Zoek op de website

3.1 	De Acht Zijlvesten

Links: Hoogtekaart van Centraal Groningen en Noord-Drenthe  Rechts: Veen ter weerszijden van de Hondsrug Links: Hoogtekaart van Centraal Groningen en Noord-Drenthe Rechts: Veen ter weerszijden van de Hondsrug

Om te beginnen kijken we nog eens naar de hoogtekaart van Centraal Groningen en Noord-Drenthe.

Zoals we eerder zagen is het reliëf niet overal stabiel. De pleistocene hoogten liggen vast, daar loopt het water gewoon van af. Maar met het veen is het anders. Zolang het intact is houdt het water vast en wordt de veenlaag zelfs dikker, maar zodra het in exploitatie wordt genomen, droogt het uit en verliest het aan volume. De bodem daalt en daar waar de zee toegang heeft, wordt weer slib afgezet. De lage delen ter weerszijden van de Hondsrug zijn bedekt geweest met een pakket veen van uiteenlopende dikte.

De stad Groningen en Go (met Helpman, Haren, Onnen, Glimmen en Noordlaren) liggen op de hoogte van de Hondsrug, ter weerszijden daarvan stromen riviertjes naar het noorden: de Drentse A aan de westzijde, de Hunze aan de oostkant.

Men neemt aan dat de ontginning van het veen in de tiende eeuw is begonnen. We zullen ons nu concentreren op het gebied ten noordoosten van de stad, een gebied dat ik – bij gebrek aan een algemeen ingeburgerde naam – aanduid als het Centrale Woldland.

Links: veen waar nu laagland is Rechts: nederzettingen in het Woldland Links: veen waar nu laagland is Rechts: nederzettingen in het Woldland

In het afgebeelde gebied herinneren de namen van verschillende plaatsen aan het verdwenen veen. De plaatsen die met een rood-wit rondje zijn aangegeven, hebben een naam op –wold, de rode stippen herinneren op een andere manier aan het veen.

De rode cirkels geven de ligging aan van Groningen (onder) en Bedum (boven het midden).

Ten westen van de Drentse A ligt het veengebied van Lieuwerderwolde met Noordlieuwerderwolde (Leegkerk) en Zuidlieuwerderwolde (Hoogkerk). Ten noorden daarvan ligt een gebied dat in een oude bron Monomawalde wordt genoemd, met de wierde van Dorkwerd (aangegeven met een rode stip).

Ten oosten van de Hunze zien we het Centrale Woldland met links de polder Sauwerderwolde en de dorpen Noordwolde en Zuidwolde, in het midden van boven naar beneden Bederawalde (?), Steerwolde (Stedumerwolde) en Garmerwolde, en verder naar het oosten Lutjewolde (Emderwolde) en Emmerwolde (Hemerterwolde). De rode stip daartussen geeft de ligging aan van de boerderij ‘Roggenvoorwerk’ aan de Boersterweg in Sint Annen. Deze naam is oud en wijst erop dat hier in het verre verleden rogge op het veen is geteeld.

Buiten het Centrale Woldland, ten noorden van de Delf (Winsumerdiep), liggen nog Rodewolt en Stitswerderwolde (niet aangegeven op de kaart).

Links: boerderij Steerwolde aan de Lageweg bij Thesinge Rechts: boerderij Roggenvoorwerk aan de Boersterweg in Sint Annen Links: boerderij Steerwolde aan de Lageweg bij Thesinge Rechts: boerderij Roggenvoorwerk aan de Boersterweg in Sint Annen

De naam van de boerderij Steerwolde herinnert aan het middeleeuwse Steerwolde, waarvan de kerk ten noordwesten van Thesinge heeft gestaan. De naam Roggenvoorwerk komt van een ‘voorwerk’ van het praemonstratenser klooster te Wittewierum dat ten noorden van Ten Boer heeft gestaan.

