Zoek op de website

3. De tekst van de oorkonde

Facsimile van de schenkingsakte van Hendrik III Facsimile van de schenkingsakte van Hendrik III

Aan het vierde deel van zijn Monumenta Groningana veteris aevi inedita, dat in 1830 bij J. Oomkens te Groningen verscheen, voegde R.K. Driessen deze lithografische facsimile toe van de akte van 21 mei 1040, waarbij koning Hendrik III een landgoed in de villa Cruoninga aan de kerk van Utrecht schonk.

Deze kopie is, in de woorden van Driessen, ‘onder het opzigt van den Heer Substituut Archivarius De Jonge, door den kundigen Abrahams vervaardigd’ (Driessen, Monumenta IV 859, noot a).

Het geschonken landgoed ligt in de villa cruoninga

In 1531 bestond de oorspronkelijke akte nog. In 1575 werd reeds geconstateerd dat het stuk – dat zich destijds te Gouda bevond – in zeer slechte staat verkeerde.

De kopnoot in het oorkondenboek deelt mee dat het origineel zich te ’s-Gravenhage bevindt, dat het zegel en de bijbehorende snoeren ontbreken en dat zelfs niet meer te zien is waar ze gezeten hebben. Dit is onjuist. Het stuk bevindt zich niet in Den Haag, maar te Utrecht, en wat daar bewaard wordt is niet de originele oorkonde, maar een op 24 april 1419 gemaakte kopie. Dat is de reden waarom het geen sporen vertoont van een zegel.

De onderdelen van de schenkingsakte van Hendrik III

De tekst van de oorkonde valt uiteen in een aantal onderdelen:
1. invocatio
2. intitulatio
3. arenga
4. promulgatio
5. dispositio
6. corroboratio
7. signum-regel
8. datum
De eerste en de twee onderste regels vertonen zogenaamd 'geoblongeerd schrift' (uitgerekte letters).

Latijnse tekst

In nomine sancte et individue Trinitatis.
Heinricus divina favente clemencia rex.
Cuncta que aut possidemus aut possidere videmur, ab ipso accepimus qui nos et potenter ex nichilo fecit et misericorditer usque ad hoc quod nunc sumus, perduxit. Ipse dator, ipse nutritor, ipse noster est provector. Ex acceptis autem aut condempnabimur aut glorificabimur. Nam si eis secundum suggestionem inimici ad pompam nostram abutimur, ex eis quasi commissi talenti defraudatores infeliciter condempnabimur. Si autem eis ad gloriam et laudem nominis illius qui dedit, utimur, ex eis ut fideles dispensatores feliciter glorificabimur. Nichil enim quod prosit, habemus quod ab ipso non acceperimus, qui ideo dat ut recipiat, non ideo recipit ut indigeat, sed ut nos earundem rerum, quas recipit, possessores eternaliter faciat. Nam quicquid ei damus, non amittimus, sed hinc nobiscum portamus, quod autem retinemus, non hinc nobiscum portamus, sed hic amittimus.
Quapropter, ne nos videamur abuti bonis nobis divinitus concessis, omnium Christi nostrique fidelium tam presentium quam futurorum universalitati notum volumus fieri, qualiter nos sancte Traiectensi ecclesie in honore sancti Martini constructe, pro Deo animeque patris nostri pie memorie Conraerdi imperatoris remedio, cuius ventris interiora in eadem sepelivimus ecclesia, cui venerabilis Bernoldus episcopali dignitate dinoscitur decenter et utiliter preesse, necnon ob eternum nostri nominis memoriale, tale predium quale nos visi fuimus tenere in villa Groninga nuncupata in comitatu Drenthe situm areis, edificijs, mancipijs, agris cultis et incultis, pratis, campis, pascuis, aquis aquarumve decursibus, piscationibus, viis, invijs, exitibus et reditibus, quesitis et inquirendis, cum omni eiusdem comitatus strictione, monetis, teloneis, causis agendis et discuciendis, cum omnibus appenditijs et pertinentijs que ad presens retineri videntur aut quitquid in posterum ibi Deo adiuvante acquiri potuerit, libera manu donando concedimus et concedendo stabilimus eo videlicet tenore, ut supradictum predium perpetualiter respondeat servicio et utilitati fratrum ibi Deo incessabiliter serviencium, scilicet ut ex eiusdem predii utilitate quotannis habeant XXX carradas vini et quicquid remanserit in usus ipsorum a preposito fideliter expendatur.
Verum volumus atque immutabiliter statuimus ut ex eisdem proficuis nemo aliquid prius auferre presumat aut in aliquam partem distribuere audeat, donec illud speciale tributum de carradis vini fratribus persolvatur.
Et ne aliqua imperialis vel regalis aut episcopalis persona vel aliquis publicus exactor huius donacionis nostre auctoritatem presumat infringere, presentem paginam inde conscribi manuque propria, ut subtus videtur, corroborantes aurea nostre ymaginis bulla iussimus insigniri.
Signum domini Heinrici tercii regis invictissimi, Theodricus cancellarius vice, Bardonis archicancellarii recognovi.
Data XII kalendas iunii, indictione octava anno dominice incarnacionis millesimo quadragesimo, anno autem domini Heinrici regis tercii ordinacionis XIII, regni I.
Actum Traiecto, feliciter amen.
 

