vooral de arbeidende klasse een aangenaam en gezond voedsel. Velen uit de geringe volksklasse zyn vergenoegd en zelfs blyde, wanneer te zyner tyd hun stuk roggenbrood deelachtig kunnen worden.
Jaarlyks wordt er van dit graan ook meer of min 2000 mudde by ons verkocht en ook misschien evenveel door vee en menschen gebruikt.
Zomerrogge wordt by ons niet gezaaid.
b. Tarwe. Deze wordt by ons zoo veel niet aangekweekt. – Ook om dat die zoo gemakkelyk niet is voort te teelen. Hier komt nog by dat dezelve schraal land maakt en ook vooral in latere jaren laag in prys was.
c. Garst (zomer. knobbe. winter).
Ook deze worden by ons veel verbouwd. – Evenwel gelukt de aankweeking niet altyd even goed.
Na harde winters of drooge voorjaren, en gepaste afwisseling van weder in den Zomer is de Garstenoogst het best.
Dit graan is van groot geryf voor den Landman, zoo voor hemzelven (n.l. tot Gort, als tot voeder voor het rundvee, en de varkens, welke laatste hier veel vet gemest worden en wier spek het gewone voedsel der Landlieden is.
d. Haver (dikke, voer, en bonte).
Een der Hoofdvoortbrengselen der meeste landen van Blyham.
Eenige duizenden mudden worden jaarlyks hiervan afgeleverd.
Wanneer dus de prys van den haver matig goed is, bestaat de landman by ons nog redelyk wel; doch de gedurige afwisseling van den prys of liever het wisselvallige in dezen meer dan wel in eenig ander graan – heeft wel eens onvoorzigtige koop- of huurcontracten ten gevolge gehad.
Ik zelve heb al beleefd, dat het mudde haver verkocht werd voor ƒ 8 gulden en een paar jaren daarna voor ƒ 1.25 of nog lager. – Hoe moeijelyk is het dus de eigenlyke waarde der landeryen te berekenen! Van hier dan ook, dat sommige lieden, hoewel anders naarstig en oppassend, toch nimmer meerder kunnen worden, aangezien zy hunne landeryen aankochten in dure tyd.
e. Boekweit, ofschoon de boekweit onder de klasse der planten behoort, wil ik dezelve echter, om het volkomen gelyk gebruik, dat van haar met het koorn gebruikt of gemaakt wordt hier vermelden.
Ook deze wordt by ons, doch niet veel verbouwd.
f. Koolzaad – hauweel en zomerzaad.
Deze 3 soorten, treft men by ons aan. Zynde, wanneer het wel tiert en goed gewonnen wordt, een zeer winstgevend product; een voorbrengsel, dat spoediger, en meer contante penningen den landman oplevert dan wel andere gewassen.
g. Aardappelen (vele soorten).
Naast het koorn zyn ongetwyfeld de aardappelen het weldadigste geschenk des hemels, en hebben in eenig opzigt zelfs den voorrang boven hetzelve; immers de gemakkelykste verbouwing, de onbegrypelyke sterke vermenigvuldiging en daarby het uitgestrektst gebruik, geven algemeen de aardappelen, ook in ons dorp, eene onschatbare waarde. Zy geven den gemeenen man niet alleen een goedkoop, maar ook een allersmakelykst voedsel, die dan ook meest al hiervan moet leven.
Van Jaar tot jaar vermeerdert de aankweeking schier op alle soorten van grond.
h. Kool (Keukenkool, roode, gemeene, Savooische, Kappertjes, bloemkool enz.).
Kweekt men nog al vry wat aan.
i. Wortels K. Snyboonen enz.
j. Knollen enz. –
Met één woord,
Eene reeks van andere keukengewassen onder en boven den grond, tot onderhoud en veraangenaming des levens, door den weldadigen Vader der menschen ons geschonken, moet ik maar met stilzwygen voorby gaan.
Om verder van geene tuinvruchten te gewagen, die in zulk eene menigte worden aangekweekt, of ook allerlei boomvruchten op te noemen. – Van vlas, hennip – enz te zwygen, zal ik hiervan afstappen met de betuiging,, dat ik sedert jaren bespeurd heb, dat in ons midden, de kennis der onderscheidene gewassen en derzelver aankweking verbazende vorderingen heeft gemaakt. –
Dat hiermede de smaak voor bloemen gepaard gaat, zoo dat ik met een uitstekend genoegen in vele tuinen heerlyke bloembedden aantref. Iets, dat ik ook altyd zelve mede bevorder, door aan myne scholieren, vooral aan de meisjes, nu en dan bloemzaad, of bollen rond te deelen. De jongens spoor ik nog meer aan om jonge boompjes te zoeken, aan te kweeken, of door zaad, looten of korrels voort te planten. –
Die my een voldoend bewys toont, van de meesten te bezitten, krygt eene kleine premie. Zoo schonk ik nog voorleden voorjaar, een fraaije prent aan een 7 jarig knaapje, die op een klein plekje gronds, 100 jonge appel-, pere-, kerse- en pruime boomen had geplant, niet alleen, – maar vóór of na zyne schooluren, allen, één voor één had opgezocht. –
My dunkt wanneer men de jeugd hier vroegtydig aan gewenne, zulks voor hun volgend leven van belang kan worden; te meer in eene Gemeente, waar allen van den landbouw hun bestaan zoeken.
3. Dierenryk.
Voorzeker overtreft het dier, in kunstiger samenstelling en belangryker strekking, het planten en delfstoffelyk ryk: echter zal ik hier over my zeer bekorten. Alleenlyk eenigen opnoemende.
1. Veel goed rundvee (een voorname tak van bestaan).
2. Paarden, dienende meest tot den arbeid.
3. Schapen (om hun wol en vleesch),
4. Varkens. Deze dieren worden veel by ons gehouden, ook wegens het voordeelige, maar veelal om het smakelyk spek – voor den arbeidsman.
5. Hoenders.
6. Eenden.
7. Eenig visch (in de kolken en diepen).
Voorts loopt er in het veld nog eenig wild gedierte.
Om van de sterke honden niet te gewagen, die vele boeren houden om door middel van eenen molen, boter te karnen.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Daar de grond het voorname voorwerp is van den landbouw, zoo ware het te wenschen, dat men dien aangaande duidelyker denkbeelden ontmoette, dan men billykerwyze, by den onderwyzer verwachten of daarvan vergen moge. Ik acht dus verkiesselyker myne weinige kennis in dat stuk te belyden, dan in te stemmen in het gewone gebabbel over vruchtbare, warme, of koude gronden: – Op bepaalde benamingen, afgeleid uit zeer toevallige verschynselen. Wil men nu niet roekeloos te werk gaan, men zal verscheidene jaren achtereen onderscheidene proeven moeten doen ten einde de wezenlyke eigenschappen der gronden van zyn dorp te leeren kennen.
Gelukkig voorzeker, indien men dit ten laatste ontdekte; doch hiertoe ontbreekt het den onderwyzeren aan tyd en gelegenheid, maar nog meer aan de noodige bedrevenheid in onderscheidene vakken van Wetenschappen; Trouwens, dat gene wat men gewoonlyk, in eene meer bepaalde beteekenis grond noemt, bestaat in een zamenmengsel van verschillende deelen, wier eigenschappen en onderlinge betrekkingen vooral het naauwkeurigst onderzoek vereischen. –
En hoe zal zulks door iemand geschieden, die niet iets van de Scheikunde weet!
Men vergenoege zich dan ook met myne eigene opmerking en verschoone my wanneer ik dwaal in de benamingen der onderscheide soorten. Voor zoo ver my dan kennelyk, bepaalt de grond van ons dorp zich voornamelyk tot de volgende hoofdsoorten.
a. zware klei
b. ligte dito
c. Roodoorn –.
d. gemengde grond
e. vruchtbaar zand
f. hooge en lage Veenbouwten
g. lage groenlanden (boven land).
________

