Zoek op de website

1.1 		Waterstaatsgeschiedenis in Groningen

‘Van alle gewesten, waaruit Nederland bestaat, is er geen, waar de studie van den bodem te allen tijde hooger in eere is gehouden dan in het gewest Groningen’. Dit schreef prof. J. van Baren in het levensbericht over Simon Petrus Rietema in de Groningsche Volksalmanak van 1926.

Het kan zijn dat dit in Van Barens tijd klopte, maar in de nieuwe Geschiedenis van Groningen wordt, in tegenstelling tot de Historie van Groningen van 1976, juist opvallend weinig aandacht geschonken aan de waterstaatsgeschiedenis."2" Over het algemeen lijken professionele historici er niet veel mee op te hebben.

Dat is jammer, want in een gebied als het onze heeft het water altijd een grote invloed gehad op het landschap en het leven van de mensen die er woonden en wonen. Het landschap vormt niet alleen het decor waartegen het mensenleven zich afspeelt, het speelt ook zelf een actieve rol. Het is ook zelf acteur in het drama dat geschiedenis heet. Het is dan ook niet vreemd dat zowat elke publicatie over dorps- of streekgeschiedenis een hoofdstuk bevat over de waterstaatkundige en landschappelijke ontwikkeling. De auteurs ervan hebben zelf vrijwel nooit onderzoek gedaan. Ze baseren zich allemaal op oudere publicaties.

Door wie zijn die dan geschreven?

Degenen die zich met de waterschapsgeschiedenis hebben bezig gehouden zijn vaak – gezien vanuit het oogpunt van de professionele historicus – amateurs: artsen, juristen, boeren, een civiel ingenieur, geografen. W.J. Wieringa, die in 1946 een studie publiceerde over de geschiedenis van het Aduarderzijlvest en het Ommelander waterschapswezen,"3" is een uitzondering.

Aanvankelijk waren het vooral archivarissen en ‘liefhebbers van de oudheidkunde’ die over waterstaatkundige onderwerpen publiceerden. Zij waren dus allesbehalve specialisten. Juristen als R.K. Driessen en H.O. Feith waren in de eerste plaats archivaris: ze brachten oude bronnen bijeen, beschreven, publiceerden en becommentarieerden ze. Ze probeerden de oude teksten te interpreteren en kwamen op die manier tot verhalen over de waterstaat. Hun invalshoek is ook de mijne.

Van echte specialisten was in de negentiende eeuw geen sprake. Eigenlijk bestond ook ‘geschiedenis’ nog niet als een wetenschappelijke discipline.

R.K. Driessen: Monumenta Groningana veteris aevi inedita (1827) R.K. Driessen: Monumenta Groningana veteris aevi inedita (1827)

Driessen was secretaris van de Ommelanden en wist als zodanig ook uit eigen ervaring hoe belangrijk het landschap en de waterhuishouding waren en zijn voor het reilen en zeilen van het gewest en zijn bewoners. Hij kende de provincie op zijn duimpje en wist verrassend veel over het landschap en zijn geschiedenis. Zijn hoofdwerk is een editie (met commentaar) van oude bronnen voor de Groninger geschiedenis, de Monumenta Groningana veteris aevi inedita, (‘onuitgegeven Groningse gedenkstukken van het verleden’), die in drie delen verscheen."4"

De Feithen De Feithen

De juristen H.O. Feith I (1778-1849) en zijn zoon H.O. Feith II (1813-1895) waren echte notabelen. Ze waren actief als advocaat, raadsheer bij de rechterlijke macht en bestuurder. Daarnaast waren ze archivaris. Ze maakten deel uit van een groep van liefhebbers (en kenners) van de Groninger geschiedenis.

G. Acker Stratingh (1804-1876), arts en geschiedvorser G. Acker Stratingh (1804-1876), arts en geschiedvorser

Naast de beide Feithen was de arts Gozewinus Acker Stratingh (1804-1876) een bekende allesweter en veelschrijver. Samen met H.O. Feith II en W.B.S. Boeles schreef hij de bekende Bijdragen tot de geschiedenis en oudheidkunde, inzonderheid van de provincie Groningen (1864-1873) vol. Met de Winschoter burgemeester G.A. Venema schreef hij ook een studie over de Dollard (1855), die in 1979 werd heruitgegeven.

Dr. Rembertus Westerhoff (1801-1874) Dr. Rembertus Westerhoff (1801-1874)

Een iets oudere tijdgenoot van Acker Stratingh was Rembertus Westerhoff (1801-1874), ook al arts, te Warffum.

Westerhoff was nog veel meer dan Acker Stratingh een alleskunner en allesweter. Hij was behalve arts ook botanicus, natuurkundige en historicus, en hij deed ook aan politiek. Hij zat als Thorbeckiaans liberaal in de Tweede Kamer. Hij richtte het Provinciaal Kabinet van Oudheden op, de voorganger van het Museum van Oudheden van jhr. mr. J.A. Feith, dat op zijn beurt weer de voorganger was van het huidige Groninger Museum.

