Zoek op de website

1.2 		Het reliëf

Watervallen bij Iguazú Watervallen bij Iguazú

Waterstaatsgeschiedenis mag een moeilijke tak van onderzoek zijn, alles is wel gebaseerd op een uiterst simpele grondregel: water loopt altijd van boven naar beneden.

Boer Siemens kon niet ophouden daarop te wijzen wanneer hij de denkbeelden besprak van kamergeleerden die vanachter hun bureau het water omhoog lieten lopen. In Groningerland zijn de hoogteverschillen niet van dien aard dat het water er spectaculaire sprongen moet maken, zoals het dat wel doet bij Iguazú, op de grens tussen Brazilië en Argentinië.

Maar ook een weinig uitgesproken reliëf heeft betekenis. Juist vanwege het feit dat de hoogteverschillen in Groningerland zo klein zijn, zie je ze gemakkelijk over het hoofd. Daarom is het, Siemens’ wijze woorden indachtig, zinvol om, alvorens naar onze oude bronnen te kijken, eerst aandacht te schenken aan het reliëf van Noordoost-Nederland en de veranderingen die daarin zijn ontstaan door ingrepen van mensen. Dat is al begonnen in de periode die voorafgaat aan de oudste schriftelijke bronnen.

 AHN: een nieuw hulpmiddel AHN: een nieuw hulpmiddel

In ‘Groningen en het Drentse water’ zullen we nog heel veel plaatjes zien die gebaseerd zijn op het Actueel Hoogtebestand Nederland. Dankzij de computer kunnen we de hoogteverschillen veel beter zichtbaar maken dan vroeger mogelijk was.

Iedereen kan gebruik maken van de informatie van de AHN en de kleuren zijn naar behoefte in te stellen.

De URL van AHN-viewer is http://ahn.geodan.nl/ahn/

Hoogte op kleur Hoogte op kleur

De AHN maakt hoogteverschillen zichtbaar ... en levert meteen ook nieuwe kijkboeken op."26"

AHN-overzicht Noordoost Nederland AHN-overzicht Noordoost Nederland

Het bovenstaande hoogtekaartje laat zien dat het Drents plateau naar het noordwesten afhelt en groeven vertoont. Deze zijn veroorzaakt door het zich terugtrekkende landijs.

Mooi is ook te zien dat de stad Groningen op de meest noordelijke opduiking van de Hondsrug ligt.

Opvallend is verder de hoge opslibbing aan de noordelijke rand van het Hogeland en in de jongere Dollardpolders.

In het westen zien we hoe enkele dalen vanuit het zuidwesten uitlopen in een laaggelegen gebied. Aan de noordzijde daarvan zien we een lichte verheffing: de hoogte van Noordhorn en Zuidhorn.

Ten oosten van de stad ontbreken duidelijke beekdalen, maar ook daar ligt een omvangrijk laagland: Duurswold. Hier bevinden zich de laagste punten van de provincie (meer dan 2,5 meter onder NAP) met uitschieters tussen Siddeburen en de Korengarst en ter plaatse van het drooggelegde Meedhuizer Meer, even ten noorden van Meedhuizen (resp. -3,15 en -3,5 m.).

Het Eemskanaal vertoont zich als een hoge streep door het lage land. Het kanaalwater staat bij Woltersum 2 tot ruim 2,5 meter hoger dan het land. In het kanaal wordt het Eems-Dollardpeil (0,62 m. +NAP) aangehouden, terwijl het maaiveld op een hoogte ligt die tussen 1,50 en 2,00 m. –NAP varieert.

De lage gebieden ter weerszijden van het uiteinde van de Hondsrug zijn ‘zinkputten’, het water kan er wel in, maar – zonder bemaling – niet meer uit.

De hier afgebeelde situatie heeft niet altijd bestaan. Ze is het resultaat van processen waarvan het verloop zich over vele eeuwen heeft uitgestrekt.