A. Zware klei.
Hieronder behooren by ons, de zoogenaamde uiterdyken. –
Naar het my voorkomt, is in dezen grond te weinig kalkaarde voorhanden.
Evenwel is dezelve vruchtbaar, byzonder geschikt tot koolzaad, peulvruchten en ook levert hy veel – en voedzaam gras.
Ook tiert er de Tarwe en byzonder de Brabandsche rogge.
Garst, gelukt zoo goed niet, alsmede ook minder de haver.
Voor het overige is deze grond moeijelyk te bebouwen. –
Zelden van pas, van droogte, immer te droog – of te vochtig. – Zoo dat gepaste afwisseling van weder vooral hier van belang is.
Groen gebruikt, zoo als reeds aangemerkt, voldoen zy uitmuntend. –
B. Ligte klei.
Deze soort van grond is niet zoo zuiver dan even genoemde, meer vermengd, en zoo het my voorkomt met roodoorn; doch tamelyk vruchtbaar, geschikt voor den verbouw van haver; - paardeboonen, en zomergarst. Ook levert deze grond tamelyk veel gras, – Klaver groeit er welig, en het rundvee wordt er vet. Evenwel krygt men van de zware klei meer en voedzamer hooi, doch zoo het schynt niet zoo smakelyk. – Voor tarwe is deze grond minder geschikt.
C. Roodoorn.
Deze grond is zeer onvruchtbaar, alleen door zware bemesting brengt hy een matig gewas voort. Brabandsche Rogge en haver kan men nog best hier op aankweeken.
Voor peulvruchten is deze soort van gronden geheel ongeschikt. – Groen te gebruiken, beloont niet eens den arbeid, het vee eet met tegenzin, het drooge dorre gras.
Gaarne zou ik nog wel eens de vrage opgelost hebben.
“Van waar deze grond herkomstig?” In ons dorp is, als het ware, de eigenlyke roodoorn, met overleg aangelegd, dat is de roodoorn scheidt zich byna in eene regte lyn, van uit eenen westelyken hoek langs het geheele dorp eerst noordwaarts en dan na eenen stompen hoek gemaakt te hebben regt Zuid ZuidOost. –
Ik ben niet kundig genoeg, om de regte bestanddeelen van deze soort van aarde op te geven, anders zou ik eenige gissingen, die ik wel eens zoo by my zelven gemaakt heb, voor den dag brengen, en daar door naar myn gevoelen den oorsprong afleiden. Dit weet ik echter wel, dat de roodoorn ten minste te Blyham, te veel yzerdeelen in zich bevat. –
Na de zwaarste bemesting, is byna het volgend jaar geen spoor hier meer van overig, zoo dat de mest, als ’t ware geheel wordt verslonden.
Ook helpt het branden weinig aangezien de asch niet vruchtbaar is – of liever geen eigenlyke asch voor den dag komt. Met zand vermengd, wordt deze grond, vruchtbaarder, doch met klei nog beter. –
Beide deze proeven zyn by ons genomen. – Met kalk voldeed niet aan het oogmerk.
D. Gemengde Gronden.
Hiertoe zou ik brengen, ten minste in ons dorp, de zoodanige, wier bestanddeelen, door vroegere dykbreuken, hoofdzakelyk uit opgespoeld zand bestaan, doch thans door de nyverheid des landmans wegens het opbrengen van klei uit slooten, of van hoogten, nu gemengde grond kunnen heten.
Deze gemengde gronden zyn bekend onder den naam van Zandkampen.
Het zy my vergund, hier even aan te stippen, wat zeker landman voor korte jaren met zoodanigen zandkamp heeft ondernomen, en hoe zyne pogingen gelukt zyn.
Deze man (E.B. Bruggers) had ook zulk een onvruchtbaar stuk land, de Zandkamp genaamd, groot nagenoeg 3½ bunders, dat het der moeite niet waardig was, graan daarop te zaaijen. – Ook groeide er geen gras voor het vee.
Nu kwam de man op de gedachte, om dit stuk land, geheel te laten omwoelen, dat is, de bovengrond naar beneden en de lagere aarde naar boven te laten brengen.
In den herfsttyd wanneer er niet meer zo veel drukte is, en de arbeidsloonen minder zyn, maakte hy hiermede eenen aanvang en nog voor nieuwjaar was deze arbeid ten einde.
Hy heeft dan alzoo 14 Duim zuivere, goede klei naar boven laten halen en dus dit dorre veld in een der vruchtbaarste en beste stukken land herschapen. –
Den daarop volgenden zomer heeft hy die nieuws opgebragte aarde ter braak laten liggen, toen met koolzaad bezaaid, en zulk eenen goeden oogst gehad, dat niet alleen al zyne moeite maar ook de kosten dubbel beloond werden.
Sedert heeft hy, tot op heden, altyd, een’ goeden oogst van genoemde kamp lands.
Ik meen, dat de onkosten, of de arbeidsloonen van het omwoelen het bunder hebben bedragen ƒ 300,-.
Wanneer echter iemand eens nadere inlichting hier omtrent wenscht te hebben, die vervoege zich by genoemden E.B. Bruggers te Blyham. Hy kent, zoo het my voorkomt geen grooter genoegen, dan wanneer men hem hierover onderhoudt. – Gaarne verhaalt hy den toestel, den voortgang en den afloop van deze zyne onderneming, en hoe deze poging vierdubbel beloond. Deze oude man heeft een goed geheugen zoo dat hy nog haarklein alles weet op te geven. Het heeft my wel zeer dikwyls verwonderd, hoe juist deze Bruggers, zoo iets ondernam; aangezien hy anders met lyf en ziel tegen alles wat nieuw is wedyvert – en vreeslyk op onze eeuw los gaat.
e. Vruchtbaar Zand
Zoo iets is te Blyham in geene groote hoeveelheid aanwezig. Alleen eenige weinige plaatsen waar zulke stukken land te vinden zyn.
f. Hooge – en lage Veenbouwten
Deze bestaan uit toegemaakt, al – en niet afgegraven Veen. – Zyn byzonder geschikt voor rogge – aardappels en Zwarte Haver, doch niet tot groen te gebruiken. Ofschoon deze bouwten veel werks en moeite, of onkosten van bemesting opleveren, echter zyn dezelve voor den landman byzonder voordeelig, aangezien er byna nooit eene mislukte oogst te vreezen is, gelyk wel eens met kleigronden het geval kan wezen.
g. Lage groenlanden
Deze landen zyn te Blyham onder den naam van bovenland en vennen bekend, en bestaan uit gemengde klei, roodoorn en veengrond; gemengd, naar myn gevoelen, door gedurige overstroomingen anders eigenlyk Veengrond. Deze landen zyn zeer geschikt om groen te gebruiken, doch voor een paar jaren wast er ook goede haver. Overigens zouden er allerlei soorten van tuinvruchten goed voorkomen, wanneer wegens goede uitwatering men niet voor water behoefde te vrezen.
In drooge Zomers wast er niet veel gras, doch by afwisselend weder heeft het vee er overvloed van gezond en welsmakend voedsel; kan de boer nu en dan deze landen een weinig bemesten, dan heeft hy dubbelen oogst te verwachten.
Zoo zou ik eigenaardig van deze vraag kunnen afstappen, en zoo ik meen ook, ofschoon gebrekkig genoeg hier omtrent gezegd te hebben; alleenlyk nog moetende zeggen, dat de grond dieper by ons eerst Veen en daarna eerst zwart, dan rood, en eindelyk wit zand wordt.
Op de uiterdyken en daaromtrent, heeft men 3, 4 ja soms veel meer voeten klei.
By myne woning heeft men 9 a 10 voeten hoog veen, en dan eerst zand. Doch op andere plaatsen treft men het Zand veel vroeger aan. En op sommigen geheel niet. Byvoorbeeld op het Heem, waar men op 8, 9 a 10 Vt diepte, geen zand maar stroo of klare schapenmest ontmoet: nog zuiver en goed; even als of voor weinige jaren daar neder gelegd.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Deze vragen stellig te beantwoorden zoo my moeyelyk niet zoo zeer, als wel minder gepast voorkomen.
Wat toch kan men hieromtrent, op een eenvoudig boerendorp verwachten!
Is er deze of geene, die zich vermaakt met eene of andere Wetenschap, of eenige bedrevenheid in de een of andere kunst bezit, dan geschiedt zulks meestal in stilte.
Verstaat men eenige muzyk; Kan men een weinigje teekenen of heeft men eenige vaardigheid, in de Stel- of Meetkunde, dan is zulks meestal zoo weinig beduidend, dat het geen naam waardig is.
Als de boeren jeugd zoo ver gevorderd is, dat zy eene leesbare handschryft, den bybel kan lezen, en wete, te berekenen, wat in haar dagelyksch leven voorvalt, dan wordt zy meesttyds al tot den arbeid geroepen, zoo dat er enkele gevallen uitgezonderd, aan geene Kunsten of Wetenschappen meer te denken zy. Over het geheel genomen zyn er nog al tamelyk veel zeer geschikte menschen in hun vak.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Behalve eenige handwerkslieden, als Timmerlieden, Yzersmeden, bakkers, Kabinetmaker, schoenmaker, brouwer, kuipers, stelmakers, wevers enz. vindt men hier eigenlyk geene fabryken of Trafyken.
Twee pel- en roggemolens, benevens eenige grutteryen.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