Samen met Acker Stratingh schreef hij een Natuurlijke historie der provincie Groningen (1839). Hij publiceerde in de Bijdragen tot de geschiedenis en oudheidkunde, inzonderheid van de provincie Groningen van 1869 een ‘Bijdrage tot de oude geographie der provincie Groningen’, maar werd vooral bekend door zijn publicaties over de ‘kwelderkwestie’ (De kwelder-kwestie nader toegelicht, of Betoog dat de kwelderlanden en aanwassen, langs onze wadden gelegen, niet zijn de eigendom van den staat, maar der tegenwoordige partikuliere bezitters en niet vallen onder het bereik van het art. 538 van den code civ. of onder dat van het daarop gebouwde keizerlijke decreet van den 11 januarij 1811, voorgedragen in de vergadering van het Groninger Genootschap Pro Excolendo Jure Patrio, mei 1843 en later hier en daar bijgewerkt en met aantekeningen vermeerderd, Groningen 1844).

Pieter Mennes Bos (1844-1919) Pieter Mennes Bos (1844-1919)

Ik ga nog even door met het bespreken van oude knarren. Ze zijn tegenwoordig een beetje in vergetelheid geraakt, maar toen ik bijna 45 jaar geleden bij het Rijksarchief in de provincie Groningen kwam werken was dat nog niet zo. Niet dat hun werken nog druk werden gelezen, maar men kende wel hun namen en als het nodig was wist men hun publicaties ook te vinden. Ze verdienen het om nog eens op een rijtje te worden gezet.

Een generatie jonger dan Acker Stratingh en Westerhoff zijn boer Pieter Mennes Bos, de arts Sybrand Pieter Rietema en de boer en bestuurder Doeke Kloppenburg. Pieter Mennes Bos was landbouwer op het Zandster Voorwerk in Zijldijk en werd bekend door zijn onderzoek naar de Fivel.

‘Hij behoorde tot die menschen, die zich onophoudelijk bij het gaan door de velden afvragen: “Waarom is daar een bocht in den weg? Waarom ligt die boerderij zoo ver van den weg? Waarom is die sloot krom?” enz. enz.’ (Johan van Veen in de inleiding op De Fivel en hare verzanding).

Bos maakte op de fiets verkenningstochten door de omgeving, tot in het Drentse bovengebied aan toe. Hij deed dat soms samen met zijn vriend, de oudheidkundige Jakob Vinhuizen van Middelstum (1858-1933).
In het Drentse lieten ze zich gidsen door een kenner van de streek, de schrijver, dichter en volkskundige Harm Tiesing uit Borger.

 ‘De Fivel en hare verzanding’ ‘De Fivel en hare verzanding’

Na Bos’ overlijden heeft de in Uithuizermeeden geboren ir. Johan van Veen (‘de geestelijke vader van het Deltaplan’) zijn nagelaten aantekeningen bewerkt en ervoor gezorgd dat ze gepubliceerd werden. Ze verschenen tien jaar na Bos’ dood in twee afleveringen van het Tijdschrift van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap."5"

Ofschoon de titel de indruk wekt dat Bos zich alleen voor de Fivel interesseerde, betreffen zijn aantekeningen ook de waterstaatkundige toestand in andere delen van het gewest.

Oog voor kronkels. Voor het eerst werden in een soortgelijk werk ook foto’s opgenomen, die op aanwijzing van Bos waren gemaakt door Willem Frederik Pastoor te Loppersum (1884-1972). Oog voor kronkels. Voor het eerst werden in een soortgelijk werk ook foto’s opgenomen, die op aanwijzing van Bos waren gemaakt door Willem Frederik Pastoor te Loppersum (1884-1972).

De foto’s illustreren de werkwijze van Bos: hij signaleerde kronkels en andere afwijkingen van het normale, rationele patroon en trok daaruit zijn conclusies. Zijn aantekeningen laten zien dat hij de literatuur over het landschap heeft gelezen, maar aandacht aan oude schriftelijke bronnen schenkt hij niet. Het landschap zelf is zijn voornaamste bron.

Nog meer dan aan de foto’s is dat te zien aan de kaart die bij ‘De Fivel en hare verzanding’ hoort. Op een topografische kaart zijn de waterlopen, dijken en zijlen ingetekend zoals Bos die op basis van zijn waarnemingen in het veld had gereconstrueerd.

S.P. Rietema (1864-1925) S.P. Rietema (1864-1925)

Ook Simon Petrus Rietema, die arts was in Uithuizermeeden, moest het vooral van het landschap hebben. Hij reed op zijn motorfiets door zijn geliefde Groningerland en gaf zijn ogen de kost. Op basis van zijn waarnemingen stelde hij theorieën op over de ontwikkeling van het landschap.

Rietema ontdekte onder meer de plaats die in een veertiende-eeuwse akte ‘Arbere’ wordt genoemd. Het gaat om een plek tussen Aduard en Fransum, daar waar wijlen Albert Harkema zijn miniatuurkerkje heeft gebouwd.

Veel aandacht aan de schriftelijke bronnen schonk ook dokter Rietema niet.

Het Aduarderdiep en zijn omgeving volgens S.P. Rietema"6"

Doeke Kloppenburg (1878-1961) als lid van de Rederijkersvereniging ‘Nicolaas Grijp’ in Grijpskerk (1917) Doeke Kloppenburg (1878-1961) als lid van de Rederijkersvereniging ‘Nicolaas Grijp’ in Grijpskerk (1917)

Datzelfde geldt voor de in Munnekezijl geboren Doeke Kloppenburg (1878-1961), die lange tijd boer is geweest onder Grijpskerk en in die gemeente ook wethouder werd. Hij maakte ook hogerop politieke carrière: hij werd Statenlid en lid van Gedeputeerde Staten.