Een paar plekken zijn hoger geworden dan ze ooit zijn geweest. Enkele stortplaatsen en baggerdepots zijn herkenbaar (de Tweemat bij Grootegast, de stortplaats Usquert, de Stainkoelen, de stort aan de Langeleegte tussen Borgercompagnie en Veendam en die tussen Oosterwolde en Veenhuizen). Maar dat zijn afwijkingen van de regel. Die luidt dat de bodem in de loop van de eeuwen flink is gedaald.

 Bodemdaling als gevolg van gaswinning Bodemdaling als gevolg van gaswinning

En dan houden we niet eens rekening met de bodemdaling als gevolg van de aardgaswinning sinds halverwege de vorige eeuw. De grootste bodemdaling (rond 40 cm of meer) wordt verwacht in de buurt van Loppersum. Het zal duidelijk zijn dat deze verandering van het bodemniveau naast alle andere narigheid die ze veroorzaakt, ook het ‘lezen’ van de hoogtekaart ten behoeve van de reconstructie van de geschiedenis van het landschap lastiger maakt.

De processen van opslibbing, veenvorming, oxidatie en inklinking hebben de bovenlaag van de bodem gevormd. Die bovenlaag ligt op een vaste ondergrond.

Het reliëf in de pleistocene ondergrond Het reliëf in de pleistocene ondergrond

Het ligt voor de hand dat de hoogteverschillen in de vaste ondergrond een rol hebben gespeeld bij de vorming van de bovenlaag. Maar simpel is de relatie tussen ondergrond en bovenlaag allerminst. Wel is goed te zien waar zich beken en geulen hebben gevormd.

De ondergrond met de situatie rond 100 na Chr. De ondergrond met de situatie rond 100 na Chr.

Het plaatje van de situatie van rond 100 na Chr. is ontleend aan het boek dat enkele jaren geleden verscheen ter gelegenheid van een tentoonstelling over prof. Van Giffen in het Groninger Museum."27"

  • Bruin is hier veen.
  • Geel is de pleistocene ondergrond.
  • De verschillende tinten groen geven de kwelders en kweldervlakten aan.
  • De puntjes zijn bewoonde plekken (wierden).

We zien dat er al kwelders langs de kust liggen en dat de laagten ten zuiden ervan zijn opgevuld met veen.

Groningerland rond 800 na Chr. Groningerland rond 800 na Chr.

Ook dit plaatje is ontleend aan het zojuist genoemde boek. Schriftelijke bronnen uit het jaar 800 zijn er niet. Het plaatje is een reconstructie, gemaakt op basis van bodemkundige en archeologische gegevens.

In het noordoosten zien we de Fivelboezem en in het noordwesten de Lauwerszee. Deze is juist in deze tijd ontstaan. Daarbij drong de zee ver het land in, tot voorbij Zuidhorn. De Marne en Humsterland zijn echte eilanden, Middag is een schiereiland. Men vermoedt dat de Hunze toen ook zijn loop naar het westen heeft verlegd. Voordien stroomde de rivier vanaf het latere Schouwerzijl noordwaarts.

De Dollard bestond nog niet.

De bewoning van onbedijkt land De bewoning van onbedijkt land

Rond 800 waren er nog geen dijken om het land tegen de zee te beschermen. We kunnen ons een voorstelling maken van de bewoning van het kwelderland wanneer we kijken naar de Halligen in Noord-Friesland, het onbedijkte land ten zuidwesten van de Duits-Deense grens.

Veengebieden, Delf en Deel Veengebieden, Delf en Deel

Rond 900 begon de bevolking snel te groeien. Op de oeverwallen en de wierden was te weinig ruimte om voedsel te produceren voor iedereen. Om die reden trokken mensen vanaf de kweldergebieden en de wierden naar het veengebied ten zuiden ervan. Kolonisten groeven daar ontwateringssloten en gingen rogge telen. Het landschap onderging hierdoor ingrijpende veranderingen.