Links: drie verkavelingspatronen Rechts: hetzelfde gebied op een hedendaagse satellietfoto Links: drie verkavelingspatronen Rechts: hetzelfde gebied op een hedendaagse satellietfoto

In de inleiding hebben we al gezien hoe het Centrale Woldgebied ten noorden van Groningen vanuit drie verschillende richtingen is gekoloniseerd: vanaf de wierdenrij van Ubbega in het westen, vanaf een ontginningsas tussen Onderdendam en Fraamklap (de Delf of Deel) in het noorden en vanaf de wierden aan de oever van de Fivel in het oosten. Op de Bonnebladen – de eerste in kleur gepubliceerde topografische kaarten van omstreeks 1900 – is de oude verkaveling in nog vrijwel onaangetaste vorm te zien. Als gevolg van perceelvergrotingen is het beeld gedurende de laatste decennia gewijzigd, maar desondanks is het stramien nog goed herkenbaar.

 Walfriduskerk in Bedum Walfriduskerk in Bedum

In 1995 is archeologisch onderzoek verricht in de ondergrond van de kerk van Bedum. Tien jaar eerder werd de bodem onder het voormalige koor onderzocht. Toen werd in kuilen afval aangetroffen uit de zevende tot de tiende eeuw. Onder de kerk vond men scherven uit de negende tot tiende eeuw. Dit maakt duidelijk dat Bedum al een belangrijke plaats was voordat het Woldland in zijn geheel in cultuur werd gebracht."1"

De ontginning van het Centrale Woldgebied wordt in verband gebracht met de heilige Walfridus van Bedum, die volgens de Vita sancti Walfridi aan het eind van de tiende eeuw door de Noormannen is gedood."2" Dat Walfried in het bijzonder ook degene zou zijn geweest die de Wolddijk heeft aangelegd, is niet zo waarschijnlijk. Deze dateert vermoedelijk uit de late twaalfde of vroege dertiende eeuw. Als de heilige in deze streek een rol van belang heeft gespeeld, zal dat eerder in verband gebracht moeten worden met de ontginning van het veenland.

 Boerderij Westerseweg 2 op de bodemkaart Boerderij Westerseweg 2 op de bodemkaart

Een oudere cultuurfase is ook ten westen van Zuidwolde aangetroffen.

In 2003 en 2004 is onderzoek gedaan naar de ondergrond van boerderij Westerseweg 2."3" Daar zijn sloten gevonden uit de negende en tiende eeuw. De sloten zijn in de tiende eeuw overstroomd en afgedekt met een nieuwe laag klei.

Pas ruim een eeuw later – in de elfde eeuw dus – werd het gebied opnieuw in gebruik genomen. Vanaf c. 1150 is hier een twee meter hoge woonheuvel (een zogenaamd ‘podium’) opgeworpen, waarvoor 6000 m3 moest worden verzet. Dit zou niet gebeurd zijn als er geen dwingende noodzaak voor was. We mogen dus veronderstellen dat de bewoners van deze locatie in de loop van de twaalfde eeuw in toenemende mate last hebben gekregen van het water.

Op de bodemkaart zien we dat boerderij Westerseweg 2 op de grens ligt van twee verschillende soorten klei. Het vermoeden bestaat dat de scheidslijn tussen deze twee bodems een indicatie is voor de fasering van de ontginning en het grondgebruik.

Een schematische weergave van de ontwikkeling van het Centrale Woldland hebben we in de inleiding al gezien. Door de ontginning van het veen daalde de bodem en kreeg het gebied het aanzien van een ‘diep bord’.  Op hoogtekaarten is dat goed te zien.

 Het Centrale Woldland op de PPD-hoogtekaart (1988) Het Centrale Woldland op de PPD-hoogtekaart (1988)

De hoogtekaart maakt de precaire ligging van het Centrale Woldland duidelijk. Het water van de hoger gelegen oeverwallen van Hunze en Fivel loopt vanzelf naar deze zinkput toe. Alleen Duurswold (rechtsonder op het plaatje) is nog lager. Het Damsterdiep toont zich als een scherpe scheidslijn tussen het lage en nog lagere land.

We hebben ook al gezien dat de gebruikers van de lage landerijen in het Centrale Woldland (de Woldmannen of Woltsaten) zich tegen het water moesten beschermen door een ringdijk aan te leggen: de Wolddijk. Zijn functie is vergelijkbaar met die van de Borg tussen Drenterwolde en het tot Fivelgo behorende Duurswold. Overigens is ook in Duurswold een dergelijke dijk gelegd: de Graauwedijk van Luddeweer via Overschild naar de Groeve.