Kloppenburg was vooral gefascineerd door het verschijnsel van opslibbing en de bedijking van Groningerland. Hij publiceerde in eigen beheer verschillende boeken over de waterstaatkundige ontwikkeling van Nederland. Hij richtte zijn aandacht in het bijzonder op de veranderingen van het bodemniveau in het Noordzeegebied en de gevolgen daarvan voor de waterhuishouding. Daarbij kon hij gebruik maken van zijn grote kennis van de eigen regio."7"

Kloppenburg had vooral oog voor het reliëf en probeerde aan de hand van sporen in het landschap en theorieën over opslibbingsprocessen de geschiedenis van de bedijkingen te reconstrueren. In enkele afleveringen van het Tijdschrift van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap gaf hij zijn visie op de waterstaatkundige ontwikkeling van het Westerkwartier."8" Daarbij besteedde hij onder meer aandacht aan de gecompliceerde situatie bij Aduard.

Arbere en omgeving volgens  D. Kloppenburg (1944) Arbere en omgeving volgens D. Kloppenburg (1944)

Archivaris jhr. mr. J.A. Feith (1858-1913) Archivaris jhr. mr. J.A. Feith (1858-1913)

Met Kloppenburg zijn we al halverwege de twintigste eeuw aangeland. Al eerder maakte ik melding van de archivarissen H.O. Feith I en H.O. Feith II en hun rol in de Groninger geschiedschrijving. Zij interesseerden zich voor alles wat met Stad en Lande verband hield en wisten er ook veel van.

Hetzelfde geldt voor het derde lid van deze archivarissen-dynastie, jhr. mr. J.A. Feith (1858-1913). Johan Adriaan Feith hield zich niet speciaal met de waterstaatsgeschiedenis bezig, maar heeft het onderzoek daarnaar wel bevorderd. Hij deed dit door het inventariseren van de zijlvestenij- of waterschapsarchieven. Daardoor konden belangstellenden – ook niet-Groningers! – de weg vinden in de oude papieren van de waterbeheerders."9"

Archiefinventarissen: geen spannende boeken, maar wel nuttig. Links de inventaris van mr. J.A. Feith van 1901, rechts die van P.H. Meekhoff Doornbosch van 1905. Archiefinventarissen: geen spannende boeken, maar wel nuttig. Links de inventaris van mr. J.A. Feith van 1901, rechts die van P.H. Meekhoff Doornbosch van 1905.

Naast de ‘jonge Feith’ maakte ook P.H. Meekhoff Doornbosch een catalogus van de waterschapsarchieven, en dan in het bijzonder van die welke afkomstig waren van de zijlvestenijen en dijkrechten die waren opgegaan in het toenmalige waterschap Hunsingo."10" Deze archieven zijn onlangs door het Noorderzijlvest ter bewaring overgedragen aan het RHC Groninger Archieven."11"

CdK Carel Coenraad Geertsema (1843-1928) CdK Carel Coenraad Geertsema (1843-1928)

Commissaris van de Koningin Carel Coenraad Geertsema was volgens J.A. Feith een ‘kenner bij uitnemendheid van de waterstaatsbelangen van de provincie Groningen in vroegere en tegenwoordige tijden’.

Deze magistraat stelde een compleet overzicht samen van alle zeeweringen en waterschappen in de provincie Groningen."12" Het werk bestond uit twee delen: de beschrijving (een bij de Erven A. van der Kamp verschenen dikke pil) en een set kaarten, waarop alle toenmalige polders met hun grenzen en hoofdwatergangen zijn ingetekend.

Johan Kooper (1876-1939): een ‘buitenlander’ Johan Kooper (1876-1939): een ‘buitenlander’

Een van die niet-Groningers die dank zij de inventarisaties van Feith en Meekhoff Doornbos gebruik konden maken van de schriftelijke bronnen, was de Hagenaar Johan Kooper. Deze genieofficier had in opdracht van Provinciale Staten van Groningen de mogelijkheid onderzocht om een eigen provinciale waterleiding op te zetten. Daarmee had hij zich zo’n goede naam verworven, dat hij in 1915 tot hoofdingenieur van de Provinciale Waterstaat werd benoemd. Hij publiceerde in 1939 als eerste een compleet overzicht van de hele waterstaatsgeschiedenis in het gewest."13"

Koopers overzichtswerk over de geschiedenis van de Groninger waterstaat (1939) Koopers overzichtswerk over de geschiedenis van de Groninger waterstaat (1939)

Kloppenburg zette zich in zijn geschriften vaak en heftig af tegen de opvattingen van Kooper, maar maakte wel gebruik van de kaartjes die deze ‘buitenlander’ had getekend. Het lijkt erop dat Kloppenburg moeite had met het feit dat een vreemdeling en ambtenaar als Kooper zich op een terrein begaf dat bij uitstek het domein was waarop autochtone boeren zoals hijzelf thuis waren.

Hoe mensen als Kloppenburg ook over Kooper mochten denken, de Haagse ambtenaar heeft grote verdiensten voor de Groningse waterstaatsgeschiedenis. Hij was in feite de eerste professional die zich grondig in het thema verdiepte en bracht in zijn boek de destijds beschikbare kennis bij elkaar.

Afgezien nog van de inhoudelijke kwaliteiten van Koopers boek, vind ik het ook een prachtig voorbeeld van de vormentaal van die tijd. Zowel qua vormgeving als kleurgebruik doet zijn Waterstaatsverleden denken aan het werk van Berlage.

