Zoek op de website

Hoe de boekerij van de Grunobuurt zich tot een jeugdbibliotheek ontwikkelde

Het kantoor van Woningbouwvereniging Gruno, Grunostraat 1, circa 1925 (2437-713) Het kantoor van Woningbouwvereniging Gruno, Grunostraat 1, circa 1925 (2437-713)

Op 3 oktober 1929 opende in het kantoor van de woningbouwvereniging Gruno, op het adres Grunostraat 1, een “correspondentschap” van de Openbare Leeszaal en Boekerij Groningen. Uiteraard ging deze opening gepaard met enige toespraken door autoriteiten van zowel Gruno als de OLBG. Jozef Cohen, de directeur van de Leeszaal aan de Vismarkt, verzorgde in het Grunokantoor bovendien een kleine tentoonstelling van boeken over flora en fauna, die 150 bezoekers trok.

Naar de definitie van Marten G. Buist, die de geschiedenis van de Openbare Leeszaal beschreef, was zo’n correspondentschap “een plaatselijke club van leden van de OLB Groningen die een wisselcollectie ter beschikking kreeg”. In dit geval organiseerde Gruno de uitlening. Dat een Groningse woningbouwvereniging zich hiermee bezig hield was niet nieuw, want al in 1917 kreeg de Maatschappij tot Verbetering van Woningtoestanden een dergelijk correspondentschap in haar gebouw aan de Bedumerstraat, een voorbeeld dat elders weldra navolging vond. Bij de Maatschappij kwam de boekerij er op voorstel van de idealistische architect Bonne Kazemier. Hij was tevens de huisarchitect van Gruno en speelde een bemiddelende rol bij de totstandkoming van het bibliotheekje in het Grunokantoor.

Voor Gruno lag het belang bij een dergelijke voorziening in haar beschavende karakter. “Het leezen van goede lectuur is van groote opvoedende waarde en verruimt de geestelijke visie”, zo motiveerde Gruno in haar jaarverslag over 1929 de komst van de boekerij: “Wij wekken alle bewooners op een ruim gebruik van de bibliotheek te maken”. Vooral in de jaren 30 maakte Gruno er voortdurend reclame voor. Zo bevatten haar jaarverslagen, die ook naar alle leden gingen, uitnodigingen om “onze uitlening met een bezoek te vereren”. Verder liet Gruno folders in de buurt bezorgen, om vooral nieuwe bewoners op de voorziening te attenderen. Voor het laatst gebeurde dit in 1956 samen met de christelijke woningstichting Patrimonium, die inmiddels ten zuiden van de Parkweg flink wat woningen had gerealiseerd.

Voor de OLBG lag het belang bij de correspondentschappen in leesbevordering. Omdat er bij de mensen in nieuwe wijken nogal wat drempelvrees bestond wat betreft de Leeszaal aan de Vismarkt, wilde men de boeken naar die mensen brengen. De correspondentschappen in de volkswoningbouw vormden bovendien een mooi opstapje om te komen tot filialen. Volgens Buist was samenwerking met de woningbouwverenigingen tot 1964 “de enige mogelijkheid” voor spreiding van de lectuurvoorziening over de stad.

In de Grunobuurt promoveerde het correspondentschap in 1935 tot een filiaal. Omdat het boekenmagazijn hier na de oorlog erg krap bemeten bleek, verhuisde dit filiaal in juli 1947 naar het speeltuingebouw van de Grunobuurt in het Stadspark. Toen ook hier ruimtegebrek ontstond, bleek de oplossing een nieuw onderkomen aan de Invasiestraat in Corpus den Hoorn. Dit nieuwe filiaal opende zijn deuren in mei 1960. Hoewel de verplaatsing met “grote opluchting” begroet werd, betekende ze wel het einde van de boekerij in de Grunobuurt.

Tot zover de uitwendige geschiedenis van de voorziening, nu de inwendige: het interieur, de boekencollectie, het personeel, de openingstijden, de leden en de aantallen boeken die zij leenden.