Het weren van vreemd water was één ding, maar het lozen van het eigen water was ook geen simpele opgave. Daarbij speelde ook mee dat de bodem nog altijd aan daling onderhevig was en hoog water vanuit zee en vanuit Drenthe de afstroming van het eigen water hinderde.

Voor de afwatering was men aangewezen op natuurlijk verval. Pas in de vijftiende eeuw wordt in onze contreien de eerste poldermolen genoemd en het zou nog eeuwen duren voordat de bemaling van het laagland min of meer systematisch zou worden aangepakt.

Links: de Poel in de Wolddijk (Google)  Rechts: wanneer we de kleuren van de hoogtekaart toevoegen wordt zichtbaar dat zich hier een echte kolk bevindt. Links: de Poel in de Wolddijk (Google) Rechts: wanneer we de kleuren van de hoogtekaart toevoegen wordt zichtbaar dat zich hier een echte kolk bevindt.

De halfronde bocht in de Wolddijk ten zuidwesten van Bedum herinnert aan een dijkdoorbraak. Verondersteld wordt dat we hier te maken hebben met een van de gevolgen van de stormvloed die op 4 februari 1249 de Ommelanden teisterde en waarover abt Menko van Wittewierum vertelt. Hij schrijft in zijn kroniek: Et tunc agger occidentalium, qui dicitur novus, fuit interruptus (‘en toen brak de dijk van de westerlingen, die “nieuwe dijk” werd genoemd’)."4"

Er was toen echter geen sprake van een totale inundatie: er waren in de Wolden nog hoge plekken die niet door zout water werden overspoeld en waar de tarwe niet bedorven raakte.

In het veld is de laagte aan de oostkant van de Wolddijk nauwelijks te zien (links), maar op de bodemkaart van Stiboka is de ‘afdruk’ van de dijkdoorbraak zichtbaar doordat hier (bij het pijltje) een afwijkende kleisoort is gedeponeerd (rechts).

 Hoogtekaart van de pleistocene ondergrond Hoogtekaart van de pleistocene ondergrond

De Wolddijk blijkt te zijn doorgebroken op een plek waar zich in de pleistocene ondergrond een geul bevindt.

Bij alle rechtlijnigheid in het landschap valt de halve hoepel in de Wolddijk bij de Poel extra op. Bij alle rechtlijnigheid in het landschap valt de halve hoepel in de Wolddijk bij de Poel extra op.

Stuwtje aan de Wolddijk, ten westen van Noordwolde Stuwtje aan de Wolddijk, ten westen van Noordwolde

We kijken vanaf de Wolddijk in oostelijke richting. Rechts op de achtergrond zien we nog net de kerk van Noordwolde.

Het stuwtje op de voorgrond illustreert de problematiek van het Centrale Woldland, dat het karakter heeft van een diep bord. Vanaf de randen loopt het water naar het centrum.

Een staatkundige lappendeken Een staatkundige lappendeken

In de inleiding is er al op gewezen dat het gebied rond Groningen een ingewikkelde staatkundige structuur vertoont en de vorige keer hebben we gezien dat in 1285 een ‘internationaal’ geschil werd beslecht tussen enerzijds het klooster Aduard, dat in het Friese Hunsingo lag maar belangen had bij het Drentse en dus onder Utrecht ressorterende

Everswolde, en anderzijds Drenterwolde dat niet onder Drenthe viel, maar wel Utrechts was en ressorteerde onder de in het Utrechtse Groningen residerende prefecten, die in de stad zelf geen overheidsgezag bekleedden, maar dit hadden moeten overlaten aan de stedelijke raad.

Drenterwolde (ook ‘Oosterwolde’ of kortweg ‘Wold’ genoemd) lag tussen de Hunze en het lage gedeelte van het Friese landschap Fivelgo. Fivelgo was als landschap niet betrokken bij het geschil, maar de edelman Snelger van Scharmer trad wel op als arbiter en oorkonder. Ofschoon het niet precies duidelijk is waarom en op welke titel Snelger bij het geschil betrokken werd, is het wel zeker dat het voor zijn gebied – en dus ook voor hemzelf – van groot belang was wat er ten westen van de grens van Fivelgo, de Borgsloot, gebeurde.