 Uitsnede uit Koopers kaart IV: ‘De zijlvestenijen in 1854 verenigd tot het waterschap Hunsingo’ Uitsnede uit Koopers kaart IV: ‘De zijlvestenijen in 1854 verenigd tot het waterschap Hunsingo’

Kooper tekende overzichtelijke kaartjes waarin hij de oude situatie in beeld bracht zoals hij zich die dacht, compleet met waterlopen, zijlen en zijltochten, dijken en dammen. Hij voegde er ook een overzicht bij van de schriftelijke bronnen, in het bijzonder die welke van belang waren voor de oudste geschiedenis van de waterstaat. Hij was de eerste die dat op zo’n degelijke manier deed.

Kooper verdeelde het gebied in enkele onderdelen:

  1. het lozingsgebied van de Drie Delfzijlen
  2. het gebied dat in 1854 onder het Waterschap Hunsingo was verenigd
  3. het Westerkwartier
  4. het gebied van Hunze en A bij Groningen
  5. Oldambt en Reiderland
De bodem werd onderzocht door Stiboka te Wageningen De bodem werd onderzocht door Stiboka te Wageningen

Zoals we zagen waren het aanvankelijk vooral archivarissen, dokters, boeren en een enkele ingenieur die zich in het landschap en de waterstaat hebben verdiept. Maar in de loop van de decennia hebben zich specialismen ontwikkeld, waarbinnen inzichten werden gewonnen die van groot belang zijn voor de geschiedenis van de waterstaat. Ik denk aan de archeologie, geologie, bodemkunde en ecologie.

Wim Roeleveld, The Groningen Coastal Area (1974) Wim Roeleveld, The Groningen Coastal Area (1974)

Er zijn zoveel specialismen dat ik niet alles kan noemen, laat staan bespreken. Dat hoeft ook niet, want al die verschillende studies hebben niet rechtstreeks betrekking op de geschiedenis van het landschap of de waterstaat. Wel leveren ze gegevens op die van belang zijn bij de studie van de natte infrastructuur in het verleden.

Ik noem enkele voorbeelden en begin met het pure bodemonderzoek: De bodem van Groningen van L.A.H. de Smet en de Bodemkaart van Groningen (1965 en 1973). Het onderzoek werd verricht door Stiboka (Stichting voor Bodemkartering) te Wageningen en was primair bedoeld om de kwaliteiten van de bodem vast te stellen ten behoeve van het agrarisch gebruik.

In onze contreien is het vooral A.E. Clingeborg geweest die veel over bodemkundige onderwerpen heeft gepubliceerd. Hij ontwikkelde – onder meer – een alleszins plausibele theorie over de ontstaansgeschiedenis van het Centrale Woldgebied ten noorden van de stad Groningen.

De eenvoudige vormgeving van het proefschrift van Wim Roeleveld"14"(een pak stencils zonder fatsoenlijke kaft) staat in schril contrast met de betekenis ervan. In de decennia na het verschijnen van Roelevelds studie hebben alle archeologen en landschapshistorici op hem voortgebouwd.

In latere publicaties zijn de simpele zwart-wit kaartjes uit Roelevelds dissertatie opgepimpt tot fraaie topografische afbeeldingen in full color.

Het proefschrift van Marijke Miedema (1983) Het proefschrift van Marijke Miedema (1983)

Even simpel is de buitenkant van het proefschrift van de archeologe Marijke Miedema over de bewoningssporen uit de terpentijd."15" Voor wat de bodem betreft baseert Miedema zich onder meer op het werk van Roeleveld.

Producten van de Provinciale Planologische Dienst van Groningen Producten van de Provinciale Planologische Dienst van Groningen

Inmiddels was de Provinciale Planologische Dienst (PPD) onder leiding van ir. Piet Spijk begonnen met het inventariseren en in kaart brengen van de geomorfologie van het Groninger landschap en de cultuur-historische elementen daarin.

De dienst startte dit onderzoek in 1975 in het kader van het ‘Integraal Structuurplan voor het Noorden des Lands’ en zette het later voort om op deze manier een gedegen basis te leggen voor de verschillende streekplannen in de provincie Groningen.

In het kader van dit project verschenen 3 rapporten met kaartenbijlagen.

  • 1985: Fysische Geografie in de provincie Groningen (F.L. Snijders).
  • 1985: Archeologische en cultuurhistorische terreinen in de provincie Groningen en hun mogelijkheden voor bestemming, inrichting, aankoop en beheer (J.J. Meijering en A. Spakman).
  • 1987: De landelijke lijn. Kavelpatronen en lineaire elementen in het Groninger Landschap cultuurhistorisch bekeken (M. Schroor).

Wanneer culturele en natuurwaarden moeten wijken voor economische belangen, kunnen de politici en bestuurders zich niet beroepen op hun onwetendheid. De PPD heeft alles netjes geïnventariseerd.

Golden Raand (2007): een fraai overzicht Golden Raand (2007): een fraai overzicht

Tegenwoordig moeten boeken een grote verkoopbare oplage hebben willen ze uitgegeven kunnen worden. Deze ‘publieksboeken’ bevatten doorgaans weinig of geen nieuws. Daarmee wil ik de betekenis van een boek als het schitterende Golden Raand niet in twijfel trekken. Hierin komen alle landschappen van Groningen aan bod, compleet met hun waterstaatsgeschiedenis.

Het is prachtig dat de Stichting Het Groninger Landschap een boek als dit een ruime verspreiding heeft gegeven. Hoe meer mensen belangstelling hebben voor het landschap en er kennis van opdoen, hoe beter het is.