  • Door het graven van ontwateringssloten kwam hemelwater los uit het veengebied. Vóór de ontginningen werd dat als door een spons vastgehouden.
  • Door de ontwatering en bewerking werd het veen blootgesteld aan de zuurstof in de lucht waardoor het oxideerde. De bodemdaling die daarvan het gevolg is, voltrekt zich onwaarschijnlijk snel: tot wel 5 cm. per jaar.

Het eerstgenoemde effect trad ook in de tijd als eerste op. Toen de mensen in de venen aan het graven en ploegen gingen, begon het water vanuit die gebieden naar het kwelderland toe te stromen. Daar raakte het, samen met het uit Drenthe afkomstige rivierwater, opgesloten tussen het hoge veen en de hoge kwelders.

Om het kwijt te raken groef men de Delf of Deel. In overeenstemming met de theorie van Pieter Mennes Bos laat ik een zijtak van de Hunze (‘de bovenloop van de Fivel’) door het Foxholstermeer naar het noorden stromen. Het is echter de vraag of die zijtak er echt is geweest.

De Delf – het westelijke stuk (tussen Winsum en Fraamklap) heet ‘Deel’ – is waarschijnlijk de oudste waterstaatkundige ingreep van bovenlokaal belang waarvan we het resultaat nog altijd zien.

Dijken legde men nog niet langs deze kanalen. Eb en vloed hadden daardoor vrij spel. Zo ontstonden de kronkels die ook nu nog karakteristiek zijn voor het Damsterdiep ten oosten van de Mude (Winneweer) en het Winsumerdiep ten westen van Onderdendam.

Delf en Deel met elkaar verbonden, Winsum en Garrelsweer Delf en Deel met elkaar verbonden, Winsum en Garrelsweer

Volgens ir. Johan van Veen, J.K. de Cock en H. Halbertsma vormden Delf en Deel één geheel.

Het reliëf en de verkaveling van het land langs de Delleweg tussen Middelstum en Loppersum vertonen inderdaad sporen van een watergang die hier ooit heeft gelopen. Ook de naam Delleweg kan aan de Delf of Deel zijn ontleend. Maar het is ook mogelijk dat die is afgeleid van de dellen (laagten) ter plaatse.

De Cock en Halbertsma denken dat dit kanaal een deel is geweest van een middeleeuwse handelsroute tussen Vlaanderen en de Oostzee. Ze dateren het kanaal op de 9e eeuw!"28"

Ze verwijzen daarbij naar het feit dat Winsum en Garrelsweer een handelsfunctie hebben gehad. Koning Hendrik IV schonk in 1057 de graafschappen Hunsingo en Fivelgo aan aartsbisschop Adalbert van Bremen en Hamburg, met het recht markten op te richten in Wincheim (Winsum) en Gerleviswert (Garrelsweer) met munt en tol."29" Er zijn daar inderdaad munten geslagen, maar over markten en tollen horen we verder niets.

Deel, Fivel en Delf volgens Pieter Mennes Bos Deel, Fivel en Delf volgens Pieter Mennes Bos

Op dit plaatje (een uitsnede uit de kaart bij De Fivel en hare verzanding) zien we de twee gegraven zijtakken van de kronkelende Fivelbedding: de Deel in het westen en (vanaf Winneweer oostwaarts) de Delf.

Halbertsma’s krantenartikel over de Delf en Formsma’s ‘Delvinaria’ Halbertsma’s krantenartikel over de Delf en Formsma’s ‘Delvinaria’

Oud-rijksarchivaris W.J. Formsma reageerde voor zijn doen scherp op de in zijn ogen onzinnige verhalen. In een artikel in de Groningse Volksalmanak betoogde hij dat er helemaal geen bewijzen zijn voor de veronderstelling dat beide ‘delven’ onderdelen zijn geweest van één doorgaande waterweg."30" Volgens hem waren Winsum en Garrelsweer wel plaatsen waar landwegen bevaarbare stromen bereikten.