Abt Menko van Wittewierum maakt in de jaren 1287 en 1288 opnieuw melding van overstromingen. In de Wolden werd toen zelfs aarde door het water meegesleurd. Blijkbaar spoelde veengrond weg. In 1288 bereikte het zeewater zelfs Woltersum en Garmerwolde. Het water kwam van alle kanten. Bij Oterdum, Usquert en in de Marne (bij Zuurdijk) waren de zeedijken gebroken. Volgens de kroniekschrijver gebeurde het op die plaatsen waar de dijken het slechtst waren onderhouden.

Maar de landgebruikers in het lage woldland hadden niet alleen last van zeewater. Ook het Drentse water vormde een constante bedreiging. Om te voorkomen dat dit hun landerijen binnendrong hadden de Fivelgoërs langs de grenssloot met Drenterwolde die in een akte van 1258 ‘Borg’ wordt genoemd,"5" een dijk gelegd. Deze dijk noemden ze net als de sloot daarachter ‘Borg’ of, wat duidelijker, ‘Borgwal’.

In het jaar 1301 merken we voor het eerst iets van een waterstaatkundige organisatie, die waarschijnlijk tot doel had de lage landen tegen het Drentse en ander ‘vreemde’ water te beschermen. De organisatie heette ‘de Acht Zijlvesten’ en bestond uit vijf Fivelgoër zijlvesten (van oost naar west: Oostwoldzijlvest, Woldzijlvest, Slochterzijlvest, Scharmerzijlvest en Vierendeel) en drie Hunsingoër waterschappen (van zuid naar noord: Zuidwolde, Noordwolde en Bedum). Deze zijlvesten werden in 1385 vertegenwoordigd door de pastoors van de acht hoofdplaatsen van de waterschappen (in dezelfde volgorde: Siddeburen, Schildwolde, Slochteren, Scharmer en Garmerwolde, Zuidwolde, Noordwolde en Bedum). De vijf Fivelgoër zijlvesten zijn ook uit latere tijd bekend, de drie Hunsingoër zijlvesten zijn niet als zodanig blijven bestaan als gevolg van reorganisaties binnen het Winsumerzijlvest."6"

De ‘Acht Zijlvesten’ De ‘Acht Zijlvesten’

De groene vlakken stellen (van boven naar beneden) de Hunsingoër kerspelen Bedum, Noordwolde en Zuidwolde voor, de paarse (van links naar rechts) de Fivelgoër kerspelen Garmerwolde, Scharmer, Slochteren, Schildwolde en Siddeburen.

Een stelsel van binnendijken moest voorkomen dat water vanuit de omringende hogere gronden het laagland binnenkwam. Op het kaartje zijn ze ingetekend: de Wolddijk rondom het Centrale Woldland, de Beijumerzuidwending vanaf het latere Noorderhoogebrug naar het oosten, de Borgwal vanaf de Beijumerzuidwending naar het zuiden, bij Kropswolde overgaand in een naamloze dijk die in de zeventiende eeuw was verdwenen, maar waarvan toen werd beweerd dat hij helemaal ‘tot aan Ter Apel’ doorliep."7" Aan de zuidzijde werden de Fivelgoër kerspelen tegen water uit de onontgonnen venen beschermd door ‘leidijken’ zoals de Lo- en Veendijk, en aan de noordzijde ervan moest de Graauwedijk – in oorsprong ook een veendijk – voorkomen dat het lage land vanuit het noorden werd overstroomd. Als het gehele door deze binnendijken omsloten gebied deel heeft uitgemaakt van de Acht Zijlvesten, omvatte de organisatie ook de gebieden waar we later Thesinge, Kleine en Grote Harkstede, Kolham, Hellum, Oostwold, Ten Boer en Woltersum vinden.

NB Een tijd lang – we weten niet precies wanneer – hebben in dit gebied parochies bestaan die later zijn opgeheven, zoals Steerwolde, Emderwolde en Hemerterwolde. Ook een Oostbedumerwolde wordt nog genoemd."8" Van het kerspel Beijum weten we dat het in de vijftiende eeuw bij Zuidwolde is gevoegd, en ten zuiden van Garmerwolde lag nog de parochie Hydense of Heidenschap. Ook Heidenschap bestond in de vijftiende eeuw al niet meer als zelfstandige parochie. Het grondgebied ervan is bij Garmerwolde gevoegd.
 