Het is niet toevallig dat Golden Raand geschreven is door Jan Meijering en Meindert Schroor. Beiden hebben een groot aandeel gehad in het inventarisatiewerk van de PPD in de jaren 80 van de vorige eeuw.

Dezelfde stof presenteerden Meijering en Schroor al eerder en in kleiner bestek in het boekje Het Groninger Landschap, dat in 1989 verscheen als deel 8 in de ‘Stad en Lande historische reeks’.

Golden Raand is ontegenzeggenlijk een mooi en waardevol boek, maar het voegt weinig toe aan onze kennis van het landschap en de waterstaatsgeschiedenis.

Mooie boeken, maar meeestal niet veel nieuws Mooie boeken, maar meeestal niet veel nieuws

In de jaren 90 van de vorige eeuw verschenen boeken over de Hunze en Drentse A. Ze zijn gebaseerd op eerder gepubliceerde studies en zijn voornamelijk mooi. Bovendien voorzien ze beslist in een behoefte aan informatie over ons landschap.

  • J.H.N. Elerie en G. Overdiep (red.), Tien eeuwen Hunze. Renaissance van een oerstroomdal (Groningen 1997)
  • Hans Elerie en Gerrie Koopman (red.), Stroomdallandschap Drentsche Aa. Een arcadisch pronkstuk tussen Assen en Groningen (Groningen 1996)

Bij deze publicaties zijn ook twee jongere werken over Fivelgo en het Dollardgebied afgebeeld. Ze maken deel uit van de serie ‘Archeologie in Groningen’. De vijf themaboeken hiervan behandelen evenzoveel Archeologische Informatiepunten (AIP).

  1. Warffum; landschapsontwikkeling en bewoningsgeschiedenis van het Hogeland.
  2. Zeerijp; middeleeuwse baksteenindustrie.
  3. Appingedam; water in Oost-Fivelingo.
  4. Middag-Humsterland.
  5. Nieuweschans; het landschap rondom de Dollard.

In het bijzonder de boeken van Jan Delvigne (over Middag-Humsterland) en Otto Knottnerus (over Fivelgo) dienen in dit verband genoemd te worden.

Jan Delvigne, Middag-Humsterland Jan Delvigne, Middag-Humsterland

In Middag-Humsterland"16"ontwikkelde Jan Delvigne met behulp van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) nieuwe inzichten over de ontstaansgeschiedenis van het landschap.

Otto Knottnerus maakte voor de serie ‘Archeologie in Groningen’ twee goed gedocumenteerde boeken over de archeologie en landschapsgeschiedenis van Fivelgo."17" Opmerkelijk zijn vooral de kaartjes die hij voor deze publicaties heeft gemaakt en die een reconstructie geven van het middeleeuwse landschap. Ze zijn een zorgvuldige synthese van gegevens die afkomstig zijn uit de bodemkunde, hoogtemetingen, archeologie en de oudste schriftelijke bronnen.

De abtenkroniek van Aduard De abtenkroniek van Aduard

Jan Delvigne heeft zijn bevindingen samen met Hans Mol verder uitgewerkt in het artikel ‘Het klooster, het land en het water’ in een bundel die is samengesteld rondom een vertaling van de abtenkroniek van Aduard."18"

Kijkboek Middag Humsterland (2011) Kijkboek Middag Humsterland (2011)

In vergelijking met de zojuist genoemde publicaties is het in 2011 verschenen en hierbij afgebeelde Middag-Humsterland vooral een mooi kijkboek. In de subtitel noemt het zichzelf ‘kroniek’, maar met geschiedschrijving heeft het niets van doen."19"

 De Groninger zeedijken en hun geschiedenis (1990) De Groninger zeedijken en hun geschiedenis (1990)

Er zijn de laatste jaren nog veel meer publicaties over waterstaatkundige thema’s verschenen, soms als zelfstandige boeken, soms als artikelen in bundels of tijdschriften. Zoals gezegd bevat trouwens elk dorps-of streekboek wel een hoofdstuk over het waterstaatswezen. Nieuws bevatten zulke publicaties zelden. Dat geldt ook voor allerlei plannen op het terrein van de ruimtelijke ordening, die allemaal met een historische paragraaf beginnen.

Vervolgens doen zich voortdurend gelegenheden voor die om gedenkboeken vragen.

Een van die gelegenheden was de verhoging en verzwaring van de Groninger zeedijken (1990)."20"Ook de ingrijpende reorganisatie van het waterschapswezen in de tweede helft van de vorige eeuw gaf aanleiding tot het verschijnen van verschillende gedenkboeken.

Meindert Schroors Wotter: de ‘nieuwe Kooper’ Meindert Schroors Wotter: de ‘nieuwe Kooper’

Ik laat al die gelegenheidswerken hier buiten beschouwing. Voor mijn onderwerp – de oudere waterstaatsgeschiedenis – hebben ze weinig of geen betekenis.

Ik maak een uitzondering voor het boek Wotter van Meindert Schroor, dat verscheen ter gelegenheid van de afsluiting van een dertig jaar durende reorganisatie van het Groninger waterschapswezen (1 januari 1995)."21"

Volgens de omslagtekst moeten we deze publicatie beschouwen als een standaardwerk à la Koopers Waterstaatsverleden. Dat is het wellicht ook wel voor de jongere ontwikkelingen op het terrein van de waterstaatsgeschiedenis, en dan in het bijzonder de periode 1850-1995. Het bevat echter ook een drietal hoofdstukken die betrekking hebben op de periode die daaraan voorafgaat. Schroor geeft hierin een mooi overzicht van de oudere waterstaatsgeschiedenis. Nieuwe informatie voegt hij niet toe. Het is de stof die in Golden Raand opnieuw en in een andere samenhang wordt gepresenteerd.

