Zoek op de website

4.4	Zijlen in Redwolde en de Paddepoel (1332)

Na dit uitstapje naar de waterhuishouding van het Hogeland keren we terug naar het Drentse water en de pogingen om de overlast te voorkomen die dit veroorzaakte.

Ik vermoed dat er van het sluizenproject bij Schilligeham niets terechtgekomen is, maar het is gissen naar de reden daarvan. Siemens’ verhaal dat de sluizen in 1361 zouden zijn weggespoeld mist een deugdelijke grond. De mislukking van het Schilligeham-project betekende echter niet dat men het plan opgaf om door middel van sluizen de vloed te keren. Het duurde dan ook niet lang alvorens een nieuw plan werd bedacht. We weten dat er afspraken zijn gemaakt en dat daarvan ook een akte is opgesteld. Volgens een document uit 1364 was het bezegeld door ‘Ludolf en Adolf, Volkmer Onsta en Wicher Enens’ en betrof het ‘t leggen van een sluis ‘beneden’ of ‘tussen’ Harssens en de plaats die Mude werd genoemd."26" Dit stuk is echter niet bewaard gebleven. We weten daardoor niet wanneer het is opgemaakt en welke partijen erbij betrokken waren.

Waarschijnlijk was het nieuwe plan omstreeks 1328 ontwikkeld en waren opnieuw het klooster Essen, Go en Wold en enkele Drentse kerspelen de initiatiefnemers geweest. Mogelijk heeft men zich gerealiseerd dat het beter was om een zeewerende sluis ‘hogerop’ te bouwen, waar het geweld van de vloed zijn grootste kracht heeft verloren. Om die reden koos men voor een plek bij Harssens en de Mude, dat wil zeggen: op Hunsingoër grondgebied ten noorden van de prefectuur. De keuze voor deze plaats duidt erop dat men door het bouwen van één kunstwerk het afstromen van zowel de Drentse A als de Hunze heeft willen regelen en dat men rekende op medewerking van Aduard en het landschap Hunsingo.

De samenhang tussen de systemen van A en Hunze zal ik later bespreken.

Er moet bij de realisering van ‘het plan van c. 1328’ voor een nieuwe zeewerende sluis in de Paddepoel een kink in de kabel zijn gekomen, want de zijl is niet gebouwd.

Een overeenkomst over zijlen in Redwolde en Paddepoel (1332) Een overeenkomst over zijlen in Redwolde en Paddepoel (1332)

Nadat twee plannen om de vloed tegen te houden – bij Schilligeham (1323) en bij Harssens en de Mude (c. 1328) – waren mislukt of gewoon niet doorgegaan, besloten de belanghebbenden het over een andere boeg te gooien. Het alternatief waartoe men toen zijn toevlucht nam, was het tegenhouden van het ‘bovenwater’ of, althans, het reguleren van de afstroom daarvan. Ook op die manier kon men voor de laaggelegen landen in Centraal-Groningen ruimte creëren voor het lozen van hun water.

Zo kwam het dat Groningen, de dorpen van Wold en Go, samen met het Drentse Midlaren en het Aduarder voorwerk in Everswolde in 1332 afspraken hebben gemaakt over de handhaving en het gebruik van enkele zijlen op het grondgebied van de prefectuur. Een tweetal zijlen lag in de Hunze in het ten zuidoosten van Groningen gelegen Reit- of Redwolde, een derde zijl lag ten noorden van Groningen in de Drentse A, vlak boven de plaats waar deze rivier in de Hunze uitmondde: de (oude) Mude.

Hierboven zien we één van de akten die daarvan zijn opgemaakt."27" Blijkens het woord Crepeswolt op de achterkant ervan heeft deze oorkonde tot het archief van het Gorecht behoord. Andere exemplaren zijn niet bewaard gebleven.