Op grond van een passage in de kroniek van Wittewierum, waarin melding wordt gemaakt van de sluis in het Vismaar en waaruit blijkt dat die sluis uit het einde van de twaalfde eeuw dateert, meende Formsma dat ook de Delf in die tijd gegraven moest zijn. Maar dat hoeft niet en is ook niet erg waarschijnlijk. De bedijking van de Delf kan lang na het graven ervan noodzakelijk zijn gebleken.

Zelf vermoed ik dat de Delf gegraven is in verband met de exploitatie van het veenland ten zuiden ervan. Met Ligtendag neem ik aan dat we daarvoor aan de tiende en elfde eeuw moeten denken."31"

Het reliëf rond Groningen volgens AHN-gegevens Het reliëf rond Groningen volgens AHN-gegevens

We zien hier nog eens de lage bodems ter weerszijden van Groningen. Hier lag ooit veen. Het meeste onderzoek is gedaan naar het Centrale Woldland (de streek rond Bedum). Eerder hebben we gezien dat Ligtendag vooral Duurswold heeft onderzocht. De lage landen van Langewold en oostelijk Vredewold zijn minder goed bestudeerd.

Onlangs schreef Jeroen Zomer, verbonden aan het Kenniscentrum Landschap van de RUG, een mooie studie over de landschapsgeschiedenis van Roderwolde.

 De kolonisatie van het Centrale Woldgebied De kolonisatie van het Centrale Woldgebied

Van verschillende kanten werd het Centrale Woldgebied ten noorden van Groningen aangepakt. De ontginners kwamen vanaf de wierdenrij van Ubbega in het westen, vanaf een ontginningsas tussen Onderdendam en Fraamklap (langs de Deel) en vanaf de hoogten langs de Fivel in het oosten.

In het gebied zijn verschillende oude ‘ontginningsassen’ te herkennen. Een dergelijk procédé werd ook gevolgd in Duurswold. Op de gevolgen van deze kolonisatie en de verdere ontwikkeling van het veenland kom ik in het vervolg nog uitvoerig terug.

Sint Walfridus en de kolonisatie van het centrale Woldland Sint Walfridus en de kolonisatie van het centrale Woldland

De ontginning van het Centrale Woldgebied wordt in verband gebracht met de heilige Walfridus van Bedum, die volgens de Vita sancti Walfridi aan het eind van de 10e eeuw door de Noormannen is gedood."32"

Sint Walfried zou een belangrijke rol hebben gespeeld bij de ontginning van de streek en een uitzonderlijk vroom man zijn geweest. Volgens het verhaal liep hij dagelijks vanuit zijn woonplaats Bedum naar Groningen heen en weer om daar de mis te horen.

Het gemeentewapen van Bedum symboliseert de ontstaansgeschiedenis van de gemeente en de rol die Liudger en Walfridus daarbij hebben gespeeld. De eerste zou in de 8e eeuw het christendom (kruis) en de wetgeving (wetstafel) hebben gebracht, de tweede zou begonnen zijn met de aanleg van dijken (spade). Dat Walfried in het bijzonder ook degene zou zijn geweest die de Wolddijk heeft aangelegd, is niet zo waarschijnlijk. Deze kering dateert vermoedelijk uit de late twaalfde of vroege dertiende eeuw. Als de heilige werkelijk ‘scheppend bezig is geweest’, zal dat vermoedelijk eerder in verband gebracht moeten worden met de ontginning van het veenland."33"

Schematische weergave van de ontwikkeling in het Centrale Woldland (naar Piet Kooi) Schematische weergave van de ontwikkeling in het Centrale Woldland (naar Piet Kooi)

Zoals gezegd bleef de ontginning van het Woldland niet zonder gevolgen voor de bodemhoogte en de ontwatering van het gebied.

Deze door de archeoloog Piet Kooi getekende plaatjes"34" geven een schematisch beeld van de ontwikkeling in het gebied tussen Garnwerd (links) en Ten Post (rechts).