In ons dorp is de luchtgesteldheid vooral in het voorjaar en in den herfst vochtig en koud, veroorzaakt ook, wegens het hooge water in het dorp zelve of in deszelfs nabyheid.
De avonden zyn byna het geheele jaar door koel, zelfs in het midden van den zomer. Er valt veel dauw, en de sloten geven somtyds eenen onaangenamen geur van zich, vooral in den zomer avond of in het warme lente weder.
Voor deze avondlucht mag men wel op zyne hoede wezen, wil men gezond blyven. Ten minste ik wacht my, om des zomers, niet in dezelve te gaan zitten, gelyk sommigen de gewoonte hebben.
Voor het overige is het over het algemeen nog tamelyk gezond by ons, vooral voor die genen die van jongs af zich te Blyham bevonden.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

In Blyham, is eene Gereformeerde kerk, geheel nieuw gebouwd in 1783. Zeer doelmatig en luchtig opgetrokken en van een fraai verwelf voorzien, jammer nog, dat zy niet met een orgel pronkt.
Op de Winschoterzyl (onder Blyham), staat ook eene Luthersche kerk alwaar nu ook weder een nieuwe Leeraar is geplaatst, doch wegens het geringe aantal zielen – en de verstrooidheid derzelve, zal deze kerk wellicht eerlang moeten vervallen.
Eene school, treft men hier aan welke voor Blyham, ofschoon zeer uitgestrekt, genoeg zou wezen.
Een Leesgezelschap.
Nu en dan ook wel eens zang gezelschappen; doch welke voor eenigen tyd ook werden opgeschort.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De voornaamste bronnen van bestaan zyn
a. de Landbouw
b. de veeteelt
c. handwerken
d. Byenteelt (niet veel)
e. turfgraveryen (zeer weinig)
f. Handel in paarden, en runderen.
Zegt het spreekwoord, nood leert bidden, veeltyds, dat men in tyd van nood iets moet aanvangen; zoo ook zoekt men by den landbouw nog het een’ en andere te voegen; ten einde zyn bestaan te verbeteren.
Van hier dan, dat sommigen bijen houden, anderen weder iets anders by de hand nemen. Wanneer nu zoo iets geen inbreuk doet op de hoofd affaire, is het alleszins prysselyk.
Verder zyn er zeer ryke lieden, die van hun inkomen ruim kunnen leven.
Ook zyn er velen, die nog al in Rederyen in schepen doen.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Het dialekt onzer taal is van zoo wyden omvang, dat deze vragen wel eene afzonderlyke verhandeling waardig zou wezen.
De tongval is gedeeltelyk, naar den Hoogduitschen maar ook naar den Frieschen tongval gewyzigd.
Daar nu deze Gemeente door hare ligging Duitschland nadert, zoo schynt onze spraak naar myn gevoelen eene zachte overgang van de Nederlandsche tot de Hoogduitsche taal te maken. Deze overgang blykt dunkt my uit de uitspraak en de vorming der woorden.
b.v. gold, (das gold).
Sommigen geheel Duitsch, b.v. stelmaker. –
Verder
Ik wos, – ik wist
Ich wüst –
Ik sol. –
ich ihr sol –.
Verder zyn vele woorden zuiver friesch; byzonder die gene, welke tot de Veengraveryen behooren als bagggelen, bengel, stobbe.
Dit is ook zeer natuurlyk.
Zoo verschilt, om maar ter zaak te komen, ons dialekt niet alleen in verbuiging maar ook in zamenstelling, aanmerkelyk van de gemeene taal.
Zie hier eenige voorbeelden, zoo als het gros der menschen dagelyks spreekt, doch vooraf eene woorden lyst.
Men zy bedacht, dat ik in de spelling my zoo veel mogelyk naar den klank heb moeten schikken, zoo heb ik voor den klank ö, doorgaans genomen. Overigens zal men by de hier volgende lyst, telkens eene aanwyzing vinden, die eenigzins de uitspraak aan de hand geeft; welk een’ en ander met eenige weinige voorbeelden zal besloten worden.
Lyst van woorden waarin door ons eu in plaats der hooge oo gebezigd wordt.

Siegenbeek   Blyham
behooren   beheuren
bloode   bleu
booze   beuze
doopen   deupen
doozen   deuzen
droogen   dreugen
droomen   dreumen
gelooven   leuven
hooren   heuren
onnoozel   onneuzel
stooten   steuten
stroopen   streupen
toonen   teunen
zoomen   zeumen

enz.

