Zoek op de website

7.2 	Schuitendiep en Selwerderdiep

 Afleiding van de Hunze (c. 1400) Afleiding van de Hunze (c. 1400)

In 1408 volgde het kerspel Noorddijk het voorbeeld van Middelbert en Engelbert en ging zijn water naar elders lozen. Anders dan hun zuidelijke buren zochten de Noorddijksters een uitweg in noordelijke richting. Daarover later meer.

We moeten nu eerst een andere, uiterst belangrijke gebeurtenis bespreken: de omleiding van de Hunze vanaf Uilkenham naar de Borgham. Het gedeelte van de omgelegde Hunze tussen Uilkenham/Roodehaan en Groningen wordt Schuitendiep genoemd, het stuk tussen de stad en de Borgham heet Selwerderdiep.

Ubbo Emmius (1547-1625). Portret door Pieter Belta (1628) Ubbo Emmius (1547-1625). Portret door Pieter Belta (1628)

In zijn grote geschiedwerk over de Friese geschiedenis schrijft Ubbo Emmius over de Hunze:

‘De Hunze, ontsprongen in de Drentse venen, stroomde destijds door Drenterwolde en kronkelde om de burcht Gronenburg. Vandaar liep zij naar de plaats die tegenwoordig zijn naam aan een hoge brug ontleent (Oosterhoogebrug), liet Groningen links liggen, passeerde het klooster Selwerd op korte afstand, waarbij zij zich door de laag gelegen landerijen van dat klooster slingerde, en kwam daarna bij het dorp Wierum uit in de bedding, die nu zijn naam ontleent aan de rietvelden (Reitdiep); dan stroomde de rivier verder door Hunsingo, tussen de Marne en Humsterland door, en mondde uit in het æstuarium van de Lauwers. Tegenwoordig is de rivier vanaf de plaats waar eens de burcht Gronenburg stond, naar Groningen afgeleid, aan weerszijden voorzien van dijken; ze loopt langs de muren van de stad en komt dan na een grote afstand uit in de oude bedding die ik heb genoemd, en stroomt dan naar Wierum. Ze brengt op die manier veel nut voor de stad.’"19"

Emmius vertelt dit in de context van een verhaal over gebeurtenissen in het jaar 1259. Velen hebben dit verkeerd begrepen en dachten dat de Hunze in 1259 naar de stad is afgeleid.

Overigens heeft ook Ubbo zelf het mis: de rivier is niet vanaf de Gronenburg naar de stad geleid, maar vanaf Uilkenham bij het latere Roodehaan. Emmius heeft deze vergissing later zelf rechtgezet."20"

De afleiding van de Hunze naar Overdiep De afleiding van de Hunze naar Overdiep

Volgens Gerrit Overdiep is het Schuitendiep aan het eind van de veertiende eeuw gegraven. Dit plaatje is een enigszins gewijzigde en aangevulde versie van de illustratie bij het artikel waarin hij zijn overwegingen meedeelde."21"

De toenmalige politieke situatie lijkt daarvoor geschikt. In 1392 had het stadsbestuur de regie over het Gorecht van het Utrechtse domkapittel overgenomen. Dat betekent dat het vanaf dat jaar in de gelegenheid was om het initiatief voor een dergelijk project te nemen en de uitvoering ervan aan de ingezetenen van het Gorecht op te dragen.

Er is maar één schriftelijke bron die het bestaan van het Schuitendiep rond 1400 lijkt aan te tonen. Wanneer de kroniekschrijver Johan van Lemego beschrijft hoe bisschop Frederik van Blankenheim, ontevreden over het verkwanselen van de Utrechtse rechten door het domkapittel, in het jaar 1401 de stad Groningen belegerde, vertelt hij dat de bisschop zijn kanonnen op de Kempkensberg opstelde en ten noorden daarvan een droge gracht liet graven ‘... in oostelijke richting naar beneden tot aan een stromende waterloop, die uit het Helperhamrik kwam’. Welke andere ‘stromende waterloop’ zou Van Lemego hier kunnen bedoelen dan de omgelegde Hunze?