Vertaling

In de naam van de heilige en ondeelbare Drieëenheid.
Hendrik, bij de goddelijke, genadige goedertierendheid koning.
Alles wat wij bezitten of schijnen te bezitten, hebben wij van Hem ontvangen die ons op krachtige wijze uit het niets heeft gemaakt en ons op een barmhartige manier heeft gebracht tot hetgeen we nu zijn. Hij, de schenker, Hij de voeder, Hij is onze voortrekker. Uit het ontvangene evenwel zullen wij òf worden veroordeeld òf worden verheerlijkt. Want als wij dat overeenkomstig de ingeving van de vijand tot onze praal misbruiken, zullen wij daaruit als verspillers van het ons toevertrouwde talent tot ons ongeluk worden veroordeeld. Maar als wij [hetgeen we gekregen hebben] gebruiken tot roem en lof van de naam van Hem die gegeven heeft, zullen wij als trouwe beheerders tot ons geluk worden verheerlijkt. Niets immers dat van nut zou kunnen zijn, hebben wij, dat wij niet van Hem hebben gekregen, die geeft opdat Hij ontvangt; niet ontvangt om iets te missen, maar opdat Hij ons maakt tot eeuwige bezitters van diezelfde dingen die Hij ontvangt. Want al wat wij Hem geven, verliezen wij niet, maar nemen wij met ons mee hiervandaan. Maar wat wij houden, nemen wij niet met ons mee hiervandaan, maar verliezen wij hier.

