Zoek op de website

Aduarderdiep en Aduarderzijl(en)

Aantekeningen met plaatjes over de geschiedenis van een van de belangrijkste infrastructurele werken in Groningerland

Geplaatst: 7 december 2012

Twee bladzijden uit inventarisnummer 3 van het archief van het Dijkrecht van Humsterland.  De akte van inlating van de Gaaikemalanden in het Aduarderzijlvest begint op de rechterpagina (GrA T713-3). Twee bladzijden uit inventarisnummer 3 van het archief van het Dijkrecht van Humsterland. De akte van inlating van de Gaaikemalanden in het Aduarderzijlvest begint op de rechterpagina (GrA T713-3).

In de 15e eeuw is een aantal ingrijpende veranderingen in de waterstaatkundige structuur van Groningerland tot stand gekomen. Voorbeelden daarvan zijn de omleiding van de Hunze via de stad Groningen, de afsnijding van een kronkel in het Reitdiep bij Dorkwerd en het leggen van de Aduarderzijl en het graven van het Aduarderdiep. Deze infrastructurele werken hebben tot vér in de 19e eeuw het beeld bepaald. Merkwaardigerwijs zijn over die werken geen schriftelijke bronnen bewaard gebleven.

Over de bouw van de Aduarderzijl ten noordoosten van Feerwerd worden we alleen indirect geïnformeerd, en wel door een akte van 17 september 1407"1". Daarin werd de landen van Gaaikema toegestaan af te wateren via de ‘blokzijl van Aduard’. De Gaaikemalanden lagen tussen Aduard en Dorkwerd. Aangenomen wordt dat met deze ‘blokzijl van Aduard’ een voorganger is bedoeld van de huidige Aduarderzijl. Het bestaan van die zijl impliceert dan ook het bestaan van het Aduarderdiep.

De overeenkomst van 1407 maakte een einde aan een geschil tussen Aldert Gaaikema en het Aduarderzijlvest. Aldert en zijn nakomelingen mochten het water van hun landerijen via de Aduarderzijl lozen, maar moesten daarvoor wel veel meer betalen dan de oorspronkelijke leden van het Aduarderzijlvest. Daar stond tegenover dat ze waren vrijgesteld van arbeid.

De akte is bezegeld door Aduard, de burgemeesters van Groningen en de pastoors van Peize, Roden en Wierum.

Het Aduarderdiep tussen Nieuwbrug in het zuiden en Aduarderzijl in het noorden.
De aanliggende kerspelgebieden zijn verschillend gekleurd.
Met een arcering is het grondbezit van het klooster Aduard aangegeven.
De gedeelten die omstreeks 1400 nieuw moesten worden gegraven zijn gemarkeerd. Overigens heeft men toen grotendeels kunnen volstaan met het vergraven van bestaande natuurlijke of kunstmatige watergangen.
De locatie van boerderij Langeveld is aangegeven met een L.

Als de in 1407 genoemde ‘blokzijl van Aduard’ inderdaad de huidige Aduarderzijl of zijn voorganger is, houdt dat in, dat rond 1400 de reeds bestaande afzonderlijke delen van het Aduarderdiep met elkaar zijn verbonden, zodat een lang kanaal ontstond.

Hierdoor kwam een veel betere afvoer tot stand van het water van de Hunsinge (de benedenloop van het Peizerdiep) en het Eelderdiep, dat nu samen met het eigen water van de lage landen van Lieuwerderwolde en Middag ten noorden van Feerwerd op de Hunze werd geloosd. Vroeger had dit water door een geul tussen Aduard en Fransum naar het noorden gestroomd, waar het tussen Saaksum en Ezinge in de benedenloop van de Hunze was uitgekomen. Deze ‘Kliefslootgeul’ had door de voortschrijdende opslibbing opgehouden te functioneren.

Op dit kaartje zijn de verschillende panden van het Aduarderdiep gemarkeerd. De nieuwe stukken zijn de verbinding tussen Nieuwklap en Aduardersteentil (het kanaalvak dat langs Gaaikema loopt!) en het gedeelte ten noorden van boerderij Langeveld.

Op de meeste plaatsen gaat het kanaal door de bestaande verkaveling heen. Alleen tussen Garnwerd en Feerwerd zijn er twee stukjes waar men bij de aanleg van het kanaal gebruik lijkt te hebben gemaakt van bestaande watergangen.