In de nieuwe editie van deze bron"22" luidt de betreffende tekst als volgt:

 ‘Item nu voert van bisschop Frederick van Blanckenheem een bisschop toe Utrecht gewest is vorscreven, ende heft de stadt Groningen belecht an die sueder siedt mit alden Stichte van Utrecht in den jaere MCCCC voerscreven, ende lach daer voer III weecken lanck. Ende sijene bussen leegen op Kempekens barrich, ende daer leedt hee voer graeven eijnen droegen grafft op die noerder siedt des barrichs vorscreven, ende angenck voer die Heer straete nije poerte, ende ginck oestwert neder tot eenen loepenen [deepe]; ende die bisschop voerscreven en mochte die stadt Groningen niet meer verwarven, ende soe leet hie maecken een starrick blockhues toe der Blanckerweer mit II offte III landtweren.’"23"

Tol bij Roodehaan (1931) Tol bij Roodehaan (1931)

De foto (GrA T1785-6829) is gemaakt ten tijde van de opheffing van de tollen.

Het tolhek op deze foto stond niet ver van de plaats van waaraf de Hunze omstreeks 1400 in noordwestelijke richting werd afgeleid. Op deze plek grenzen de kerspelen Groningen, Haren en Engelbert aan elkaar. Nu splitst het oude Schuitendiep zich hier in het Oude en Nieuwe Winschoterdiep, tegenover de ingang van afvalverwerking de Stainkoeln.

Volgens Overdiep had het stadsbestuur bij de omlegging van de Hunze drie doeleinden voor ogen:

  • controle over de turfvaart
  • bevrijding van Drenterwolde en de stadshamrikken van het Drentse bovenwater
  • toevoer van water voor de stadsgrachten

Het derde motief lijkt me minder aannemelijk. Aan de noord- en zuidzijde van de stad liggen de Groninger stadsgrachten hoger dan de Hunze, zodat het rivierwater omhoog zou moeten lopen om daarin terecht te kunnen komen.

Maar het eerste motief komt me zeker plausibel voor. In elk geval lijkt er samenhang te bestaan tussen de vaststelling van de oudste gildebrief van het Schuitenschuiversgilde in 1403"24" en het graven van het Schuitendiep.

Maar ook de waterstaatkundige situatie moet van belang zijn geweest. Het stadsbestuur was verplicht zijn onderdanen tegen wateroverlast te beschermen. Daardoor was het bevoegd om de ingezetenen van Go en Wold graafwerk te laten verrichten. Gezien de overlast die ze van het Drentse water ondervonden, diende het graven van het Schuitendiep ook hun eigen belang.

Het omleggen van de Hunze betekende een geduchte ingreep in het landschap. Het zorgde ervoor dat het Drentse water wat gemakkelijker kon afstromen en uit de buurt bleef van de drie noordelijke Drenterwolder kerspelen. Maar het bracht ook nieuwe problemen met zich mee:

  • Het peil in het Schuitendiep stond vaak hoger dan dat van de aangrenzende landerijen, zodat het nieuwe kanaal de ontwatering daarvan bemoeilijkte; bij dijkdoorbraak dreigde zelfs overstroming.
  • Het nieuwe diep moest verschillende bestaande landwegen en watergangen kruisen.

Winschoterdiep en Oosterhaven  (GrA T1785-6829). De foto  is genomen vanaf de oostelijke kade bij de Bontebrug. Winschoterdiep en Oosterhaven (GrA T1785-6829). De foto is genomen vanaf de oostelijke kade bij de Bontebrug.