A.    Een laag zeeklei (groen) bedekt de ‘harde’ ondergrond (geel).

B.    In het onbedijkte land werpen de mensen wierden op. Dit gebeurt vooral op kwelderwallen en oeverwallen langs de grote watergangen. In het ingeklonken middendeel vormt zich een veenlaag (lila). Vanaf de 10e eeuw wordt het veen ontgonnen en stichten de kolonisten nederzettingen.

C.    Door de ontginning van het veen zakt de bodem. Het wordt noodzakelijk om het lage land door middel van een ringdijk te beschermen tegen het water dat uit het omringende hogere land naar het Woldland stroomt.

Het Centrale Woldland zonder en met de Wolddijk (c. 1200) Het Centrale Woldland zonder en met de Wolddijk (c. 1200)

In het Centrale Woldland bevinden de laagste plekken zich ten noordwesten van Thesinge (Steerwolde) en in het Reidland ten zuidoosten van Bedum (c. -1,5 m).

Links zien we de hoog opgeslibde oeverwal van de Hunze met de wierdenrij van Ubbega, rechts die van de Fivel.

Door de ontwatering en de ontginning van het Centrale Woldland verdween het veen. De bodem daalde en het gebied kreeg de vorm van een diep bord. Het water uit de omgeving stroomde toe.

De Wolddijk is een ringdijk die is aangelegd om het lage Woldland te beschermen tegen het water uit de omringende, hoger gelegen gebieden. Dit kunstwerk is vermoedelijk rond 1200 aangelegd.

Misschien is dit de dijk die door de Wittewierumer abt Menko in zijn verhaal over een overstroming in 1249 aangeduid wordt als ‘de dijk van de westerlingen of nieuwe dijk’ (‘et tunc agger occidentalium, qui dicitur novus, fuit interruptus’)."35"

Uiteraard kreeg ook het nog lager gelegen Duurswold last van ‘bovenwater’. Ook daar moesten kunstwerken worden aangelegd om het land tegen overstromingen te beschermen: de Borg langs de grens van het Gorecht, de dijk ten zuiden van Garmerwolde die later ‘Grasdijk’ werd genoemd, en de Graauwedijk bij Overschild.

Borg, Wolddijk, Beijumerzuidwending, Grasdijk, Lodijk en Veendijk Borg, Wolddijk, Beijumerzuidwending, Grasdijk, Lodijk en Veendijk

De Borg wordt halverwege de dertiende eeuw voor het eerst genoemd. Aanvankelijk zal deze kering, die tevens de grens vormde tussen Drenterwolde en Fivelgo, niet veel meer zijn geweest dan een sloot met een lage kade. De Borg moest voorkomen dat Drents water het ontginningsgebied van Duurswold binnenstroomde wanneer de dijken langs de Hunze het begaven. Dat die er waren ligt voor de hand, al weten we niet precies wanneer men met de aanleg daarvan is begonnen. We mogen aannemen dat ook de kolonisten van het direct ten oosten van de Hunze gelegen Drenterwolde (Noorddijk, Middelbert, Engelbert), dat sinds 1040 onder het bisdom Utrecht ressorteerde, hun landerijen door middel van een kade hebben beschermd.

Aan de noordzijde werd hun gebied van het Centrale Woldland gescheiden door de Beijumerzuidwending. Op de kolonisatie van Drenterwolde kom ik in het vervolg nog uitvoerig terug.

Over de dijk die later ‘Grasdijk’ wordt genoemd en de grens vormde tussen de kerspelen Garmerwolde en de Heidenschap, is zo goed als niets bekend. Hij vormt de grens tussen verschillende verkavelingspatronen, hetgeen erop wijst dat de gebieden ter weerszijden elk een eigen ontstaansgeschiedenis hebben.

Zoals eerder verteld vermoedde Pieter Mennes Bos dat de Hunze bij het huidige Foxholstermeer naar het noordoosten aftakte en dan via de bedding van de Fivel naar zee kronkelde. Er zijn geen documenten die aantonen dat deze aftakking in historische tijd nog heeft gefunctioneerd. Maar het is niet ondenkbaar dat men bij het aanleggen van de Borg de door Bos gevonden watergang heeft afgesloten.