NB.
Ik heb den Heer Wester hier voornamelyk gevolgd, ook nog als mynen onvergetelyken onderwyzer, geeerbiedigd.
De lage o naar Siegenbeek

door - deur   noten - neuten
goten - geuten   olie - eulie
hoon - heun   stoven - steuven
joden - jeuden   voor - veur
kloven - kleuven   hoofd - heufd
koning - keuning   zoon - zeun
mogelyk - meugelyk        

Lyst van woorden in welke men hier in dagelyksche gemeene volkstaal, de oe met den tweeklank ui verwisselt.

broer - bruir   moei - mui
broeden - bruiden   roemen - ruimen
broeyen - bruijen   proeven - pruiven
bloeijen - bluijen   roemer - ruimer
groeijen - gruijen   spoelen - spuilen
gloeijen - gluijen   snoer - snuir
bloeden - bluiden   snoepen - snuipen
groen - gruin   snoeijen - snuijen
tegemoet - tegemuit   woest - wuist
vermoeid - vermuid   zoeken - zuiken
vervoeren - vervuiren   zoet - zuit
wroeten - wruiten   woest - wuist
woelen - wuilen   zoeken - zuiken
zoet - zuit   enz.    

Lyst van woorden, waarin men weer omgekeerd handelt; zoo dat men oe voor ui gebruikt.

Búil - boel        
buiten - boeten   bruin - broen
bruid - broed   bruisschen - broezen
duiven - doeven   druiven - droeven
duizend - doezend   duizelig - doezelig
duim - doem   duiken - doeken (nederduiken)
gruis - groes   huis - hoes
huid - hoed   huilen - hoelen
kluiven - kloeven   kluiten - kloeten
kruipen - kroepen   kuiper - koeper
kuipen - koepen   kuil - koel
luis - loes   luik - loek
muis - moes   muil - moel
pruilen - proelen   pruimen - proemen
puist - poest   ruiken - roeken
ruim - roem   ruimer - roemer
ruit (glas) - roet   sluiken - sloeken
sluiten - sloeten   schuilen - schoelen
schuim - schoem   snuit - snoet
snuiven - snoeven   stuiven - stoeven
schuiven - schoeven   struiken - stroeken
sluipen - sloepen   tuin - toen
uit - oet   uil - oel
vuil - voel   vuist - voest
zuipen - zoepen   zuil - zoel
zuigen - zoegen   enz.    

Woorden in welke men ol voor ou gebruikt, b.v.

oud - old   hout - holt
zout - zolt   mout - molt
stout - stolt   schouder - scholder
vouwen - volden   woud - wold
bouwt - bolt   goud - gold
koud - kold   enz.    

Woorden in welke men i inplaats van ij gebruikt.

blyft - blift   snydt - snidt
byt - bit   dryft - drift
glydt - glidt   kyst - kist
kryt - krit   kyft - kift
kykt - kikt   knypt - knipt
grypt - gript   strydt - stridt
slyt - slit   slypt - slipt
strykt - strikt   schryft - schrift
verwyt - verwit   wryft - wrift
zwygt - zwigt   enz.    

Woorden waarin e voor ee, komt

breekt - brekt   heen - hen
eet - et   spreekt - sprekt
vreet - vret        

Woorden waarin a voor aa

blaast - blast   draagt - dragt
gaapt - gapt   jaagt - jagt
vraagt - vragt   enz.    

Woorden waarin u voor ui

luidt - ludt   luistert - lustert
fluistert - flustert   sluit - slut

Woorden waarin ei voor aa

gaat - geit (gait)   staat - steit

Woorden waarin e voor a

dan - den   kan - ken
zal - zel   enz.    

Woorden waarin men o voor ui gebruikt; bv.

kruipt - kropt   kluift - kloft
snúift - snoft   ruikt - rokt
zuipt - zopt   enz.    

Woorden waarin men u voor i

begin - begun   gister - guster

Woorden waarin men u voor ie

giet - gut   liegt - lugt
ziet - zugt   enz.    

Woorden waarin men u voor oe of meer de ö

bloedt - blödt   voedt - vödt
vloekt - vleukt        

Ook neemt men a voor e bv.

varwen - verwen   klark - klerk
harfst - herfst   stark - sterk
mark - merk   scharm - scherm
park - perk   varwen - verwen
bargen - bergen   zark - zerk
wark - werk   enz.    

Nog onderscheidene verbasteringen

slaapt - slept   zelf - zulf
voort - vort   ben - bin
spelen - speulen   spel - spul
wilde - wol   viel - vol
met - mit   hem - hom
kies - koes   roept - ropt
loopt - lopt   stuk - stok
murw - meur   heeft - het
tot - toe   suiker - sukker
boter - botter   aalbessen - alberen
doet - (dut, dait)   deze - disse
zeide - zee   nu - nou (nö)
niets - niks   niemand - níms
hebben - hewwe   zuur - zoer
wie - wel   boodschap - beusschup

NB.
In den dagelykschen omgang worden deze of dergelyke woorden zoo verkeerd gebezigd, byna geene uitgezonderd.
Hier nog eene lyst van woorden die men in ons dorp eenen klank geeft, die door geene onze klinkletters zyn uit te drukken; grenzende dezelve aan de heldere ó aan u en ue
byvoorbeeld
 

borgen - korst - vlot
dorst - koster - krot
snot - kort - gort
morgen - klos - vork
zorgen - los - stoot
zondag - rot - kurk
storten - snot - turf
korf - lot    
roskam - vlot    

Voorts is het bekend, dat: ei altyd als ai wordt uitgesproken bv. in heil, peil, zeil, rein, enz.
verder;
in alle woorden waarin men den tweeklank ui niet als oe uitspreekt geeft men er den klank van uu aan:
als in kruis, juist, schuinsch, sluis, geluid, gedruisch, kuisch.
De ie geeft men byna altyd het geluid van ei bv. in bier, zien, wiel, ziel.
En de ei den klank van ai in heilig, veilig, weinig, rein.
Voorts spreekt men de y als ie uit in myn, zyn, by, my, hy.
Uit deze vorenstaande woorden lysten, kan men nu eigenaardig, eenige volzinnen, gesprekken of zamenspraken opmaken.
Ik wil hier eenigen laten volgen, ten einde het tweede lid der vrage te beantwoorden, om nl. door naïve, of uitgekozene voorbeelden een en ander op te helderen. Zie hier dan eenige weinige derzelve.
Beppe.
N° 1. Knellies! as doe dat vlúiken neit letste, den zelk di! foi wat bist doe lelk! – Ook heste dien hozen en boksen ja voel.
Knellies! ja Beppe, maar ik hebbe ook teurf van de beune of haalt.

Peiter.
2. Wat scheelt die Knellies! doe kikst ja zoo lelk; heste weer koeskellen?

Knellies.
Nee! ’k heb kopzeerte; ik bin een beetje kepot.

Peiter.
Zul ’t ook mit die op de messels of roodhond aangaan? Ik leuve, dat doe ook te veul in de kolde lopste en ook te veul proemen etste, doe moust in hoes gaan heurste!
3. A. Hest doe dat klontjeschutteltje stukken broken brúir! ik leuve ja; – hou kikste mi anders zoo grel an?
B. Doe lakste weer, doe hest zuls daan, en wilt mi de schult geven.

Knelskemui.
4. Loeks (Lukas) joen baide oldste zeuns bin al haast wassen, hou old bin ze al?