Het bestaan van de organisatie van de Acht Zijlvesten (de oudste in zijn soort) blijkt voor het eerst in 1301. Ze wordt dan genoemd in verband met een geschil over het onderhoud van een deel van de Borg. Een viertal arbiters regelde de kwestie en daarvan is een akte opgemaakt."9" Deze is uitgevaardigd door de abt van Ten Boer samen met Gayko Gaykinga, Bevo Liudamena en de andere rechters (‘athaman’) van de Acht Zijlvesten.

Arbiters beslechten een geschil over de reparatie en versterking van de Borg (1301) Arbiters beslechten een geschil over de reparatie en versterking van de Borg (1301)

De buren van Garmerwolde (partij A) stonden in dit geval tegenover het klooster van Ten Boer, de ‘buren’ van Ten Boer, het Roggenvoorwerk en de ‘buren’ van Hemerwolde of Emmerwolde (partij B).

Het geschil ging over het herstel van de Borgwal tussen Poptahalge en de Zuidwending van Ten Boer. Partij A zei dat er te veel water van hoger gelegen streken kwam en dat partij B daarom met geld en arbeid zou moeten helpen om de dijk te verhogen en te verbreden. Partij B daarentegen beweerde dat deze eis niet gegrond was en dat noch zijzelf, noch hun voorgangers ooit daartoe waren opgeroepen. Dit laatste wijst erop dat de Borg allang bestond, maar dat wisten we al.

Vier scheidsrechters (Eppo Stithenga, Menolphus Frowenga, Liudo Gaikinga en Liudolphus Liudelinga) beslechtten de kwestie door wat eruit ziet als een compromis; ze lieten de akte bekrachtigen met de zegels van de abdijen Wittewierum en Ten Boer en dat van het landschap Fivelgo.

De Zuidwending van Ten Boer (ook Sidewendena de Bure, Buyrstra Zuydtwende of Boersterzuidwending genoemd) is de waterkering tussen de Borgwal en Oosterdijkshorn, waarover later de ‘Stadsweg’ loopt."10" Over de Poptahalge ben ik minder zeker, maar ik vermoed ook deze plek te hebben gelocaliseerd. Uitgaande van de veronderstelling dat het
‘-halge’ in Poptahalge wel eens verband zou kunnen houden met het Duitse woord Hallig (‘verhoogde woonplaats in een onbedijkt kweldermilieu’), waarin taalkundigen de indo-europese wortel ‘kel’ (‘uitsteken’, ‘oprijzen’) herkennen, zou het ook bij Poptahalge wel eens kunnen gaan om een wat hogere plek in het landschap. Dat er ook in onze buurt ‘Halligen’ zijn geweest blijkt uit de diverse ‘podia’ of verhoogde huisplaatsen die de laatste jaren zijn opgegraven. Te denken valt, bij wijze van voorbeeld, aan het podium onder het Hoogeheem ter plaatse van het huidige bedrijventerrein Westpoort, en dat onder boerderij Westerseweg 2 onder Zuidwolde."11" De hoogtekaart maakt duidelijk dat zich in ‘de oksel’ tussen de Grasdijk en de Borgwal, ter plaatse van de latere boerderij ‘Botterdörst’, een geringe hoogte heeft bevonden. Het hoogste punt ligt c. 80 cm boven de omgeving. De locatie is bijzonder: ze ligt in het uiterste zuidwesten van het Fivelgoër kerspel Garmerwolde, net buiten het ‘Utrechtse’ gebied en tegenover een steenhuis waarvan sporen onlangs aan de Harksteder kant van de Grasdijk zijn aangetroffen en dat wellicht geïdentificeerd kan worden als het in een akte uit 1370 voorkomende ‘Hoytekamahem’."12"

Links: de vermoedelijke plaats van Poptahalge op de hoogtekaart

  1. Damsterdiep
  2. Eemskanaal
  3. Ruischerbrug
  4. Borgsloot (huidig tracé)

De voormalige loop van de Borgwal en de Grasdijk is nog vaag te zien.
Rechts: het micro-reliëf zichtbaar gemaakt met behulp van de AHN-2.

