Zoek op de website

Geschiedenis van de joden in de provincie Groningen

Opening synagoge Folkingestraat, 1981. Het binnendragen van de wetsrollen. [Tg. 818 inv. nr. 5954] Opening synagoge Folkingestraat, 1981. Het binnendragen van de wetsrollen. [Tg. 818 inv. nr. 5954]

In de tweede helft van de 16e eeuw vestigden zich incidenteel Joden in de stad Groningen. Zij oefenden het beroep van arts uit en schoten geld voor op onderpand. Aan het eind van die eeuw woonden er geen Joden meer in Groningen. Pas eind 17e eeuw zouden zich opnieuw Joden in de stad vestigen. Appingedam kende daarentegen een vrijwel ononderbroken vestiging van Joden sinds 1563. In dat jaar kreeg de in Praag geboren Muesken en zijn familie van het bestuur van Appingedam toestemming om voor een periode van zes jaar in de stad te wonen en er een bank van lening te houden. Na toestemming van de plaatselijke redgers (= rechters) vestigden zich vanaf het midden van de 17e eeuw enkele Joden te Delfzijl (1655), Farmsum en Nieuweschans (beide plaatsen circa 1656). Ook zij leenden hoofdzakelijk geld uit tegen onderpand en waren daarnaast werkzaam als slagers.

In Appingedam ontstond zelfs een kleine Joodse Gemeente. Hun gebedsdiensten verrichtten zij in huissynagoges totdat in 1752 de vooraanstaande Jood Calmer Arents een huis aan de Dijkstraat ter beschikking stelde als synagoge, die in 1801 werd vervangen door een nieuwe synagoge aan de Broerstraat. Voor de Joden in genoemde plaatsen was er in Farmsum zeker vanaf 1680 en mogelijk zelfs al sinds 1655 een begraafplaats. In 1763 verkregen de Damster Joden een eigen begraafplaats gelegen aan de Heidensgang, de Delfzijlster Joden bleven hun doden te Farmsum begraven.

Gedurende vrijwel de hele 17e eeuw trachtte de hervormde kerk, die in de provincie Groningen een sterke anti-joodse houding vertoonde, haar invloed bij de wereldlijke autoriteiten aan te wenden om de vestiging van Joden tegen te gaan. Zij vond hiervoor echter geen gehoor en verlegde in 1670 haar activiteiten van het weren naar het bekeren van Joden. Maar was ook hierin niet erg succesvol. Aan het eind van de 17e en het begin van de 18e eeuw vestigden zich vooral in het zuid-oosten (de Veenkoloniën) van de provincie veel Joden; waarschijnlijk hing dat samen met de sterke economische groei die dit gebied doormaakte.

Getekend portret van rabbijn Samuel Berenstein, de eerste opperrabbijn van Groningen (1801-1809) [Tg. 818 inv. nr. 23078] Getekend portret van rabbijn Samuel Berenstein, de eerste opperrabbijn van Groningen (1801-1809) [Tg. 818 inv. nr. 23078]

In andere delen van de provincie vestigden zich op veel kleinere schaal Joden. De plaatsen waar zich meerdere Joden vestigden ontstonden Joodse Gemeenten. Zij werden bestuurd door zogenaamde parnassim. De geestelijke leiding was in principe in handen van een rebbe of godsdienstleraar, die meestal tevens het ambt van voorzanger en ritueel slachter waarnam. Hoewel weinig bekend is over de kwalificaties van deze rebbes, doen we er goed aan om ons hierover geen overdreven voorstelling te maken. Maar hoe men ook over hun mag denken; de rebbes waren (hier meer daar minder) van eminent belang voor het bewaren en doorgeven van de joodse tradities en cultuur. Bekende rabbijnen in onze provincie zijn Baruch de Beer te Veendam en Pekela, Aron Mozes Frankforter te Winschoten en Izak Jozefs Cohen en Samuel Berenstein te Groningen. Grotere Joodse gemeenschappen hadden tevens een synagoge (Pekela 1737 en 1792; Veendam 1745 en 1798; Winschoten circa 1771 en 1797) en begraafplaats (Pekela 1693; Veendam 1741; Leek 1783; Winschoten 1797 en Nieuweschans 1811). De kleinere Joodse gemeenschappen behielpen zich met zgn. huissynagoges en begroeven hun doden op de meest nabijgelegen Joodse begraafplaats.

Verzoek Moses Aron om zich in  Bellingwolde te mogen vestigen (Gemeentearchief Groningen; Archief van de secretarie van het stads- later gemeentebestuur van Groningen rekest 3 september 1705) Verzoek Moses Aron om zich in Bellingwolde te mogen vestigen (Gemeentearchief Groningen; Archief van de secretarie van het stads- later gemeentebestuur van Groningen rekest 3 september 1705)

Joden konden zich in stad en land niet vrijelijk vestigen, overigens gold dat voor iedere migrant ongeacht hun religieuze denominatie. Zij moesten hiervoor toestemming vragen aan de bevoegde autoriteiten. In 1754, 1765 en 1774 vaardigden de autoriteiten regels uit voor de vestiging van Joden, die golden voor de hele provincie. Die verhinderden niet de illegale vestiging van Joden. Wat betreft de uitoefening van een beroep waren de Joden ook niet vrij. Op het platteland was hun alleen het slachten, de verkoop van vlees en het doen van koopmanschap toegestaan. In de praktijk werden deze regels echter nauwelijks gehandhaafd.

In de stad konden Joden zich alleen bezig houden met ongeregelde handel. De uitoefening van de meeste andere beroepen werd hier via gilden geregeld. Joden konden in de loop der tijd lid worden van het koopliedengilde en incidenteel van sommige andere gilden.

In 1796 kwam er met de afkondiging van de burgerlijke gelijkstelling een eind aan de civielrechterlijke uitzonderingspositie van de Joden; Joden werden nu gelijkgesteld met de andere inwoners van de zogenaamde Bataafse Republiek. In 1808 riep de koning van het toenmalige koninkrijk Hollans, Lodewijk Napoleon, het zgn. Opperconsistorie in het leven. Namens zijn minister van Eerediensten voerde dit orgaan centraal het bestuur over alle Joodse Gemeenten.
De autonomie van de Joodse Gemeenten behoorde daarmee tot het verleden. Het doel van deze bestuurlijke maatregel was om de Joden met hun eigen cultuur en taal te integreren in de maatschappij. Dit emancipatiebeleid werd na het herstel van de onafhankelijkheid in 1814 door koning Willem I verder uitgebreid. En ook zijn opvolgers op de troon zouden dit beleid volgen.