Loeks.
´k weit van boeten neit krek ´t stait in onze Bibel aanteikent, doch wat zeg i van onze luttjeste wigt, gruit dat neit goud an?

Knelskemui.
Ja, ken ’t al prooten?

Loeks.
Het begunt er mit, en ’t lopt al allein deur ’t hoes.
5. Is disse botter di nou zold genog? pruif ze rais bruir?
6. Hemwe nou niks gein teurf meer in hoes?
7. Hou staan joen eertje baijen?
8. Heije ook veul albeeren, proemen en karsen?
9. Waar krieg i joen vlais (vleis) van, van de jeude of slagt i zeuls?
10. Wel hetter guster west?
11. Heye joen heui al in hoes?
12. Waar gaiste hen?
Antwoord om bosschup.
13. Veur wel.
Aw. veur de koeper na de schoumaker.
14. Wilt doe mi wat snoef mit brengen in mien deuske? van dei gunderste jeude dei daar bi dei snikkevaarder woont?
15. Ken ’t ies al hollen?
Aw. ja gaiste mit op scheuvels, of zol wie mit dei schoefsle hen; maar als ’t rais brekt? –
16. Tou joust (of jonst?), doe moust na schoul – of wilte leiver in hoes bliven?
Nee memme, ik wil geern na schoul.

Memme.
Tou dan maar, loop gauw hen heurste, want daar wordt al ludt.

Hierby een Lyst van woorden, in onze Gemeente in gebruik, vooral in de dagelyksche verkeering, en welke woorden, in de hedendaagsche gedrukte geschriften niet voorkomen.

A    
Aansch - styfzinnig.
Altmangs - altemets, somtyds.
B    
Bossem - schoorsteenmantel
Brug - Boterham
Buiten - vuurstoken
Borrel - vlesch (waarschynelyk van borrelen)
Beun - zolder
Buuts - zak in den rok enz.
Betuun - schaarsch
Batsch - pronksch.
D    
Doen - Dronken.
Dryg - strekzaam.
Drammen - op eene onvergenoegde wyze aanhouden.
Dost - (doffe o) vuile korst.
E    
Eelsch - aanhangend, aanhalig
Eiber - ojevaar
Filet - anjelier
Feng - vinnig, streng bv. fengkoud.
G    
Goen - eenigen. bv. hebt gy nog goen (eenigen)
Galpen - huilen
Gralen - luidruchtige vreugde.
Grommelen - Donderen
Glent - gloeijend.
Gobbelen - (doffe o) in beweging brengen, n.l. eene vloeistof.
Grizelen - weinig van.
Gril (gral) - helder, verwilderd.
Gengelen - traag voortgaan, ledig loopen.
Gloepen - duister- stuursch gelaat.
H    
Holdert - rusttyd - gedaan werk,
Hennebei - flamboos
Hammerik - nieuw aangebouwd gehucht of dorp
Hemmelen - schoonmaken
J    
Jentig - Net, gemakkelyk ligt.
K    
Kuijeren - zacht wandelen.
Knibbel - Zeer weinig.
Kibig - gezwind.
Krap - (bywoord) naauw, b.v. het komt krap om. Doch weiland gebruikt dit ook
Keuveren - aanwinnen.
L    
Lakkeris - Drop.
Loeg - doop.
M    
Mank - gemengd, b.v. er is garst mank de haver.
O    
Onnuur - morsig.
P    
Poesten - blazen.
pratten - pruilen.
R    
Ragchen - schelden.
S    
Stoer - moeyelyk.
Schra - onvruchtbaar ook behoeftig.
Schens - Takkebos.
Steukelen - stoken
Stoet - grezen brood van fyn meel.
Sloppen - (sloffen) muilen.
Smik - vlek, b.v. er is een smik op 't schrift.
Scheuvels - schaatsen
Snok (heldere o) - hik
Spril - wild, schrikachtig.
Snir - bits, scherp.
Slank - vlug, los, buigzaam.
Slok (heldere o) - slap, ongekruid, mak, eemvoudig.
T    
Tuimig - ledige tyd.
Til - brug.
Telder - tafelbord.
Tugen - zonder schade b.v. hy kan 't wel tugen.
Toek (tuik) - zie feng - hy werkt hy loopt toek.
Tirrel - korselhoofdig, ligt geraakt.
Tongelen - zeven, ook by lastige beweging in het dragen (het tongelt my)
Tessel - kiesch, in spys en drank.
V    
Vurg - ploegvoor.
Verzwinden - verdwynen
Verheerd - verschrikt.
Vonder - plank over eene sloot.
W    
Wrenschen - brieschen.
Wranterig - verdrietig.
Wuir (tweeklank) - bezigheid, gewoel.
Z    
Zwang - gebruik.
Zigen - togt.
Zwilk - eelt.

Zie daar! Zoo wat in het kort, de taal in ons dorp gebruikelyk voorgedragen.
Ik zou nu nog eenige vreemde woorden, welke nu en dan gebezigd worden, ofschoon ook wel eens te onregt, hebben kunnen opnoemen, doch, dit zou welligt al te wydloopig worden, weshalve ik liever hiervan zwyge.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