Het meeste van deze informatie gaat terug op Koopers Waterstaatsverleden en, vooral, op het werk van Siemens.

B.W. Siemens, boer op De Hoogte onder Houwerzijl, is zonder twijfel een van de grote figuren op het gebied van de Groninger geschiedschrijving. Vrijwel iedereen die zich met de gewestelijke geschiedenis bezighoudt, maakt – soms zonder het zich te realiseren – gebruik van de resultaten van zijn onderzoekingen.

Siemens schreef verschillende artikelen over waterstaatsaangelegenheden, maar is het meest bekend vanwege zijn Historische Atlas van de provincie Groningen en de toelichting daarop (1962). Hij gaf daarin een overzicht van de jurisdictie- en kerspelgrenzen en de kloostergoederen in de provincie. De kaarten zijn het resultaat van een enorme hoeveelheid geduldig archiefwerk. Tegenwoordig zijn deze gemakkelijk te raadplegen via de website van HisGIS.

De ligging van de kloostergoederen volgens B.W. Siemens De ligging van de kloostergoederen volgens B.W. Siemens

Een zilveren anjer voor B.W. Siemens  Op 21 juni 1968 kreeg Siemens door prins Bernhard een zilveren anjer opgespeld.  Freule dr. J.M. van Winter en rijksarchivaris dr. W.J. Formsma traden bij deze gelegenheid op als paranimfen. Een zilveren anjer voor B.W. Siemens Op 21 juni 1968 kreeg Siemens door prins Bernhard een zilveren anjer opgespeld. Freule dr. J.M. van Winter en rijksarchivaris dr. W.J. Formsma traden bij deze gelegenheid op als paranimfen.

Zonder overdrijving kun je zeggen dat Siemens’ werk grondleggend is geweest. In zijn laatste jaren voltooide hij nog een overzichtswerk over de geschiedenis van het Groninger waterschapswezen, Dijkrechten en zijlvesten (1974). Hij bestudeerde daarvoor de archieven van waterschappen en zijlvestenijen en ook die van de provinciale overheid. Op die manier combineerde hij dus schriftelijke bronnen met zijn op de boerenpraktijk gebaseerde kennis.

Presentatie van het laatste grote werk van B.W. Siemens: Dijkrechten en zijlvesten (1974) Presentatie van het laatste grote werk van B.W. Siemens: Dijkrechten en zijlvesten (1974)

Sinds zijn verschijnen geldt Dijkrechten en zijlvesten van B.W. Siemens"22" – bestaande uit een boekje en een zevental kaarten in een doos – zo’n beetje als het laatste woord op waterstaatshistorisch gebied. Schroors boeken, de PPD-rapporten en alle boerderij- en streekboeken gaan terug op Siemens.

Maar, hoe bewonderenswaardig Siemens’ Dijkrechten en zijlvesten ook mag zijn, het werk bevat nogal wat missers en – vooral – heel veel ongefundeerde beweringen. Die worden door iedereen voor zoete koek aanvaard en kritiekloos overgeschreven.

Net zoals Kloppenburg kon Siemens zich af en toe vrolijk maken over de theorieën van studeerkamergeleerden die niet, zoals hijzelf en zijn collega-boeren, met hun laarzen in de klei stonden en uit de praktijk wisten hoe het water liep.

W.A. Ligtendag, De Wolden en het water (1995) W.A. Ligtendag, De Wolden en het water (1995)

Vrijwel alles wat tegenwoordig op het gebied van de waterschaps- en landschapshistorie verschijnt, valt in de categorie publieksboeken en is gebaseerd op oudere literatuur, die doorgaans kritiekloos wordt gevolgd. Dat is niet zo vreemd. Echt wetenschappelijk onderzoek levert doorgaans geen lees- en verkoopbare lectuur op. Toch zijn er wel een paar uitzonderingen op de vrijwel algemene overschrijverij.

Eerder noemde ik al Jan Delvignes studies over Middag-Humsterland en die van Otto Knottnerus over Fivelgo. Maar een even gunstige uitzondering op de regel is de dissertatie van W.A. Ligtendag uit 1994."23" Ligtendags De Wolden en het water is in mijn ogen een toonbeeld van hoe een onderzoek moet zijn. Het is gebaseerd op gedegen bronnenonderzoek, gecombineerd met gegevens uit allerlei verschillende disciplines.

Dat wil niet zeggen dat zijn werk op alle punten overtuigt. De landschaps- en waterstaatsgeschiedenis blijft nu eenmaal een onderzoeksgebied waarover men op goede gronden afwijkende en zelfs tegengestelde standpunten kan verdedigen. Bovendien is het een illusie te denken dat men alle relevante bronnen kan opsporen en bestuderen. Tenslotte kan zelfs het meest gedegen onderzoek nooit meer zijn dan een soort momentopname. Er komen voortdurend nieuwe gegevens beschikbaar en het is ondoenlijk om de vorderingen van alle verschillende disciplines te volgen.