Behalve de Wolddijk, Beijumerzuidwending, de Grasdijk en de Borg is op het rechter plaatje  ook de Lodijk ingetekend die Duurswold aan de zuidzijde beschermde, alsmede de legendarische veendijk die aan de oostzijde van de Hunze in de richting van Ter Apel zou hebben gelopen. Deze dijken moesten voorkomen dat het ontgonnen laagland werd bedorven door zuur ‘lekwater’ uit de onontgonnen hoge venen.

Dikte van het veenpakket Dikte van het veenpakket

In Veendam laat een cortenstalen paal zien hoe dik het veenpakket vermoedelijk is geweest.

De exploitatie van het hoogveen; eerste fase De exploitatie van het hoogveen; eerste fase

Het Caartboek van Sappemeer, vervaardigd door de landmeter Jannes Tideman,"36" bevat op de eerste bladzijde een tekening van de drie stadia van de ontwikkeling der Veenkoloniën:

  • de ontginning van het woeste hoogveen en het graven van kanalen
  • het afgraven van de turf en het ontstaan van nederzettingen
  • het resultaat: een lommerrijk paradijs doorsneden door kanalen

Het hier getoonde plaatje brengt de eerste fase in beeld. Op de achtergrond zien we het onontgonnen hoogveen met een ‘meerstal’ (veenplas). De begroeiïng van het veen (‘het wold’) wordt opgeruimd door het in brand te steken. Het terrein op de voorgrond is al afgegraven. Het niveau daarvan ligt veel lager. We zien rechts de op ‘kloten’ gestapelde turven. In het midden wordt een ‘wijk’ gegraven.

 Monding van het Vismaar in de Delf Monding van het Vismaar in de Delf

Daar waar tegenwoordig een eenvoudig betonnen bruggetje ligt, zou in 1192 een zijltje zijn gebouwd. Het is het oudste zijltje in Groningerland dat in een schriftelijke bron wordt genoemd. Daar waar tegenwoordig een eenvoudig betonnen bruggetje ligt, zou in 1192 een zijltje zijn gebouwd. Het is het oudste zijltje in Groningerland dat in een schriftelijke bron wordt genoemd.

Zoals we zagen werd het hoogveen vanaf de wierden op de oever- en kwelderwallen ontgonnen. In de ontwaterde streek daalde de bodem. In deze lage strook tussen de hoge kwelder en het onontgonnen hoogveen verzamelde zich water dat niet via een natuurlijke watergang kon afstromen. Om het kwijt te raken groef men de Delf en de Deel, respectievelijk naar de Eems en de Hunzemonding.

We zagen ook al  dat deze kanalen in eerste instantie niet bedijkt waren en aan de zeekant niet waren afgesloten met een zijl. Daardoor hadden eb en vloed er vrij spel. Tegen het einde van de twaalfde eeuw zullen er echter dijken langs de Delf zijn gelegd die moesten verhinderen dat het aanliggende land bij vloed onderliep. Maar als je dijken legt om het buitenwater tegen te houden, sluit je tegelijk ook het binnenwater op. Om bij eb toch overtollig water te kunnen lozen heeft men in die eerste dijken al meteen zijltjes gelegd. Ofschoon we een slag om de arm moeten houden, lijken enkele mededelingen van abt Menko van Wittewierum erop te wijzen dat in het jaar 1192 in Garrelsweer een zijl is gelegd op de plaats waar het Vismaar in de Delf (het huidige Damsterdiep) uitkwam.

De bedijking van Groningerland De bedijking van Groningerland

We weten niet wanneer de bedijking van het kleigebied is voltooid. De aanleg van de zeedijken zal ongetwijfeld stapsgewijs zijn verlopen en een langdurig proces zijn geweest.