Interieur en boekencollectie

Zolang de boekerij in het Grunopand zat, konden de leden niet zelf bij de boeken. In een ‘uitleenruimte’ bepaalden zij hun keuze aan de hand van een catalogus, en die keuze gaven ze dan via een luikje door aan het personeel, dat de boeken uit het magazijn haalde. In 1940 verving Gruno het luikje door een brede toonbank, wat al een veel opener indruk gaf. Een geheel open opstelling kwam er echter pas met de verhuizing naar het speeltuingebouw in 1947. Voortaan mochten de leden zelf in de kasten neuzen, wat vooral kinderen graag deden. Bovendien kwam er een tijdschriftenhoek, met aanvankelijk zo’n vijftien algemene, populairwetenschappelijke, en damestijdschriften. Met name de wat oudere jeugd zat hier graag aan de leestafel.

Van de eigen boekencollectie moeten we ons geen overdreven voorstelling maken. In ruil voor de 100 lidmaatschappen die Gruno in 1929 afnam, kreeg ze van de OLBG de beschikking over een wisselcollectie van 100 boeken. Helaas is de catalogus (prijs 3 cent) van deze voorraad niet bewaard gebleven – de lijst gaf vast vast een mooie indicatie van wat men geschikt vond voor de lezers in de Grunobuurt. “Met de beschikbare werken kan over het algemeen wel aan de vraag worden voldaan”, constateert het OLBG-jaarverslag over dat jaar. Voor de veeleisende lezers lag er naast de eigen catalogus nog een van de Leeszaal aan de Vismarkt, waaruit men boeken kon bestellen. Wel misten de buurtbewoners jongens- en meisjesboeken, en daarom kwam er eind 1930 nog een kindercollectie bij.

Pas vanaf 1948 geven de jaarverslagen opnieuw zicht op de grootte van de Gruno-boekerij. Dat jaar ging het om 667 boeken, een aantal dat men als veel te gering ervoer. In 1956 bleek dit aantal gegroeid tot 2820, dus het viervoudige, onder andere dankzij Gruno, dat in 1952 (en andere jaren?) het filiaal 1000 gulden voor de aanschaf van boeken schonk. Vanaf 1956 trad er echter stagnatie op. Vooral in de zomermaanden, als er weinig uitleen was, puilden de kasten uit en voor het eerst is er dan in OLBG-jaarverslagen sprake van de afvoer van (afgelezen) boeken. Overigens droeg ook een veldmuizenplaag in 1957 hieraan bij – de beestjes veroorzaakten nogal wat schade.

In de bovenstaande grafiek is de ontwikkeling van de Gruno-collectie tussen 1948 en 1960 weergegeven. Vanaf 1950 bevatten de jaarverslagen tevens de aantallen kinder- of jeugdboeken, en vanaf 1952 onderscheiden ze bovendien de categorieën romans en studie. De jeugdboeken vormden steeds de grootste categorie, op korte afstand gevolgd door de romans, maar juist in deze categorieën trad medio jaren 50 de stagnatie op, terwijl het aantal studieboeken voortdurend bleef toenemen. Die uitbreiding van de non-fictie en populaire wetenschap ten koste van de andere categorieën was een beleidskeuze, die wellicht inspeelde op een vormings- en opleidingsbehoefte bij het publiek.

Personeel en openingstijden

Van meet af aan was het de bedoeling dat de OLBG de boeken in het Gruno-kantoor geregeld zou verversen. Een opmerking in het Gruno-jaarverslag van 1932 duidt er echter op, dat dit niet vaak genoeg gebeurde. Ook aanvragen voor boeken uit de centrale Leeszaal bleven wel eens te lang liggen. Een oorzaak lijkt te zijn geweest dat het correspondentschap voornamelijk door vrijwilligers van Gruno en haar bewonerscommissie bemenst werd. Met de omzetting van het correspondentschap in een filiaal en de bijna gelijktijdige komst van een professionele OLBG-kracht in 1935, werden de lijntjes met de Vismarkt echter korter, wat het interbibliothecaire leenverkeer bevorderde. Nadien ruimden twee van de drie vrijwilligers het veld, terwijl het aantal assistenten vanuit de OLBG toenam tot drie (1940), wat tot het eind toe ook ongeveer het personeelsbestand zal zijn geweest.