 Een dappere poging Een dappere poging

Een enkele keer komt het ook voor dat iemand zijn tanden zet in een afzonderlijk waterstaatshistorisch probleem. Een voorbeeld daarvan is een artikel over de omleiding van de Hunze in het cultuur-historisch tijdschrift Stad en Lande van december 2009. Het verhaal is een dappere poging om op basis van een primaire bron tot nieuw inzicht te komen.

Ik noem dit artikel omdat het voor mij de aanleiding was om me opnieuw op de geschiedenis van de Groninger waterstaat te storten. Ik had me al eerder met dat onderwerp bezig gehouden in Groningen, een stad apart, en dacht dat ik er zo’n beetje vanaf was. Het artikel in Stad en Lande dwong me om opnieuw naar de stukken te kijken die ik eind jaren 70, tijdens de inventarisatie van het Groninger stadsarchief, al eens onder ogen had gehad.

Het resultaat ervan publiceerde ik in de eerste aflevering van Stad en Lande van 2010  (‘Een inspirerende vergissing’). Bij mijn onderzoek ging en ga ik op dezelfde manier te werk als mijn negentiende-eeuwse voorgangers. Die deden niet aan wetenschappelijke vraagstellingen, stelden geen theorieën op die ze konden toetsen, maar zaten rustig in het archief en probeerden de oude stukken te begrijpen die ze lazen.

Aandacht voor het Gorecht Aandacht voor het Gorecht

Hetzelfde deed ik ook in Groningen, een stad apart (2007)."24" In dat boek staat een omvangrijk hoofdstuk over het Gorecht of Gericht van Selwerd, een van de zogenaamde ‘stadsjurisdicties’. Hierin behandel ik de grenzen van het Gorecht, die grotendeels van kunstmatige origine zijn. Dat is het gevolg van het feit dat deze grenzen zijn getrokken in een gebied dat in de middeleeuwen is gekoloniseerd en in cultuur gebracht.

Mijn aandacht ging toen in het bijzonder uit naar de waterhuishouding in de lage landen ter weerszijden van de Hondsrug (Neerwolde en Lieuwerderwolde aan de westzijde, Drenterwolde aan de oostkant). De indruk die ik aan het onderzoek overhield was dat problemen op het terrein van de waterbeheersing gevolgen hebben gehad voor de staatkundige en bestuurlijke organisatie van het gebied.

‘Dokteren aan het Peizerdiep’ (2007) ‘Dokteren aan het Peizerdiep’ (2007)

Ook buiten het Gorecht – maar wel in het verlengde van de ontwikkelingen daar – stuitte ik op enkele intrigerende sporen. Deze gaven me aanleiding om nog wat meer aandacht te schenken aan het Peizerdiep. Het onderwerp kon ik in Een stad apart niet kwijt, maar gelukkig was er wel plaats voor in Hervonden Stad van 2007.

In de volgende delen kom ik daarop nog uitvoerig terug.

Een kronkelend verhaal (2011) Een kronkelend verhaal (2011)

Het resultaat van het onderzoek waartoe het artikel in Stad en Lande van 2009 de aanleiding was, is in 2011 verschenen."25"

De twee thema’s van dat artikel (twee akten uit de jaren 1321 en 1322 en de ingrepen in de loop van de Hunze) komen in dit boek uitvoerig aan de orde, maar daarnaast bevat het nog veel meer over de geschiedenis van het landschap rondom Groningen.

In ‘Groningen en het Drentse water’ komen de thema’s van Een kronkelend verhaal weer terug, maar zal ik ook veel meer aandacht schenken aan de ontwikkelingen ten westen van de Hondsrug. Daar vinden we het stroomgebied van de Drentse A en het Peizerdiep. Het domein dus van Kloppenburg, Rietema en Jan Delvigne.

Een vakantiekiekje uit 1955 Een vakantiekiekje uit 1955

Bij dit alles moet ik iets bekennen: dit jongetje was al heel vroeg gefascineerd door stromend water. Als kind kon ik praktijkonderzoek doen op het strand van Zoutelande. Bij eb groef ik geultjes waardoor ik kwelwater uit verschillende putten naar elkaar toe liet stromen. Het stromende water en zijn gedrag fascineerde me eindeloos.

Nieuw onderzoek is nodig

Er zijn op zijn minst vier redenen om opnieuw naar de bronnen te kijken:

  1. Eerst een argument van algemene aard. In de wetenschap hoort elk onderzoek herhaald te worden. Dat is nodig om subjectieve invloeden uit te schakelen en om los te komen van de context waarin elk onderzoek wordt uitgevoerd.
  2. Daar komt in dit specifieke geval bij dat de middeleeuwse bronnen na de 19e eeuw eigenlijk niet meer serieus zijn bekeken. Zo goed als alle onderzoekers hebben zich tevreden gesteld met korte samenvattingen van de oude teksten (‘regesten’ en ‘kopnoten’), vertalingen of – op zijn best – transcripties. Fouten die bij het overschrijven en de interpretatie zijn gemaakt door archivarissen en uitgevers, werken als gevolg daarvan door in alle literatuur die van die bronnenuitgaven afhankelijk is.
  3. Sinds de negentiende eeuw is er een massa nieuwe kennis verzameld op terreinen die voor de waterstaatsgeschiedenis van belang zijn. Ik denk aan de archeologie, geologie en bodemkunde. Daarvan wordt door de onderzoekers van nu uiteraard druk gebruik gemaakt, maar dat gebeurt zelden of nooit in combinatie met een nieuwe bestudering van de oude bronnen.
  4. De digitale revolutie heeft nieuwe mogelijkheden geschapen op het terrein van de toegankelijkheid van teksten, het verkrijgen en bewerken van gegevens en de manier om verschijnselen zichtbaar te maken. Ik denk daarbij onder meer aan Bodemdata.nl van Stiboka, HisGIS, de AHN-viewer en Cartago.
Website van het Kenniscentrum Landschap aan de RUG Website van het Kenniscentrum Landschap aan de RUG

Het is mooi dat er tegenwoordig zoveel belangstelling is voor het landschap.