Volgens Hacquebord was er in het begin van de tiende eeuw al voldoende mankracht om grote bedijkingen uit te voeren (‘kernpolders’ van Middag en Humsterland; mogelijk ook in de Marne en Halfambt)."37"

Men is eenvoudig begonnen, met het omdijken van de kwelders van een paar wierden. Zo ontstonden kunstmatige eilanden. Stap voor stap zijn deze eilanden met elkaar verbonden, waarbij tussenliggende geulen werden afgedamd, eerst de smalle, daarna de brede.

Terwille van de ontwatering van de eilanden moesten zijlen worden gebouwd. Aanvankelijk waren dat vermoedelijk simpele kleppen die door het stijgende water zelf werden open- of dichtgedrukt en dus alleen bij laag buitenwater openstonden.

Op het plaatje zijn de binnendijken weggelaten en – vrij willekeurig – een aantal zeedijken ingetekend. Ten noorden van Langewold valt de dijk zowat samen met de grens tussen veen en klei. Het eiland Humsterland is omringd door een dijk, net zoals Middag. In het zuidoosten heb ik ook de Dollarddijken getekend. Die passen niet in het chronologische verband, omdat ze van veel later datum zijn. De Dollard bereikte zijn grootste omvang pas in het begin van de zestiende eeuw. Vanaf ongeveer halverwege diezelfde eeuw is men begonnen met het stapsgewijs terugwinnen van het land.

Tot slot van dit hoofdstuk over het belang van het reliëf een serie plaatjes over het verdwijnen van oneffenheden die herinneren aan de manier waarop onze bodem is ontstaan.

Zoals gezegd is het reliëf aan verandering onderhevig. Ik noemde al de bodemdaling als gevolg van de ontwatering van veengebieden en de aardgaswinning. Het gaat dan om grootschalige ontwikkelingen.

Daarnaast zijn er vele kleine veranderingen. De vele gronddepots (bijvoorbeeld langs het Van Starkenborghkanaal) en vuilstortplaatsen – we hebben er een aantal gezien – behoren daartoe. Verder worden tegenwoordig overal bolle percelen afgevlakt en kleine percelen samengevoegd door het dempen van sloten. Hier en daar worden ook natuurlijke laagten – sporen van oude waterlopen – opgevuld.

Verdwijnend reliëf bij Nieuwklap 1.  De Lindt 2.  Aduarderdiep 3.  Gaaikemadijk Verdwijnend reliëf bij Nieuwklap 1. De Lindt 2. Aduarderdiep 3. Gaaikemadijk

Ik laat van dat laatste twee voorbeelden zien in de buurt van Nieuwklap/Slaperstil. Op het plaatje links van Google Earth zien we een donkere verticale lijn en een lichte min of meer horizontale lijn. De eerste is het Aduarderdiep, de tweede de Friesestraatweg (N355). De smalle weg rechts die noordwaarts van de Friesestraatweg aftakt is de Gaaikemadijk.

Reliëf wordt zichtbaar op de hoogtekaart Reliëf wordt zichtbaar op de hoogtekaart

Op het  vorige plaatje zijn het satellietbeeld, de AHN en de kadasterlijntjes van HisGIS gecombineerd. Tussen het Aduarderdiep en de Gaaikemadijk – op de rechterhelft van het plaatje – toont het AHN-beeld nog wel een lage zone. We zien daarin twee kromme sloten, waarvan de loop door de kadasterlijntjes nog wat extra wordt verduidelijkt. Ze maken duidelijk dat hier in het verleden natuurlijke watergangen hebben gelopen.

De twee pijlen wijzen naar de plekken waar laagten zijn opgevuld. Van die laagten en de sloten die hier ooit hebben gelopen, is op het tegenwoordige satellietbeeld (zie het bovenste plaatje op de vorige bladzijde) niets meer te zien. We kijken eerst naar de situatie bij het rechterpijltje.

Oude satellietfoto Oude satellietfoto

Op een ouder satellietbeeld kunnen we zien dat de sloten tussen het Aduarderdiep, de Friesestraatweg en de Gaaikemadijk kort tevoren zijn gedempt. De daarvoor gebruikte klei is nog niet begroeid.