a. Karakter.
In deze vrage voor den menschenkenner, belangryk niet minder voorzeker ook voor iederen onderwyzer. Trouwens! welk een belang heeft hy er niet by wanneer hy de inwoners van zyn dorp regt kent! wanneer hy er, de deugden en de gebreken van naby weet. – Hoe komt hem zulks regtstreeks in den dagelykschen omgang te stade – of ook, hoe veel onheil, tegenkanting, botsing kan hy daar door vermyden of voorkomen! – maar wat nog van meer belang is; hoe leert hy daardoor ook niet, in zyne school zich met wyze omzigtigheid te gedragen! Weet gegevene of genomene ergernis te vermyden.
Is deze kennis zo van belang, zy is tevens niet minder moeijelyk. Eene veeljarige ondervinding is misschien nog niet in staat naauwkeurig de levenswyze gade te slaan, en gegrond daaruit het byzonder karakter af te leiden. Immers wanneer zich alle menschen vertoonden, gelyk zy waren, dan zou het minder moeijelyk zyn, het karakter uit te vorschen; maar de ondervinding heeft my geleerd, dat vele menschen zich geweld aan doen – om hun byzonder karakter te verbergen en daden begaan, die tegen hunne hartstogten stryden.
Dat is, de menschen vertoonen zich, in het algemeen geheel anders, dan zy inderdaad zyn, en die hen naar hunne uiterlyke vertooning, zonder eenig nader onderzoek, beoordeelt, vindt zich dikwyls genoeg bedrogen. Uit dien hoofde is het noodzakelyk, dat men zoo wel het bedriegelyk, als het ware kenne. Evenwel wil men toch gaarne toestemmen, dat er nimmer een volk bestond, dat ook geene kwade menschen in zyn midden kende. Maar hoe schoon, hoe aangenaam is het echter, indien in het algemeen van een volk gezegd kan worden, dat het braaf is; hoe schoon, indien eenvoudigheid, matigheid, eerlykheid, naarstigheid, gastvryheid onder deszelfs hoofddeugden kunnen gerekend worden – Het is waar – de aarde zou een hemel zyn, indien de zuiverder genoegens de verkeering, liefde en welwillendheid, indien onze teedere verbindtenissen met edele menschen, onze vrolyke uren, onze gemeenschappelyke vereeniging van harten, en zelfs de lust tot onze beroepsbezigheden, door de tegenwoordigheid en den invloed van booze menschen niet gestoord en soms verbitterd wierden. –
Het goede is, volgens deszelfs geheele inwendige natuur, iets zoo eenvoudigs, zoo beminnenswaardigs en zoo goddelyks, dat het de menschen, zelfs zonder dat uitwendige geluksgoederen daarby komen, tot de alleraangenaamste verkeering kan vereenigen. Maar waar mengt zich het kwade er niet onder! en vermelt de schoonste bloesems en vruchten, die zich de brave door edele bezigheden verzameld had – of voorstelde.
Waarheen wy zien, ontmoeten wy liefdelooze, ondankbare, geveinsde kruipende, arglistige en bedriegelyke menschen, aan welke wy ons vertrouwen niet schenken kunnen, en die, reeds door hunnen aanblik ons hart belemmeren en deszelfs liefderyke uitboezemingen stuiten. – In weerwil van al onze goedhartigheid, moeten wy jegens zulke menschen achterhoudend zyn, en uit toegevendheid, of ook uit zorg voor ons geluk en uit toegevendheid, of ook uit zorg voor ons geluk en uit wereldkennis, onzes ondanks, een voorkomen aannemen, hetwelke ons mishaagt en met ons natuurlyk karakter geenszins overeenstemt.
Dikwyls moeten wy in de wereld verschynen met een kleed, dat het onze niet is, en het welk wy in derdaad verachten.
Moeijelyk is het; gelukkig over dezen Oceaan te stevenen, zonder tegen de duizenden klippen te stooten; ja den edelen en regtschapen man bloedt dikwerf genoeg het hart, wanneer hy buiten zyne schuld dien weg gaan moet. Doch deze wanorde en verwarring hebben reeds van ouds her, plaats gehad; zoo zelfs, dat menig braaf man, soms de hoop verloor, om ze verminderd, ik laat staan, geheel uit den weg geruimd te zien.
Door alle tyden heen, heeft op deze wereld, goed en kwaad, op de zonderlingste wyze, met elkander afgewisseld, en soms zich zoo ontzettend vertoont, dat zelfs het bedaardste verstand zich in zulk eenen toedragt van zaken niet langer wist te vinden.
Gelukkig echter hy, wanneer het van buiten stormt, wanneer de gemoederen tegen elkander worstelen en stryden, die gene, de betere mensch, die het huisselyk gelyk in de aangename verkeering met dezynen, mag smaken.
Of in de verkeering met enkele goede menschen, hetwelk zyne verdienstelyke en voor anderen weldadige werkzaamheden, hetwelk veredelde uitspanningen en de zuivere harmonie, die hem met al de zynen vereenigt, hem verschaffen kunnen. – Dit huisselyk geluk, deze zuivere blygeestigheid, blyft ook dan nog, wanneer wederwaardigheden en kwade luimen ons vervolgen en kan eigenlyk nooit verloren gaan, wyl het by alle betere menschen uit het hart voortkomt en op de reinheid van zeden onmiddelyk gegrond is.
Dat zoodanig genoegen velen in ons dorp moge ten deele vallen of werkelyk genieten, is de hartelyke wensch van hunnen onderwyzer.
b. Levenswyze. Zeden en gewoonten.
Deze is zeer verschillende in ons dorp, ik zou kunnen zeggen
1) beschaafd en ook niet beschaafd
2) eenvoudig en ook grootsch.
Neigingen, begeerten, driften, die met zelf behoud in verband staan zyn het werk der natuur.
Maar wat wordt nu de mensch? dat gene wat hy worden kan of wil.
Het is toch waar, daar de menschen in Maatschappyen leven, wordt toch altyd door onderwys en opvoeding eenige beschaving mede gehaald, hoe onbeduidend die dan ook wezen moge. Doch deze beschaving, of de beschaafde levenswyze zal zeker ook betrekkelyk zyn, en kan grootelyks verschillen in aard, mate en uitgebreidheid.
Tusschen de grootste eenvoudigheid, en de hoogste verfyning der kunst zyn zeer vele verscheidenheden.
Zoo is dan de levenswyze in ons dorp nog al zeer verschillende.
Zeker aangenomene begrippen en gebruiken van heerschende meeningen in dezelve – zyn by dezen geldend, terwyl zy by genen voor onbeschaafd worden gehouden, doch laat ik meer tot de byzonderheden overgaan.
a. Wyze van opstaan.
De nyvere landman staat des morgens vroeg op. – Zoo is by den Zomertyd meestal ieder een des morgens te 4 uren op de been. – Zeer dikwyls is de boer zelf, de eerste. Des winters 1 a 2 uren later. –
Middelbaar genomen durf ik den tyd van opstaan wel bepalen, in den Zomer op 3 a 4 uren en des winters te 6 uren.
b. Van ontbyten.
Na dat het werkvolk des zomers de melk der koeijen gehaald heeft, dat meestyds te 5 uren gedaan is – neemt het zyn ontbyt en gaat alsdan aan het werk. Sommigen hebben echter ook de gewoonte om te 7 a 8 uren het ontbyt te nemen, doch ook dan slechts wanneer de werklieden na by de woning bezig zyn. De boer zelve met vrouw en kinderen, eet wel eens wat later, doch velen ook te gelyk met zyne dienstboden.
Dit ontbyt besaat uit bry, van gort uit gerst gemaakt, en in karnemelk gekookt; benevens grof roggen brood.
Meestal neemt de boer zynen boterham met koffy.
c. Van Middag eten.
Gelyk de landman des morgens vroeg eet – zoo neemt hy ook weder des middags zynen maaltyd by tyds – Dat is, te 12 uren moet ieder aan tafel zyn.
Dit middagmaal bestaat vooral uit wel gaar gekookt en zeer vet eten, rykelyk voorzien van Spek; vooral des zomers, in den winter gebruikt men meer vleesch.

aardappelen  
wortelen  
knollen  
zoete appels  
kool  
graauwe- en groene-erwten  
paardeboonen met aardappelen vermengd.