Aan de Rijksuniversiteit Groningen bestaat sinds enige jaren zelfs een nieuw kenniscentrum, dat wordt geleid door prof.dr.ir. Theo Spek. Het nieuwe instituut wil de plek zijn waar kennis van allerlei herkomst wordt gebundeld en geïntegreerd. Dat is nodig om op een eigentijdse manier aan landschapsonderzoek te doen. De materie is zo divers en de studie ervan stelt zo uiteenlopende eisen, dat ze voor een enkel individu nauwelijks meer te behappen is.

Ofschoon ik veel verwacht van het nieuwe kenniscentrum, ben ik bang dat de interpretatie van oude bronnen toch een zorgenkindje zal blijven.

2.

W.J. Formsma e.a. (red.), Historie van Groningen (Groningen 1976) en M.G.J. Duijvendak e.a. (red.), Geschiedenis van Groningen, 3 dln. (Zwolle, [2008-2009]).

3.

W.J. Wieringa, Het Aduarderzijlvest in het Ommelander waterschapswezen (Groningen 1946).

4.

Robertus Keuchenius Driessen, Monumenta Groningana veteris aevi inedita, of Verzameling van onuitgegeven oude charters en stukken betreffende de provincie Groningen, aanvang nemende met de vroegste tijden en eindigende met het laatste van de veertiende eeuw, 4 dln. (Groningen, 1822-1830).

5.

Johan van Veen, ‘De Fivel en hare verzanding; bewerkt uit de nagelaten aanteekeningen van P.M. Bos’, TKNAG, 47 (1930), 673-692 en 773-801.

6.

S.P. Rietema, ‘Het Aduarderdiep en de Aduarderzijl’, in: GVA 1924, 108-120.

7.

D. Kloppenburg, Niveauveranderingen gedurende onze jaartelling in verband met de waterstaatkundige ontwikkeling van ons land, in het bijzonder die der provincie Groningen (Grijpskerk 1952).

8.

D. Kloppenburg, ‘De waterstaatkundige ontwikkeling van het Westerkwartier’, in: TKNAG, dl. 61 (1944), p. 329-356, 429-455, 548-570.

9.

J.A. Feith, Catalogus der Inventarissen van de Archieven der voormalige zijlvestenijen en dijkrechten in de provincie Groningen, meerendeels gedeponeerd in het Rijksarchief te Groningen (Groningen 1901).

10.

P.H. Meekhoff Doornbosch, Catalogus van de archieven der zijlvestenijen en dijkrechten, welke thans het waterschap Hunsingo vormen (Groningen 1905).

11.

GrA Toegang nr. 2778.

12.

C.C. Geertsema, De Zeeweringen, Waterschappen en Polders in de provincie Groningen (Groningen 1910).

13.

J. Kooper, Het waterstaatsverleden van de provincie Groningen (Groningen/Batavia 1939).

14.

W. Roeleveld, The Groningen coastal area. A study in Holocene geology and lowland physical geography (Amsterdam 1974).

15.

Marijke Miedema,Vijfentwintig eeuwen bewoning in het terpenland ten noordwesten van Groningen (Dieren 1983).

16.

Jan Delvigne, Middag-Humsterland. Op het spoor van een eeuwenoud wierdenlandschap. Archeologie in Groningen 4 (Profiel 2008).

17.

O.S. Knottnerus, Fivelboezem. De erfenis van een verdwenen rivier. Archeologie in Groningen 2 (Bedum 2005) en dezelfde, Natte voeten, vette klei. Oostelijk Fivelingo en het water. Archeologie in Groningen 3 (Bedum 2008).

18.

J.A. (Hans) Mol en Jan Delvigne, ‘Het klooster, het land en het water’, in: Jaap van Moolenbroek en J.A. (Hans) Mol (red.), De abtenkroniek van Aduard. Studies, editie en vertaling (Hilversum/Leeuwarden 2010) 153-172.

19.

W. Boetze (red.), Middag-Humsterland. Kroniek van een noordelijk landschap (Groningen 2011).

20.

L. Hacquebord en A.L. Hempenius, Groninger dijken op deltahoogte (Groningen 1990).

21.

Meindert Schroor, Wotter. Waterstaat en waterschappen in de provincie Groningen. 1850-1995 (Groningen 1995).

22.

B.W. Siemens, Dijkrechten en zijlvesten (Groningen 1974/1975).

23.

W.A. Ligtendag, De Wolden en het water. De landschaps- en waterstaatsontwikkeling in het lage land ten oosten van de stad Groningen vanaf de volle middeleeuwen tot ca. 1870 (Groningen 1995).

24.

Jan van den Broek, Groningen, een stad apart. Over het verleden van een eigenzinnige stad (1000-1600) Groninger Historische Reeks 35 (Assen 2007).

25.

Jan van den Broek, Een kronkelend verhaal. Nieuw licht op de oude Hunze (Assen 2011).