Garmerwolde en het Vierendeel rond 1300  Het grondgebied van het kerspel Garmerwolde is aangegeven met een geel vlak, het Vierendeel met een rode arcering Garmerwolde en het Vierendeel rond 1300 Het grondgebied van het kerspel Garmerwolde is aangegeven met een geel vlak, het Vierendeel met een rode arcering

De akte van 1301 betrof een kwestie tussen Fivelgoërs onder elkaar, hun gebieden werden echter van elkaar gescheiden door de Buursterzuidwending. Op het kaartje is deze kering (nu Stadsweg) aangegeven als de lijn die ten noorden van Garmerwolde naar Ten Boer en verder naar Oosterdijkshorn loopt. Deze dijk scheidde het via de Deel bij Winsum lozende Vierendeel van het gebied dat via de Delf op de Eems uitwaterde. Van het kerspel Garmerwolde, dat aan de westzijde begrensd werd door de Borgwal en waarvan de zuidgrens gevormd werd door de Grasdijk (aangegeven met de rode lijn van Poptahalge naar het noordoosten), lag het noordelijke deel in het Vierendeel, het zuidelijke in het gebied dat we later kennen als de Schepperij Ten Boer van het Scharmerzijlvest. De Garmerwolders wilden dat ook hun tot het Vierendeel behorende oostelijke buren meehielpen met de reparatie van het stuk van de Borgwal dat buiten het Vierendeel lag. Het omstreden stuk dijk, ruim 1500 meter lang, is op het bovenstaande plaatje met een dik rood lijntje aangegeven.

De uitspraak van de arbiters blinkt niet uit door duidelijkheid. Maar het lijkt erop dat de ‘buren’ van Ten Boer en de bewoners van het Wittewierumer voorwerk Roggemonniken en Emmerwolde voor één keer de Garmerwolders moesten helpen met het maken van de Borgwal, en dat de Garmerwolders moesten zweren dat dit inderdaad een éénmalig geval was en dat ze verder nooit meer een beroep op hun buren zouden doen.

Emmerwolde en het Roggenvoorwerk liggen aan de weg die van Ten Boer via Sint Annen naar Bedum leidt. Het staat niet in de akte, maar het kan zijn dat zij zich erop beriepen ook een dijk te moeten onderhouden: de oostelijke Wolddijk vanaf Oosterdijkshorn noordwaarts.

Het nonnenklooster van Sint Annen speelde in deze kwestie nog geen rol om de eenvoudige reden dat het nog niet bestond. Het is pas in 1340 als dochterklooster van Aduard gesticht.

1.

P.B. Kooi, ‘Bedum (Gr.), Wierde, Veenterp, Dijkdorp?’, in: Paleo-Aktueel 7 (Groningen 1996) 88-90; Piet Kooi, Het archeologisch onderzoek in de Walfriduskerk van Bedum (Bedum 1997).

2.

Remi van Schaïk, Walfridus van Bedum. Een duizend jaar oude Groninger overlevering (Groningen 1985), Remi van Schaïk e.a. (red.), Onder vele torens. Een geschiedenis van de gemeente Bedum (Bedum 2002).

3.

Hervonden Stad 2004, 25-27, Hervonden Stad 2005, 22-35.

4.

H.P.H. Jansen en A. Janse (ed. en vert.), Kroniek van het klooster Bloemhof te Wittewierum (Hilversum 1991) 376-377.

5.

OGD I 126.

6.

W.A. Ligtendag, De Wolden en het water; de landschaps- en waterstaatsontwikkeling in het lage land ten oosten van de stad Groningen vanaf de volle middeleeuwen tot ca. 1870  (Groningen 1995) 175-183.

7.

GrA T1605-777.

8.

O.D.J. Roemeling, ‘De “Wolde” parochies tussen Ten Boer en Bedum’, in: Driemaandelijkse Bladen voor taal en volksleven in het oosten van Nederland, nr. 29 (1977) 55-74.

9.

OGD I 210.

10.

De argumentatie ter onderbouwing van deze bewering zou hier teveel ruimte vergen. Ik hoop haar elders te kunnen publiceren.

11.

Het podium onder het Hoogeheem dateert uit het laatste kwart van de 13e eeuw (J.Y. Huis in 't Veld e.a., Het Hoogeheem, een Drents kloostervoorwerk in Groningen. Stadse Fratsen 28 (Groningen 2011), 22. Het podium onder boerderij Westerseweg is een eeuw ouder (Hervonden Stad 11 (2005), 27).

12.

OGD I 571; zie G&DW 7, De Hunze omgeleid, hoofdstuk 7.1 ‘Middelbert en Engelbert (1370)’.