Het Aduarderdiep tussen Nieuwklap en Steentil.
Dit gedeelte van het Aduarderdiep is vermoedelijk omstreeks 1400 gegraven om twee reeds bestaande kanaalvakken met elkaar te verbinden"2".

Aduarderdiep, Steentil en de kerk te Garnwerd

Dit gedeelte van het Aduarderdiep wekt de indruk te zijn geraaid op Garnwerd, maar dat is waarschijnlijk niet meer dan toeval.

Het noordelijke deel van het Aduarderdiep.
Tussen boerderij Langeveld (even ten zuiden van het afgebeelde gebied) en de flauwe bocht bij Bolshuizen (B) doorsnijdt het diep de verkaveling en vormt het de kerspelgrens tussen Feerwerd en Garnwerd.
Tussen de bocht bij Bolshuizen en de knik bij Schifpot lijkt men gebruik te hebben gemaakt van een bestaande watergang. De knik wijst erop dat men vanaf dat punt aansluiting gezocht heeft bij een bestaande waterloop. Halverwege Antum (A) en Feerwerd, tussen twee knikken in, doorsnijdt het diep weer de bestaande verkaveling. De laatste, meest noordelijke 700 meter passen in de percelering en volgen waarschijnlijk een bestaande waterloop.

De aanleg van het Aduarderdiep had ook gevolgen voor de loop van A en Hunze en daardoor ook voor de afwatering van Drenterwolde en het Woldland.

Het Aduarderdiep in de richting van de Brillerij.
De foto is vanaf de fietsbrug tussen Brillerij en Bolshuizen in zuidelijke richting genomen.
Rechts de Brillerij. De lichte kromming in de verte ligt ter hoogte van boerderij Langeveld.

Aduarderdiep richting Bolshuizen
We kijken in noordelijke richting.
Bij Bolshuizen maakt het diep een vage bocht naar rechts. Daarna volgt bij de Schifpot (Torensmabrug) een veel scherpere bocht naar links.

Torensmabrug bij de Schifpot

De brug is vernoemd naar de Ezinger burgemeester Dirk Torensma, die deze oeververbinding in 1939 opende. Voordien werd de verbinding tussen het oostelijke en het westelijke deel van Middag verzorgd door een veer.

Ten zuiden van de brug maakt het Aduarderdiep een flinke knik. Deze wijst erop dat men voor de afleiding van het uit het zuiden afkomstige water vanaf dit punt gebruik heeft gemaakt van een bestaande watergang.

De knik bij de Schifpot De knik bij de Schifpot

De Westerzijl of ‘Oude Sluis’ bij Aduarderzijl.
Het Aduarderdiep komt tegenwoordig met twee mondingen in het Reitdiep uit. De westelijke – hier op de foto – dateert van 1706-1707, maar is niet de oudste van de twee. Hij ligt even ten oosten van de plek waar de oorspronkelijke monding van het Aduarderdiep wordt vermoed.

Het Cartularium van Selwerd (GrA T172-20 fol. 139v-140). Het afschrift van de inlatingsakte in het Aduarderzijlvest staat op de rechterpagin Het Cartularium van Selwerd (GrA T172-20 fol. 139v-140). Het afschrift van de inlatingsakte in het Aduarderzijlvest staat op de rechterpagin

De aanleg van het Aduarderdiep was een groot succes. Daarop wijst het feit dat in 1435 ook Selwerd en de Paddepoel in het Aduarderzijlvest werden ingelaten. De capaciteit van de oorspronkelijke Aduarderzijl was echter te gering om het extra-water te kunnen lozen. Daarom werd in de inlatingsakte bepaald dat Selwerd naast de eerste ‘blokzijl’ een tweede uitwateringssluis moest bouwen.
De akte waarbij Selwerd en de Paddepoel toegang kregen tot de Aduarderzijl dateert van 12 maart 1435. Een origineel exemplaar van deze akte bevindt zich in het archief van het klooster Selwerd (GrA T172-24 reg.nr. 159), maar een afschrift ervan vinden we ook in het Cartularium van dat klooster.