Pannekoek – Deze allen zyn de gewone kost des landmans en ook nimmer meer dan één gerigt.
d. Avondeten.
Des avonds te 6 uren (tw. des zomers), is het weder etenstyd. Ook dan is het gedaan werk. Des winters eet men 7 uren (precies) die na 7 uren komt – krygt niet.
Weder gelyk des morgens, eet men nu bry – somtyds hierby nog wel eens aardappelen – veelal met de schil gekookt. –
Zoo heb ik den tyd van eten bepaald, en te gelyk de meest gebruikelyke spys opgegeven, doch de boer zelve, heeft ook al van tyd tot tyd geleerd, wat ook goed smaakt, en neemt nu en dan ook nog wel eens eene versnoepering.
e. Van bedgaan.
Gewonelyk en byna algemeen te 8 a 9 uren. Doch hierin is sedert de laatste jaren, niet zoo stipt orde gehouden, dan wel in vroegere jaren. Voor heen durfde geen knecht of meid na dien tyd of zelfs (vooral des winters) na 7 uren te huis komen.
Echter schynt de ligtzinnigheid der jeugd ook hier en daar toe te nemen, zoo dat hier onder ook zyn, die wel eens na bovengenoemde tyd te huis komen, vooral by kermissen of op feestavonden.
Sommige boeren, houden hunne onderhoorigen beter onder bedwang en gedogen zulks niet. Jammer, dat dit niet allen doen!
f. Vermaken en uitspanningen.
Het zal overtollig zyn hier te filosoferen welk soort van vermaak zich de landlieden verschaffen.
Zeker is hun vermaak grof-zinnelyk, sommigen echter uitgezonderd.
Elk vermaakt zich toch op zyne wyze, en wanneer dat vermaak tevens onschuldig is, wie zal het dan wraken!
Des winters geniet de landman eenige uitspanningen; en zyn deze geoorloofd, wie zou hun dezelve niet gunnen na hunnen zuren arbeid?
Vooral moet hier onder gerekend worden het ysvermaak.
Voorts zou men onder de vermaken ook kunnen tellen, de kermissen en de verkoopingen van losse goederen.
Op Zon- en feestdagen, by de verwisseling des jaars, zoekt elk ook nog al eenige uitspanningen; doch meestyds eenvoudige en min kostbare.
Ik voor my geloof, dat er geen dorp in het Koningryk der Nederlanden is, waar men minder te zamen komt, alleen met het oogmerk, om uitspanningen of vermaken te genieten.
Daar het menschdom ligt tot uitersten overgaat, en, daar vooral de minder beschaafde, ligt buitensporigheden kan begaan, zoo heb ik my dikwyls verblyd, wanneer ik mogt opmerken, dat, terwyl in andere dorpen een ieder op de been was zich te vermaken, of uitspanningen te nemen; te Blyham elk naarstig by zyn werk bleef, of stil met de zynen rondom den aard, met elkander zacht keuzelen.
g. Wyze van bezoeken.
Heerschen overal gebreken, voor zeker ook in de wyze van elkander te bezoeken en dit byzonder ook in eene land gemeente.
Is de wintertyd de algemene rusttyd der landlieden; zyn de avonden nu zoo lang; en heeft men geen pleisier, om zich in een’ of ander wetenschappen te oefenen, hoe zal men dan die langen tyd doorbrengen, zonder zich te vervelen. – Van hier dan, dat men elkander des avonds gaat bezoeken.
En waartoe, of hoedanig zyn deze byeenkomsten ingerigt?
My dunkt ik oordeel niet te hard, wanneer ik zeg, enkel om te eten of te drinken, of als ik my ook eens mag uitdrukken, om den kostbaren tyd te vermoorden.
Ik zelf ben maar al te dikwyls ambtshalve genoodzaakt, deze byeenkomsten te moeten bywonen. Men wil toch gaarne den meester ook eens in hun midden zien en goed onthalen.
Wanneer het hier ter plaats ware, dan zou ik uit eigene ondervinding over de inrigting dier bezoeken, over de onderlinge gesprekken, enz nog wel een geheel boekdeel kunnen schryven. Hoe is het mogelyk, heb ik my in myne jongelingsjaren wel eens afgevraagd, dat de menschen zulk eenen geheelen avond het gesprek levendig houden? Welk een schat aan Kunde wordt er niet vereischt om zoo lang het gesprek levendig te houden? ten minste aangenaam en nuttig bezig te houden? maar! –
h. Tafel.
Deze hoe eenvoudig over het algemeen, is in de avondvisites, nog al wel voorzien; doch meestal met eigene producten.
Wyn wordt op dezelve niet gevonden, een glas bier moet denzelven vervangen.
Over het geheel genomen zyn de menschen by ons zeer gastvry, vriendelyk en gul. Onthalen hunne vrienden, bekenden of naburen op het vriendelykst en kennen byna geen grooter genoegen, dan elkander eens fiksch te vergasten, dat is, goed op te disschen.
Heeft nu iemand goede eetlust; is hy gezond en sterk, dan kan hy zynen gastheer byzonder genoegen doen, door eens zyne maag regt te onthalen.
i. Gebruiken by het trouwen en by begrafenis plegtigheden.
Voor henen gaf men groote maaltyden by het voltrekken van huwelyken; welke byeenkomsten in de gemene Volkstaal Winkoppen werden genoemd. Eens heb ik zoodanigen bruiloft bygewoond, waar meer dan 200 menschen aan tafel zaten.
Tot laat in den nacht – ja zelfs tot den anderen dag werden deze byeenkomsten uitgerekt. Thans zyn deze bruiloften geheel vervallen. Echter gaat men aan den anderen kant weder tot uitersten over by de begrafenisplegtigheden en dat eigenlyk minder gepast, minder welvoegelyk is. Zoo moest ik nog voor korten tyd ambtshalve eene begrafenis bywonen, waar 150 menschen tegenwoordig waren. By deze gelegenheden, is thans de tafel voorzien, gelyk eertyds by huwelyksfeesten:
Hoe geheel te onregt!
De naastbestaanden, tot de overledene moeten niet alleen ontzettende uitgaven doen, maar welk eene moeite, welke een’ last halen zy zich op den hals! Hoe verstrooid, hoe verwilderd moet niet de ziel zyn by zulke gelegenheden, waar by men toch tot ernst – tot diep nadenken laat staan, tot weemoed behoorde gestemd te wezen.
By deze begrafenissen moet de onderwyzer der jeugd, de liefde gaven voor de armen inzamelen. Des middags te 12 uren moet het lyk op het kerkhof wezen.
Iedere gilde, moet volgen, en 12 personen, dat is uit de naburen moeten het lyk ter aarde bestellen.
Telken jare op Pinkster maandag komt men by een, om de boeten der nalatigen, in deze zaken, te vereffenen. –
Van goeder hand heb ik vernomen dat onze wyze Regering, middelen zocht te beramen, ten einde het begraven, en de begrafenissen zoo veel doenelyk te vereenvoudigen.
Veel zou hier in kunne verbeterd worden, doch voor de byzondere armen, zal zulks misschien nadeelig worden.
Ten minste ik heb by die ontzagchelyke groote begrafenissen, zeer dikwyls, 30, 40 ja tot ƒ 100 gulden voor de Diakony ingezameld. –
Kan met dat nu vergoeden, terwyl men tevens minder onkosten, minder moeite daarstelt, dan zal alleszins de maatschappy hiervan de beste gevolgen eerlang ondervinden.
2° Gewoonten van allerlei aard
Hieronder breng ik
a Kraamvisites
b Doopmalen.
Beide deze gewoonten houden nog meer of min stand, maar zyn sedert de laatste jaren aanmerkelyk verminderd of geheel vervallen.
Sommigen, vooral de meer gegoede lieden, houden de eerstgenoemde nog aan de hand.
Ik hoop, en geloof ook, dat eerlang beiden geheel zullen vervallen.
Welligt zou ik na ryp nadenken nog wel deze of gene gewoonten kunnen opnoemen, doch ik moet ter eere van onzen verlichten Predikant, hier openlyk betuigen, dat gedurende Zyn Wel Eerw: verblyf aan onze plaats vele gewoonten geheel zyn afgeschaft, en vooral de meest schadelyke, terwyl vele goede gewoonten daarvoor in plaats zyn gekomen.