Het tracé van Schuitendiep en Selwerderdiep volgt het reliëf Het tracé van Schuitendiep en Selwerderdiep volgt het reliëf

Op het vorige kaartje is goed te zien dat het nieuwe kanaal ruwweg de hoogtelijnen volgt. Bij de stad Groningen loopt het parallel aan de hoogte van de Hondsrug. Daardoor hoefde men alleen aan de oostzijde een dijk te leggen.

Aan de oostzijde van de middeleeuwse stad liep het kanaal parallel aan de oostelijke stadsgracht. Hier, in het bijzonder bij de Nieuwe Sint Jansstraat, is goed te zien dat het hamrik veel lager ligt dan het Schuitendiep.

De Nieuwe Sint Jansstraat ligt laag De Nieuwe Sint Jansstraat ligt laag

Het water in het Schuitendiep/Selwerderdiep zal dikwijls hoger hebben gestaan dan de maaiveldhoogte in het Oosterhamrik.

We mogen aannemen dat men, zoals vrijwel altijd het geval was, bij de afleiding van de Hunze gebruik heeft gemaakt van bestaande watergangen. Over de loop daarvan is bij gebrek aan archeologische en bodemgegevens maar heel weinig bekend.

Maar in 2009 is de bodem onder het voormalige carrosseriebedrijf van de gebroeders Rust aan de oostzijde van het Boterdiep gesaneerd. Daarbij kwam een watergang tevoorschijn, die meteen is geïnterpreteerd als het Selwerderdiep(je)."25" Als deze interpretatie juist is, wijkt de loop van het Selwerderdiep wel heel sterk af van wat men (onder wie ook ikzelf) tot dusver op grond van de plattegrond van Jacob van Deventer heeft aangenomen. Het aangetroffen tracé ligt ongeveer 50 meter ten noordoosten van het zuidelijke uiteinde van het huidige Boterdiep. Van Deventer tekende het Selwerderdiep ongeveer op de plaats van het Boterdiep.

Een watergang gevonden tussen het Boterdiep en de Langestraat: het Selwerderdiepje? Een watergang gevonden tussen het Boterdiep en de Langestraat: het Selwerderdiepje?

De noordoosthoek van de middeleeuwse binnenstad van Groningen op de plattegrond van Jacob van Deventer (c. 1565). Wanneer we de huidige stadsplattegrond combineren met die van Jacob van Deventer blijkt dat ze nagenoeg exact op elkaar passen. De noordoosthoek van de middeleeuwse binnenstad van Groningen op de plattegrond van Jacob van Deventer (c. 1565). Wanneer we de huidige stadsplattegrond combineren met die van Jacob van Deventer blijkt dat ze nagenoeg exact op elkaar passen.

Jacob van Deventer tekende het Selwerderdiep op de plaats van het huidige Boterdiep. Het lijkt erop dat hij de werkelijkheid van zijn tijd correct heeft weergegeven. Als de in 2009 aangetroffen watergang echt het Selwerderdiep is, betekent dit dat de situatie ter plaatse vóór 1565 – toen Van Deventer zijn metingen in Groningen verrichtte – is gewijzigd.

Wanneer we de kadasterkaart combineren met de opgravingstekening blijkt dat enkele perceelsgrenzen in het door de archeologen onderzochte gebied exact samenvallen met het opgegraven tracé. Dat wijst erop dat de aangetroffen watergang ook na de demping de inrichting van dit gebied heeft bepaald.

De rechteroever van de watergang bleek te zijn voorzien van een beschoeiing. Deze kan aangebracht zijn om de walkant tegen afkalving te beschermen, maar zou ook kunnen wijzen op gebruik als haven of als vaarweg.

De opgegraven watergang en het kadaster.  De pijltjes wijzen naar plekken waar oude perceelsgrenzen samenvallen met de oevers van de gevonden watergang. De opgegraven watergang en het kadaster. De pijltjes wijzen naar plekken waar oude perceelsgrenzen samenvallen met de oevers van de gevonden watergang.