Al dit personeel werkte parttime, want de Gruno-boekerij was maar voor een beperkt aantal uren per week open. In 1930, toen ze nog louter op volwassenen gericht was, ging het om twee uur, namelijk op woensdag- en zaterdagavond van half zeven tot half acht. Eind dat jaar kwamen er nog twee uur voor kinderen bij, op de late vrijdagmiddag. In totaal betrof het dus vier uur. Vanaf 1953 bleek het te gaan om uren op dinsdag, donderdag en zaterdag, hooguit zes uur per week.
Vooral in de oorlog werd er nogal eens geschoven met de tijden wegens verduistering, kolenschaarste en rantsoenering van gas en elektriciteit. In de eerste twee maanden van 1945 ging de boekerij zelfs helemaal dicht, wat bij de bevrijding van de stad, medio april, opnieuw een week gebeurde.
De openingsuren op vooravonden waren in de jaren 50 nogal ongunstig, omdat er in het speeltuingebouwtje ook nog veel andere activiteiten plaatsvonden, waardoor nogal eens wrijving ontstond.

Aantallen leden, volwassenen en jeugd

Zoals gezegd nam Gruno in 1929 honderd OLBG-lidmaatschappen af. Hoe ze deze distribueerde is onbekend. Pas vanaf 1941 vormen de aantallen leden een vast onderdeel van de jaarverslagen. In de onderstaande grafiek zijn die aantallen weergegeven:

Het is jammer dat er voor de jaren 30 geen cijfers zijn, want zo ontbreekt het zicht op de groei die toen plaatsvond. In elk geval is vlak voor en tijdens de oorlog het aantal OLBG-leden in de hele stad sterk gegroeid. Volgens Buist kwam dat door “de avondklok, de verduistering en het verminderen of onaantrekkelijk worden van vertier buitenshuis”. Hierbij moet men bedenken dat ouders hun kinderen ook minder graag op straat lieten spelen. Wat betreft de Gruno-boekerij is het aantal volwassen leden in de eerste oorlogsjaren (gemiddeld zo’n 340) later zelfs nimmer overtroffen. Wel zakte het aantal leden aan het eind van de oorlog behoorlijk in. Buist vermoedt hier een verband met de spoorwegstaking na Dolle Dinsdag. Volgens het OLBG-jaarverslag over 1946 echter, liepen ook meerdere volwassen leden weg naar particuliere bibliotheken, omdat die meer keus boden. Bij de naoorlogse teruggang speelde bovendien een rol dat de openbare bibliotheken geen leesgeld per boek meer mochten vragen, maar alleen lidmaatschappen voor een jaar mochten verkopen. Voor veel leden vergde dat een te groot bedrag ineens.

Buist meent dat het ledental vanaf 1947 weer groeide dankzij de verhuizing naar het speeltuingebouw en de open opstelling daar, maar uit de grafiek blijkt dat er pas weer echte groei was in de jaren 1950-1955. Deze had de Gruno-boekerij voornamelijk te danken aan jeugdleden. Bediende ze voor 1949 vooral volwassenen, nadien is het bij uitstek een jeugdbibliotheek, met tweederde jeugdleden. Hier ligt vast een verband met de nieuwbouw van Patrimonium ten zuiden van de Parkweg, maar ook met de babyboom.

De achteruitgang in de aantallen volwassen en jeugdleden vanaf 1955 lag ten eerste aan de komst van een OLBG-filiaal aan de Van Leeuwenhoekstraat, dus in de nieuwbouw van Patrimonium. Volgens het OLBG-jaarverslag over 1955 lagen beide filialen iets te dicht bij elkaar. Maar qua boekenbezit zat de Gruno-boekerij in het speeltuingebouw ook aan de grens, en de rumoerige andere activiteiten hier zullen de aantrekkingskracht ook niet hebben bevorderd. In 1957 werd bovendien de ledenadministratie gesaneerd met het afvoeren van papieren leden.

Uitleningen

Toen de Gruno-boekerij op 9 oktober 1929 begon met het uitlenen van boeken, bedroeg het leesgeld nog een stuiver per boek per twee weken. Aanvankelijk was de belangstelling vrij groot. De rest van het jaar werden zo’n 80 boeken per week uitgeleend, tegen zo’n 40 per week in 1930. Duidelijk was toen het nieuwtje eraf. In de zomermaanden was de animo om te lezen sowieso veel minder groot en dit werkte natuurlijk ook door in het gemiddelde.