Daarom, opdat wij niet de indruk wekken de goederen te misbruiken die ons van Godswege zijn toegestaan, willen wij dat algemeen bekend wordt aan allen die getrouw zijn aan Christus en onszelf, zowel de tegenwoordige als de toekomstige, hoe wij, met vrije hand gevend, afstaan aan de heilige Kerk van Utrecht, die ter ere van Sint Maarten is gebouwd, voor God en voor de redding van de ziel van onze vader zaliger nagedachtenis, keizer Koenraad, wiens ingewanden wij in diezelfde kerk hebben begraven, die – zoals bekend – door de eerbiedwaardige Bernold met de bisschoppelijke waardigheid op passende en profijtelijke wijze geleid wordt, en bovendien tot eeuwige nagedachtenis van onze naam, zodanige hof als wij bezitten in de nederzetting, Groningen genaamd, in het graafschap Drenthe gelegen, met grond, gebouwen, horigen, landerijen, bebouwd en onbebouwd, hooilanden, kampen, graslanden, wateren of waterlopen, viswateren, wegen, begaanbaar en onbegaanbaar, opbrengsten en inkomsten, het recht om aan te klagen en gerechtelijk onderzoek in te stellen met de gehele daarbij behorende grafelijke rechtspraak, muntrecht, tolrecht, kwesties om af te handelen en te onderzoeken, met alle toebehoren en bijkomende zaken, die wij tegenwoordig bezitten of wat in latere tijd daarbij met Gods hulp verworven zal kunnen zijn, en dit afstaande bevestigen wij namelijk op deze voorwaarde dat bovengenoemde hof eeuwig ten goede moge komen tot dienst en nut van de broeders die daar God onophoudelijk dienen, namelijk dat zij uit de opbrengst van diezelfde hof jaarlijks dertig karrevrachten wijn mogen hebben en wat er zal overblijven voor hun eigen gebruik door de proost getrouwelijk zal worden uitgedeeld. Voorts willen wij en besluiten wij onveranderlijk dat uit diezelfde baten niemand tevoren iets mag wagen weg te nemen of het durven aan enig ander partij toe te delen, totdat die speciale gave van karrevrachten wijn aan de broeders wordt betaald.
En opdat geen enkele persoon, keizerlijk of koninklijk of bisschoppelijk, of iemand in het algemeen, zich als invorderaar het gezag over deze gift van ons zou aanmatigen om deze aan te tasten, hebben wij bevolen het onderhavige blad te laten schrijven en, het met eigen hand bekrachtigend, zoals hieronder te zien is, met het gouden zegel met onze beeltenis te laten bezegelen.
Het teken van heer Hendrik de derde, zeer onoverwinnelijke koning, heb ik, kanselier Theoderik in plaats van aartskanselier Bardo herkend.
Gegeven op de twaalfde kalende van juni, de achtste indictie, in het jaar van de vleeswording van de Heer duizend 40, in het dertiende jaar van de verkiezing van koning Hendrik de derde, in het eerste van zijn regering.
Gedaan in Trecht onder een gelukkig gesternte, amen.

Geoblongeerd schrift: ‘In nomine sancte et individue Trinitatis’ Geoblongeerd schrift: ‘In nomine sancte et individue Trinitatis’

Arenga

Het woord ‘arenga’ komt van het Franse harangue (plechtige toespraak) en is afgeleid van het Germaanse hari-ring = ‘Heeresring’: kringvormige vergadering van het leger voor het aanhoren van een toespraak.

In een Middeleeuwse oorkonde is de arenga de passage waarmee de eigenlijke tekst wordt ingeleid.

Deze inleiding heeft een literair karakter en is niet constitutief voor de rechtshandeling. Tot het midden van de 10e eeuw waren arenga’s korte formules, daarna worden ze uitgebreider. De arenga omschrijft de algemene motieven die de oorkonder gebracht hebben tot het stellen van de betreffende rechtshandeling en het uitvaardigen van de oorkonde. Ze bespreekt – vaak op een pathetische manier – de deugden van de vorst, de hoop op beloning in de hemel, het vorstelijke ambt, het recht of de vrede.

In deze oorkonde bevat de arenga een verklaring over God als bron van alle goeds en over de betekenis die schenkingen voor het zielenheil van de schenker hebben. 

De passage ‘quasi commissi talenti defraudatores’ is een verwijzing naar Mattheus 25:14-30.

Dispositio

Dit onderdeel bevat een beschrijving van de rechtshandeling en vormt de kern van de akte. De begunstigde is in dit geval de kerk te Utrecht, niet de bisschop, i.c. Bernold (1027- 1054).

Verwezen wordt naar de vader van Hendrik III, Koenraad II, die de eerste Saliër was op de Duitse troon.

Gegeven worden:
– een landgoed in de villa Groningen in het graafschap Drenthe
– de bijbehorende grafelijke rechten, munt- en tolrecht

onder de bepaling dat de inkomsten eruit ten goede komen aan de kapittelheren.

Datum

Kalende = eerste dag van de maand.
Hendrik III is op 14 april 1028 (Pasen) tot roomskoning gekozen.