De archiefbeschrijving van het stuk luidt: ‘Akte waarbij de zijlvesten van het Ooster- en Westerstadshamrik, Noorddijk, Middelbert, Engelbert, Westerbroek, Kropswolde, Wolfsbergen, Everswolde, Midlaren, Noordlaren, Onnen, Haren, Essen en Helpman verklaren een overeenkomst te hebben getroffen over het beheer en het gebruik van de zijlen bij de Muthen en in Redwolde bij Groenenberg, 21 januari 1332.’

Aan het stuk hangen de zegels van Hunsingo, Fivelgo, Drenthe, prefect Bertold van Gronebeke, de Raad van Groningen en de abdis van Essen.

De zijl bij Redwolde moest gedurende 1 etmaal per week worden gesloten om Essen en Helpman de ruimte te geven hun water te lozen.

Zijlen in Redwolde en Paddepoel Zijlen in Redwolde en Paddepoel

Met behulp van de ebzijlen in Redwolde en de Paddepoel kon men het afstromen van het Drents ‘bovenwater’ via de Hunze en de A reguleren. Wanneer het water daar werd vastgehouden kregen de laaggelegen gebieden van Helpman en Essen, het noordelijke deel van Drenterwolde, de stadshamrikken en Innersdijk de gelegenheid om hun water op de Hunze te lozen.

Op het kaartje zijn vier zijlen ingetekend: een zijl in de A bij de Mude, twee zijlen in de Hunze in het gebied dat Redwolde of Reitwolde werd genoemd, en een zijl in het zijlmaar dat het water van Essen afvoerde. De gebieden die van deze ingreep voordeel ondervonden zijn op dit kaartje groen gearceerd.

Maar negatieve effecten waren er vanzelfsprekend ook. Wanneer de sluizen in de Hunze gesloten waren, konden de zuidelijke dorpen van Drenterwolde en de nederzettingen op de Hondsrug hun water minder vlot laten afstromen.

Bovendien was het sluiten van de zijl bij de Mude nadelig voor de afwatering van de gebieden die op de Drentse A/het Reitdiep loosden: Selwerd, het Westerstadshamrik en de Hoenpolders ten westen van de stad (de ter weerszijden van de Hoensloot gelegen Noord- en Zuidhoen). Maar wellicht waterden de Hoenen omstreeks 1330 al in westelijke richting af: via de Hunsinge en de Kliefslootgeul. Daarover volgt meer wanneer we naar het gebied ten westen van de Hondsrug kijken.

In elk geval was voor een goed functioneren van deze zijlen een zekere coördinatie nodig.

 Planken van de 14e eeuwse zijl bij boerderij Dijkhuizen De planken worden bewaard in het Noordelijk Archeologisch Depot te Nuis. Planken van de 14e eeuwse zijl bij boerderij Dijkhuizen De planken worden bewaard in het Noordelijk Archeologisch Depot te Nuis.

In de zomer van 1971 zijn overblijfselen van een ebzijl gevonden in de Hunzebedding ten oosten van de boerderij Dijkhuizen te Euvelgunne. De boerderij is verdwenen onder de noordelijke afrit van de A7, de plaats van de sluis moeten we zoeken aan de noordzijde van stortplaats ‘de Stainkoeln’. De zijltocht van de landerijen van Essen had zijn monding waarschijnlijk even ‘beneden’ deze sluis.

De vondst bestond uit 12 dikke eiken planken. Ze lagen op een diepte van 2 meter in een meander van de Hunze. De meeste planken vertonen boorgaten die op regelmatige afstanden, circa 50 centimeter, van elkaar zijn aangebracht. Dit zijn de sporen van de pen-en-gat verbindingen waarmee klampen haaks op de lengterichting van de planken bevestigd zijn geweest. Het op die manier gevormde houten schot wordt door archeologen geïnterpreteerd als de bodem van een sluis. Het heeft een breedte gehad van ongeveer 6 meter of 20 voet, net zoals de zijl die in 1323 bij Schilligeham was gepland.

Aan de vorm van een stuk groenland bij de Mude kunnen we zien dat dit perceel ooit een stukje rivierbedding is geweest dat was afgesloten met een zijl."28" Het hierna volgende plaatje laat dat zien.