De westelijke monding van het Aduarderdiep De westelijke monding van het Aduarderdiep

In de 17e eeuw werd een nieuwe houten sluis gebouwd. De deuren daarvan zijn in 1686 weggeslagen door de Martinusvloed.

De huidige stenen Westerzijl of Oude Sluis werd in 1706 door het Aduarderzijlvest gebouwd en had oorspronkelijk drie deuren: ebdeuren voor het binnenhouden van het water voor de landbouw en scheepvaart bij laagwater, vloeddeuren die door het opkomende water zelf werden dichtgedrukt, en stormdeuren die bij stormvloed werden gesloten ter nadere beveiliging van het achterland.

De Westerzijl of Oude Sluis De Westerzijl of Oude Sluis

Op de plaats van de huidige Oosterzijl of Kokersluis heeft tot 1707 een houten voorganger gestaan. Die is in het genoemde jaar buiten werking gesteld en vervangen door een dam. Wanneer de houten voorganger is gebouwd is niet bekend, maar het is niet onmogelijk dat dit in de vijftiende of zestiende eeuw is gebeurd.

De huidige Oosterzijl dateert van 1867 en is gebouwd vanwege het feit dat de capaciteit van de in 1706 gebouwde westelijke zijl onvoldoende geworden was. Het is een dubbele uitwateringsluis zonder stormdeuren. Toen dit kunstwerk in 1867 werd gebouwd, vond men het niet nodig deze extra-voorziening aan te brengen omdat er plannen waren om op korte termijn over te gaan tot afsluiting van het Reitdiep bij Zoutkamp.

Op het plaatje zien we op de voorgrond de ebdeuren die zich bij afgaand water sluiten, tenzij men ze met kabels of kettingen vastzet. Op de achtergrond zijn de vloeddeuren zichtbaar aan de buitenzijde van de sluis. Ook die worden door de beweging van het water automatisch geopend of gesloten.

De westelijke Aduarderzijl of Oude Sluis De westelijke Aduarderzijl of Oude Sluis

De Aduarderzijl lag op zo’n grote afstand van de Noorddrentse kerspelen die tot de oorspronkelijke partners in het Aduarderzijlvest hoorden, dat de inwoners ervan niet konden bijdragen aan het onderhoud van het diep en de zijl. Ze moesten er echter wel gebruik van blijven maken.

In 1437 – dat wil zeggen: kort nadat Selwerd en de Paddepoel tot het Aduarderzijlvest waren toegetreden – stapten de Drenten uit het zijlvest en betaalden voortaan alleen een vaste vergoeding voor het gebruik van de watergang en het onderhoud van de zijl. Peize, Roden en Foxwolde kregen toestemming om door de Aduarderzijl af te wateren tegen betaling van ƒ36 per jaar. Omslagen ter bekostiging van werkzaamheden (‘zijlschot’) zouden ze niet hoeven te betalen. Daarna zijn er herhaaldelijk geschillen geweest over de bijdragen van de Drenten.

In 1452 werd vastgelegd dat Peize, Roden, Foxwolde en nu ook Vries gedurende 20 jaar ƒ36 per jaar moesten betalen, maar dat ze verder geen zijlschot verschuldigd waren en ook geen werkzaamheden hoefden te verrichten.

Deze regeling werd in 1474 hernieuwd. Maar ook daarna rezen er problemen: van 31 juli 1509 dateert een uitspraak in een geschil tussen het Aduarderzijlvest enerzijds en Roden, Foxwolde, Peize en Vries anderzijds over de te betalen contributie; in 1540 is sprake van een scheidsrechterlijke uitspraak in een geschil over de regeling van 1509 en in 1620 werd opnieuw een overeenkomst getroffen over de wijze waarop Peize, Roden, Vries en Foxwolde zouden bijdragen tot de Aduarderzijl"3".

Drie fasen in de ontwikkeling van Aduarderzijl (naar Jan Delvigne en Johan Woltjer) Drie fasen in de ontwikkeling van Aduarderzijl (naar Jan Delvigne en Johan Woltjer)

In hun artikel ‘De sluizen van Aduarderzijl en hun zeventiende-eeuwse voorgangers’, opgenomen in het eerste nummer van Stad en Lande van 1993, hebben Jan Delvigne en Johan Woltjer een helder overzicht gegeven van de ontwikkeling van deze voor de waterbeheersing zo belangrijke kunstwerken. Een drietal reconstructiekaartjes levert daarbij de onontbeerlijke visuele ondersteuning."4" De auteurs zijn voor hun reconstructie uitgegaan van een in 1630 door Antoni Coucheron gemaakte tekening, waarop naast elkaar twee zijlen zijn afgebeeld"5".
 