l. Inborst-denkwyze.
In onze betrekkingen en werkzaamheden zyn my gewoonlyk door eene menigte menschen omringd, welke wy, willen wy verstandig handelen, zoo moeten nemen als zy zyn, maar niet beschouwen, zoo als zy behoorden te wezen.
Men merkt toch overal op aarde, het gebrek aan wereld kennis, en ook inzonderheid zulke menschen, die door eene rekenkundige eigenbaat beheerscht worden. –
Misschien is de eigenbaat nog blinder, dan de liefde: men had haar even als deze, geblindhokt moeten afbeelden; want ofschoon zy soms loos genoeg is om zich te verbergen, ten einde gehoopte voordeelen nog te vergrooten, kan zy nogtans elk oogenblik misslagen begaan tegen de omzigtigheid, en om een klein gewin, de eerste regels der behoedzaamheid vergeten.
Deze misslagen springen dan vooral in het oog, wanneer verdienstelyke mannen dezelve begaan, en wy niet begrypen kunnen, hoe zoo veel beminnelykheid van karakter, zich met zoo veel, dikwerf inderdaad lagen hebzucht paren kan.
Maar wat zal men doen.
De gemoedszwakheden zyn zeker ontelbaar, en hier vertoont de mensch zich, zelfs by uitnemende talenten, meestendeels in zyne gansche nietigheid.
Besluiteloosheid en versaagdheid, onnoodige vrees, te veel genegenheid, vertrouwen en openhartigheid, of ook te ligt gaande gemaakt wantrouwen voor, op en jegens anderen; te groote goedaardig- en weekhartigheid, gebrek aan zelfsbeheersching en kracht om zyne zinnen meester te blyven, vadzigheid en traagheid, aandoenelykheid en dweepery, onbestendigheid en te veel toegeeflykheid, geduld en ongeduld, ligtzinnigheid en overhelling tot toorn en kwade luimen, geneigdheid om anderen te belasteren, of ook om zich door anderen blindelings te laten leiden en besturen; al deze en zoo vele andere karaktertrekken zyn kenmerken van de zwakheid van de menschelyke ziel, en wy onderwyzers doen, gelyk ieder mensch, met betrekking tot dezelve, best behoorlyk in de verkeering met anderen om te zien, zoo wy niet met ons zelven in stryd, met onze medemenschen in twist geraken, en ontelbare misslagen begaan willen.
Aangenaam is echter het gevoel en uitnemend het genoegen, wanneer men met regt het goede mag betuigen wanneer men ofschoon geen hoogen trap van beschaving bespeurende – echter geloof (al is het dan ook werktuigelyk) vele stille deugd en vertrouwen op of aan de voorzienigheid opmerkt.
De inwendige kracht van den eenvoudige landman is door het veel weten en veel genieten niet gesplitst of verzwakt geworden, gelyk by den meer beschaafden wel eens het geval is. –
Gene ziet derhalve de tegenheden met gerustere blikken aan; hy wordt er niet zoo sterk door getroffen,als deze; hy kent zulk eene menigte bittere ervaring niet, als de fyner beschaafde, wegens zyne groote aandoenlykheid; daarom is hy ook onder den last der onaangenaamheden, vryer moediger en minder egoïst gebleven; ook verbeeldt hy zich niet, dat het noodlot hem boven andere bevoorregten en byzonder gunstig handelen moet; maar hy denkt ik ben een mensch en sta voor allerlei wisselvalligheden bloot. Hy vit derhalve minder op de wegen der voorzienigheid, en neemt die, zoo als zy loopen, zonder zich in nuttelooze twyfelingen over een hooger wereld bestuur, het stokpaardje der meest eigenwyzen, te verliezen. Wegens deze rigting en vastheid van karakter en denkwys, leeft hy te midden der wisselvalligheden van dit ondermaansche, getrooster, bedaarder en opgeruimder, dan de veelzydiger aandoenlyker en eigenwyze maar des te klein gelooviger beschaafde mensch met het geloof aan zyn helder verstand en hooge verdiensten. –
Met een byzonder genoegen kan ik hier nog laten volgen, dat vooral ook onder de jonge boeren, zeer vele tamelyk kundige en zeer geschikte en redelyk denkende menschen zyn. Menschen, die hunnen even mensch gaarne helpen, bescheiden, vriendelyk, nederig en dienstvaardig zyn, meer te vreden met gemeentelyk en landsbestuur en inschikkelyker dan wel de meer andere – die nog zoo geheel van den ouden stempel zyn.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Het kan zeer wel zyn, dat er nog deze en gene byzonderheden zyn; doch wie vallen dezelven zoo in de gedachte?
Eenige byzonderheden uit den ouden tyd worden er nu en dan nog wel eens verhaald, b.v.
Dat vier boerenplaatsen, het heem genaamd, dat zeker nu nog 70 a 80 duizend gulden waardig is, eertyds voor één ton boter verkocht zou zyn. – Ook dat in ouden tyd op het land van de Heer H.E. Everts, eene burgt gestaan heeft; met grachten en wallen en eene ophaalbrúg bewoond door een heer Dykhuis genaamd, die naderhand zyn verblyf heeft genomen in de Oudeschans. – Insgelyks verder Noordwaarts op het land van E. Bruggers.
In de lange winteravonden spreekt men ook nog gedurig van spook verschyningen uit voormaligen tyd, doch, omdat ik gedurig hier tegen opkom, zwygt men meest al in myne tegenwoordigheid van die ontzettende gebeurtenissen. Evenwel is het gros der menschen, hiervan op verre na nog niet genezen. –
Byzonder geloven velen nog aan Voorloop. Sommigen beweren zelfs, zoodanige verschynselen zelve ontmoet te hebben. - Anderen stellen, dat nog hier en daar iets vreemds zich vertoont, en zwakke bygeloovige lieden kennen nog byzondere plaatsen waar zy, buiten noodzaak in den donkeren avond zich nimmer zullen begeven. Aan heksen gelooft men niet zoo veel meer dan voor 25 jaren.
De verlichting toenemende verdwynt allengs zulk soort van gespuis; aangezien hetzelve het licht schuwt en zich over de grenzen naar het Munstersche begeeft, alwaar het eene veiliger verblyfplaats heeft.
Voor het overige zou ik niet veel byzonders meer kunnen opnoemen. Welligt is er nog wel het een en ander, doch ook van zoo geringe beteekenis, dat het der moeite niet waardig zal wezen zich daarmede onledig te houden. Van de vele herhaalde doorbraken heb ik reeds gewag gemaakt.
Zie daar nu deze zeer onderscheidene vragen zoo wat ter loops, en naar myn vermogen, beantwoord.
Men verschoone het oppervlakkige in dezelve; ik heb naar myn beste weten gehandeld; waar van ik niet genoeg met zekerheid wist, zulks doorgaans te kennen gegeven. Andere stukken, die my ofschoon belangryk – echter wat teeder voorkwamen, ook omzigtiger behandeld. De menigvuldige fouten en in styl of taal gelieve men gunstig te verschoonen, denkende, dat ik in myne snipperuren, en dikwyls onder andere bezigheden heb moeten werken.
Wanneer echter, deze of gene stukken niet volledig genoeg mogten zyn beantwoord, zoo als onder anderen, over de kruiden en planten, waarvan ik eerst voornemens was eene meer volkomen lyst te maken, en deze wel verdienen, nader ontwikkeld, of duidelyker beschreven te worden, men geve my zulks slechts te kennen, en ik hoop als dan op nieuw, daar over andere bydragen te leveren.

Blyham
in October (get) H. Huizingh Sikkens
1828.