Opgraving Boterdiep 2009 (foto Hans Mulder).  Aan de noordzijde van de watergang werd een beschoeiing aangetroffen. Opgraving Boterdiep 2009 (foto Hans Mulder). Aan de noordzijde van de watergang werd een beschoeiing aangetroffen.

Vooralsnog lijkt het me aannemelijk dat we hier niet te maken hebben met het Selwerderdiep, maar met een waterloop die – voor zover mij bekend – op geen enkele oude stadsplattegrond voorkomt, maar wel in archiefstukken genoemd wordt. Te denken valt aan de ‘Fraterssloot’ die in de stadsrekening van 1547 voorkomt als de oostelijke begrenzing van enkele percelen die ten oosten van het Boterdiep lagen en (onder meer) door ‘Lange Johan’ en Johan van Schuttorp werden gepacht."26" Deze sloot diende waarschijnlijk als tochtsloot en maakte deel uit van het ontwateringssysteem van het Oosterhamrik.

Archeologische vondsten leiden meer dan eens tot verwarring. Soms worden dingen die in de bodem worden aangetroffen wel heel snel in verband gebracht met gegevens die uit andere, vooral schriftelijke, historische bronnen bekend zijn. Daarbij wordt niet altijd voldoende rekening gehouden met onze onwetendheid over de vraag hoe het zit met de verhouding tussen de informatie die verloren is gegaan en de gegevens die wél bewaard zijn gebleven. Ieder die zich serieus in de (schriftelijke) bronnen verdiept, weet dat ons maar een fractie bekend is van wat er te weten valt, en dat onze kennis grotendeels afhankelijk is van informatie die min of meer toevallig bewaard is gebleven.

Archeologisch onderzoek Brouwerstraat (oktober 2005)"27"

In verband met de plaatsing van ondergrondse afvalcontainers zijn in de jaren 2004 en 2005 op verschillende plaatsen in Groningen putten gegraven. Eén van deze putten bevond zich in de Brouwerstraat. Archeologen vonden daar een gedempte watergang, waarvan zij aannemen dat dit de ‘Kleisloot’ zou moeten zijn. In het vervolg zullen we zien dat in elk geval het gebruik van de naam ‘Kleisloot’ hier niet juist is. De Kleisloot is het kanaal tussen het noordelijke uiteinde van de Hondsrug en Noorderhoogebrug dat later onderdeel was van het Boterdiep. De naam die – waarschijnlijk – wél aan de gevonden watergang gehecht kan worden is ‘Selwerderdiep’, het noordelijke deel van de omgelegde Hunze.

‘De Kleisloot gevonden’"28"

Uit het opgravingsrapport:

‘Op deze locatie waren twee grote ingravingen zichtbaar. De oudste ingraving ligt aan de oostzijde van de werkput en is dieper dan de uit te graven diepte van de bouwput. Het betreft waarschijnlijk de ‘Kleisloot’. De Kleisloot is de voorloper van het Boterdiep, hij vormde de aansluiting tussen de stadsgrachten en de benedenloop van de Hunze. In de zeventiende eeuw is de Kleisloot bij de uitbreiding en herinrichting van de stad gedempt. Op de kaart van Jacob van Deventer uit 1562 staat de Kleisloot aangegeven. Op de ‘Kleine Haubois’ uit 1652 wordt de Kleisloot met naam genoemd. Tijdens een opgraving aan het Boterdiep eerder dit jaar [2005] is de Kleisloot eveneens aangesneden, hier is hij 6–10 m breed. De andere ingraving, aan de westzijde van de werkput, betreft mogelijk een brede sloot. Deze sloot ligt over de ’Kleisloot’ heen en is dus van jongere datum.’"29"

Als dit verhaal klopt, is er toch iets mis met de stadsplattegrond van Jacob van Deventer.