Tenslotte kijken we nog even naar de plek die zoëven door het linker pijltje werd aangegeven: een driehoekig terrein aan de Lindt, ten westen van het Aduarderdiep en ten noorden van de Friesestraatweg.

Ook in dit geval levert de combinatie van het satellietbeeld met de hoogtekaart een verrassend beeld op. Zeker wanneer we in plaats van de jongste de wat oudere hoogtegegevens gebruiken, wordt duidelijk dat het bedoelde driehoekige terrein een opmerkelijk reliëf vertoont. Zie daarvoor het onderstaande plaatje. Het grootste deel van het stukje land ligt uitgesproken laag, maar aan de westzijde ervan ligt een opvallende hoogte, onmiskenbaar een oeverwal. Verder blijkt dat deze laagte samenhangt met de kronkelende bedding ten noorden en de watergang ten oosten ervan. Wat we hier zien is het zuidelijke uiteinde van een inbraakgeul, die tegelijk met de Lauwerszee is ontstaan.

Verdwijnend reliëf tussen de Lindt en de Friesestraatweg bij Nieuwklap Verdwijnend reliëf tussen de Lindt en de Friesestraatweg bij Nieuwklap

De volgende foto’s zijn genomen op de plaatsen die door de pijlen worden aangegeven (eerst de bovenste, dan de onderste pijl).

Links: restant van de inbraakgeul bij Aduard, gezien vanaf de Friesestraatweg (N355) in noordwestelijke richting. De Lindt is rechts nog net te zien. Dit lage perceel is in 2006 opgehoogd. De foto is gemaakt in de winter 2006/2007.
Rechts: De oeverwal van de inbraakgeul tussen Nieuwklap en Aduard, gezien vanaf de Lindt in zuidoostelijke richting. Op de achtergrond de in 2006 met klei opgevulde laagte van de inbraakgeul.

Het proces van egalisering gaat razendsnel. Buiten beschermde gebieden als Middag-Humsterland is de bodem vogelvrij.

26.

Ben Westerink e.a., Hoogte op kleur. De Noord-Nederlandse landschappen verklaard vanuit de hoogtekaart (Groningen 2011).

27.

Egge Knol e.a. (red.), Professor Van Giffen en het geheim van de wierden (Veendam/Groningen 2005).

28.

J.K. de Cock, ‘De middeleeuwen’, in: Historie van Groningen, Stad en Land (Groningen 1976) 593-612 en H. Halbertsma, ‘De Groninger Delf Nederlands oudste gegraven waterweg?’ in het Nieuwsblad van het Noorden van 7 februari 1976.

29.

Oorkondenboek van Groningen en Drente, dl. I nr. 24 (OGD I 24).

30.

W.J. Formsma, ‘Delvinaria’, in: Groningse Volksalmanak. Historisch jaarboek voor Groningen 1976-1977 (28-25).

31.

Ligtendag, De Wolden, 196.

32.

Remi van Schaïk, Walfridus van Bedum. Een duizend jaar oude Groninger overlevering (Groningen 1985).

33.

Remi van Schaïk, ‘Binnen- en buitendijks: geschiedenis tot het einde van de achttiende eeuw’, in: Remi van Schaïk e.a. (red.), Onder vele torens. Een geschiedenis van de gemeente Bedum (Bedum 2002) 15-47.

34.

Gepubliceerd in: Remi van Schaïk e.a. (red.), Onder vele torens. Een geschiedenis van de gemeente Bedum (Bedum 2002).

35.

‘En toen is de dijk van de westerlingen, die “de nieuwe” werd genoemd, doorgebroken.’

36.

Het Caartboek van Sappemeer is te vinden in de toegang op het archief van het Veenkantoor (GrA T1468-149) en is in zijn geheel via archieven.nl raadpleegbaar. Het boek had eerder de signatuur T1536-7237.

37.

L. Hacquebord en A.L. Hempenius, Groninger dijken op deltahoogte (Groningen 1990) 37.