De plaats van de Oude Mude in de Paddepoel De plaats van de Oude Mude in de Paddepoel

Op dit bewerkte kadasterkaartje is linksonder het Van Starkenborghkanaal te zien.

De gearceerde stroken geven een idee van de breedte die de rivierbeddingen bij tijden konden hebben. Doorgaans zullen de stroompjes echter niet meer dan een paar meter breed zijn geweest.

Middeleeuwse burchten bij Groningen Middeleeuwse burchten bij Groningen

  1.  ‘Zernikeborg’
  2. Selwerd
  3. Cortinghuis
  4. ‘Elba’
  5. Ulgersmaborg
  6. Vrydemaborg
  7. Gronenburg

Met uitzondering van de Zernikeborg en het Cortinghuis liggen deze burchten alle binnen de prefectuur en buiten de stadstafel. De situering van deze sterkten heeft wellicht te maken met de controle over ontginningen en het verkeer.

In de jaren 30 van de veertiende eeuw heeft oorlog gewoed tussen Groningen en zijn Friese en Drentse buren. De achtergrond ervan is niet helemaal duidelijk. Economische motieven lijken van belang geweest te zijn, maar ook de machtsvraag speelde mee."29" De nazaten van de ridders die in een feodale relatie met de bisschop van Utrecht hadden gestaan (de ‘borgmannen’), zullen hun bevoorrechte positie niet zonder slag of stoot hebben willen opgeven.

Voor wat de stad Groningen aangaat moesten de prefecten reeds halverwege de dertiende eeuw het veld ruimen. Iets dergelijks gebeurde in het tweede kwart van de veertiende eeuw opnieuw. Nu moesten de borgmannen hun versterkte huizen opgeven.

Misschien hebben de conflicten tussen de ridders en de Friese buren ook iets te maken met het uitblijven van een oplossing voor de waterstaatkundige problemen. Aan de ruzies kwam in 1338 een einde. Daarna brak de pest uit (tweede helft jaren 40). Het duurde vervolgens een tijdje alvorens de samenleving daarvan was bekomen.

Volgens de kronieken zijn in de strijd van de jaren 30 van de veertiende eeuw verschillende grote heren uitgeschakeld en hun burchten verwoest. Dat geldt voor het Cortinghuis ter plaatse van de huidige Groninger stadswijk ‘de Hoogte’, en ook voor het kasteel Selwerd, ten noorden van de begraafplaats Selwerderhof. Het terrein wordt ‘De Huppels’ genoemd en is een archeologisch monument.

Links: Het Cortinghuis is in 1338 verwoest ... Rechts: ... en ook het kasteel Selwerd is ‘neer’ ... Links: Het Cortinghuis is in 1338 verwoest ... Rechts: ... en ook het kasteel Selwerd is ‘neer’ ...

De plattegrond van het Cortinghuis behoort bij het artikel van H.O. Feith, ‘Iets over het Cortinghuis’, in de Groninger Volk-salmanak voor 1839, 136-149; het rechterplaatje is ontleend aan Google.

‘De Huppels’ op de ‘Showcase AHN-2’ van de Geodienst, onderdeel van het Centrum voor Informatie Technologie van de RuG ‘De Huppels’ op de ‘Showcase AHN-2’ van de Geodienst, onderdeel van het Centrum voor Informatie Technologie van de RuG

De Huppels ten noorden van begraafplaats ‘Selwerderhof’ Op de voorgrond het Van Starkenborghkanaal. De Huppels ten noorden van begraafplaats ‘Selwerderhof’ Op de voorgrond het Van Starkenborghkanaal.

26.

OGD I 527, GrA T2100-78.1-2.

27.

OGD I 330 (GrA T2100-66.1).

28.

Zie hiervoor ook Van den Broek, Groningen, een stad apart, 314.

29.

Van den Broek, Groningen, een stad apart, 51.