De Brouwerstraat bij Jacob van Deventer De Brouwerstraat bij Jacob van Deventer

Jacob van Deventer lijkt zijn landmeterswerk erg precies te hebben gedaan. Bijna alles klopt opmerkelijk goed. Maar hij tekende het Selwerderdiep (de ‘Kleisloot’ van de archeologen) zo’n 25 meter oostelijk van de put in de Brouwerstraat.

Er zijn twee mogelijkheden: óf Van Deventer heeft het mis, óf de aangetroffen bedding is niet het Selwerderdiep, maar een andere watergang. Vooralsnog neig ik tot de opvatting dat de archeologen deze keer gelijk hebben en dat Jacob van Deventer hier minder betrouwbaar is dan we van hem gewend zijn."30"

Alvorens nader in te gaan op de positieve en negatieve effecten die de omgelegde Hunze voor de aangelegen gebieden had, besteden we aandacht aan de technische aanpassingen in de bestaande infrastructuur die door de omleiding van de Hunze nodig waren.

Een bijzondere plaats neemt daarbij het Boterdiep/Kleisloot in. Als dat in 1400 reeds bestond, moet het bij de omlegging van de Hunze een extra-probleem hebben opgeleverd.

19.

Ubbo Emmius, Rerum Frisicarum Historia XI (Leiden 1616) 163.

20.

Ubbo Emmius, De agro Frisiae inter Amasum et Lavicam deque urbe Groninga in agro eodem et de iure utriusque, cum serie magistratuum praecipuorum (Groningen 1605) 20.

21.

G. Overdiep, ‘Het tijdstip van het graven van het Schuitendiep ten zuidoos­ten van Groningen’, Us Wurk 21‑22 (1972‑1973) 187‑191.

22.

F.A.H. van den Hombergh en E.O. van der Werff (eds), Sicke Benninge, Croniken der Vrescher Landern mijtten Zoeven Seelanden ende der stadt Groningen. Geschiedenis van Groningen en Ommelanden tot 1530 (2 dln.) (Den Haag 2012), 138.

23.

‘Nu verder over bisschop Frederik van Blankenheim, bisschop in Utrecht. Die heeft de stad Groningen belegerd aan de zuidzijde met het hele Sticht van Utrecht in het jaar 1400, en hij lag gedurende 3 weken voor de stad. Zijn kanonnen stonden op de Kempkensberg en voor [die stelling] liet hij een droge loopgraaf aanleggen aan de noordkant van de berg in de richting van de nieuwe Herepoort en oostwaarts bergaf naar een stromende watergang. Maar het lukte de bisschop niet Groningen te veroveren en toen maakte hij een sterk blokhuis te Blankeweer met 2 of 3 grenswallen.’

24.

OGD II 1134.

25.

De in de stadsplattegrond gemonteerde opgravingstekening is gemaakt door Jaap Buist en Jasper Huis in ’t Veld en overgenomen uit: Froukje Veenman en Bert Tuin, ‘Verslag archeologie in 2009’ in: Hervonden Stad 15 (2010) 6-32, aldaar 13 (afb. 7).

26.

GrA T2100-7.6 (stadsrekening over 1547) fol. 54. De Fraterssloot wordt in deze rekening ook op fol. 57-58 als zwetsloot van pachtsteden genoemd.

27.

De tekening is gemaakt door B. Schomaker en overgenomen uit ARC-rapport 2005-128, Een archeologische begeleiding bij het plaatsen van afvalcontainers in de binnenstad en de Hortusbuurt te Groningen (Gr.) (Groningen 2007) afb. 26.

28.

De foto is gemaakt door M.C. Essink en is overgenomen uit ARC-rapport 2005-128, afb. 27.

29.

J.B. Hielkema, ‘Brouwersstraat 4’, in: ARC-Rapport 2005-128 (Groningen 2007) 25.

30.

Zie ook Bert Tuin, ‘Kapel en kerkhof bij de Brunne’ in: Hervonden Stad (2012) 133-146, aldaar 142.