De totale aantallen uitgeleende boeken, zoals die in de jaarverslagen van Gruno en de OLBG staan, zijn in de onderstaande grafiek weergegeven met paarse staafjes:

In het grootste deel van de jaren 30 zal het gemiddelde ongeveer op 2000 hebben gelegen – bij vier uur aan openingstijd per week kwam dat neer op ongeveer 10 boeken per uur. Vanaf 1938 zat het totale aantal uitleningen duidelijk in de lift. Vergeleken bij de crisisjaren bestond er in de oorlog inderdaad, om Buist aan te halen, “een onvoorstelbare leeshonger”. Het jaarverslag van Gruno over 1940 wijdt er ook enige woorden aan: “De tijdsomstandigheden en de lange verduisterde winteravonden hebben er zeer zeker toe bijgedragen tot de gelegenheid om, meer dan anders, een boek ter hand te nemen...”
Het totale aantal uitleningen nam in 1945 en 1946 nog forser af dan het aantal leden. Pas vanaf 1951 worden de getallen uit de oorlog overtroffen, maar medio jaren 50 zette hier dezelfde stagnatie in als bij het boekenbezit en het leden-aantal.        

Vanaf 1940 geven de OLBG-jaarverslagen ook de de categorieën uitgeleende boeken. Hierbij zie je ongeveer dezelfde ontwikkeling als bij de leden, namelijk dat de Gruno-boekerij in de oorlog en de eerste jaren erna nog voornamelijk gericht was op volwassenen, terwijl ze daarna bij uitstek een jeugdbibliotheek werd. Hooguit lag het omslagpunt bij de uitleningen iets eerder, in 1948, zodat je, naast de nieuwbouw van Patrimonium en de babyboom, een verband met de open opstelling van de boeken in het speeltuingebouw kunt vermoeden. In elk geval daalde het aandeel van de romans op de totale uitleen voortdurend: van 69 % in 1940 tot 31 % in 1959.

Terwijl de uitleen van romans en jeugdlectuur in de tweede helft van de jaren 50 stagneerde, nam die van studieboeken juist toe. Deze ontwikkeling correspondeerde met de uitbreiding, destijds, van de categorie non-fictie in de collectie, die ten koste ging van de andere categorieën. Zoals gezegd speelde men daarbij waarschijnlijk in op een vormings- en opleidingsbehoefte bij het publiek. Overigens waren binnen de categorie studieboeken, zoals uit de OLBG-jaarverslagen uit de jaren 50 blijkt, eerst vooral geschiedenis en aardrijkskunde populair. Vanaf 1956 waren de natuurwetenschappen duidelijk in opkomst, een jaar later overvleugelde dat wetenschapsgebied de wetenschappen die eerder de lijstjes aanvoerden. Deze ontwikkeling zou wel eens te maken kunnen hebben met de nieuwe aantrekkingskracht van de techniek dankzij bijvoorbeeld de ruimtevaart.

Tot slot nog iets over het aantal uitgeleende boeken per lezer:

In het begin van de oorlog nam het aantal uitgeleende banden per lezer duidelijk toe, terwijl het daarna inzakte en weer opveerde. In de jaren 1946-1953 doet het aantal onder voor dat in 1943-1944 en daalt het ook nog licht. Vanaf 1953 stijgt het echter voortdurend, tot er zelfs meer boeken per lezer uitgeleend worden dan in het midden van de oorlog het geval was. Dit zal dan voornamelijk te danken zijn geweest aan de studieboeken.

Conclusie

Hoewel de Gruno-boekerij (1929-1960) zich medio jaren 30 ontwikkelde van correspondentschap tot filiaal, met professionele krachten in plaats van vrijwilligers, en ze in 1947 ook een ruimere huisvesting kreeg, bleef haar boekencollectie altijd vrij bescheiden. Zelfs de gemiddeld bijna 2800 banden in de tweede helft van de jaren 50 passen ruimschoots in een modale huiskamer van nu.

Opvallend is de dominantie van jeugdboeken in de jaren 50. Deze hangt ongetwijfeld samen met een omslag die eind jaren 40 in het ledenbestand plaatsvond. Bediende de Gruno-boekerij voor 1949 vooral volwassenen, nadien is het bij uitstek een jeugdbibliotheek, met tweederde jeugdleden.

Bij de uitleningen zien we eenzelfde ontwikkeling, namelijk dat de Gruno-boekerij in de oorlog en de eerste jaren erna nog voornamelijk gericht was op volwassenen, terwijl ze daarna vooral een jeugdbibliotheek werd. Als oorzaken van deze omslag kunnen worden gezien de nieuwbouw van Patrimonium ten zuiden van de Parkweg – die natuurlijk nogal wat kinderen naar de bibliotheek bracht – naast de babyboom en de open opstelling van de boeken, welke vooral voor kinderen aantrekkelijk was.

Literatuur en bronnen