Aduarderzijl omstreeks 1630.
Uitsnede uit de kaart van de landen van het karspel Garnwerd, gemaakt door Antoni Coucheron, 1630.
Het noorden is links.

Delvigne en Woltjer wijzen erop dat de door Coucheron getekende westelijke zijl (niet te verwarren met de huidige Westerzijl!) door de Martinusvloed van 1686 is verwoest. Men damde de oude zijltocht wat verder naar binnen af en het binnenwater werd sindsdien alleen door de oostelijke sluis geloosd (zie het middelste van de drie plaatjes bij hun artikel). Het buitendijkse deel van de westelijke zijlarm slibde vervolgens dicht.

In 1706 besloot men een nieuwe sluis te maken. Deze kwam te liggen tussen de voormalige westelijke sluistocht en de oostelijke arm en werd in 1707 in gebruik genomen. De sluis van 1706 is de huidige Westerzijl of Oude Sluis. De oostelijke arm werd afgesloten door middel van een dijk. De oude houten zijl werd niet opgeruimd, maar werd in een nieuw dijklichaam ‘ingepakt’ (rechter plaatje).

In 1867 werd – in samenhang met de grootscheepse aanpak van de Groninger natte infrastructuur, waarbij ook de afsluiting van het Reitdiep bij Zoutkamp hoort – een nieuwe oostelijke sluis gebouwd. Deze kwam op de plaats van zijn houten voorganger. Daarmee ontstond de situatie die ook nu nog bestaat.

In hun artikel in Stad en Lande merken Delvigne en Woltjer op dat de oudere geschiedenis van de Aduarderzijl(en) nog wordt onderzocht. Voor zover mij bekend heeft dat onderzoek nog niet tot resultaat geleid, zij het dat Jan Delvigne in 1988 zelf al eens waardevol commentaar heeft gegeven bij een tekst uit 1489 die in dit verband van groot belang is"6".

De reconstructie van die oudere geschiedenis van de Aduarderzijl wordt bemoeilijkt doordat er nauwelijks schriftelijke bronnen voorhanden zijn. Maar ook al is een betrouwbare reconstructie (nog) niet mogelijk, het is wel zinvol om de vraagpunten op een rijtje te zetten en aandacht te schenken aan enkele aanwijzingen die tot dusver niet of nauwelijks zijn besproken.
Terwille van de overzichtelijkheid laat ik eerst een kaartje zien waarop ik een vijftal plekken heb gemarkeerd waar zich, gelet op het reliëf, mondingen of zijlen hebben of kunnen hebben bevonden.

Mondingen bij Aduarderzijl. Dit plaatje is een combinatie van Google Earth en de AHN-hoogtekaart. De informatie bij de nummertjes wordt toegelicht in de tekst. Mondingen bij Aduarderzijl. Dit plaatje is een combinatie van Google Earth en de AHN-hoogtekaart. De informatie bij de nummertjes wordt toegelicht in de tekst.

  1.  Een oude natuurlijke monding?
  2.  Monding van de Oude Riet met blokzijl van c. 1400 bij ‘Sybrantshuis’ (?). Dit is de locatie van de westelijke zijl van Coucheron en Delvigne-1.
  3. Locatie van de extra-zijl van Selwerd en Paddepoel van 1435 (?)
  4. Plaats van de nieuwe zijl van 1489 (?), de oostelijke zijl van Coucheron en Delvigne-1 en 2, nu Oosterzijl of Kokersluis.
  5. De zijl van 1706, Delvigne-3, nu Westerzijl of Oude Sluis.

De mondingen bij 1 en 3 worden niet besproken door Jan Delvigne en Johan Woltjer.

Een nieuwe zijl in 1435?

In 1435 werden Selwerd en de Paddepoel ingelaten in het Aduarderzijlvest. Om het meerdere water te kunnen verwerken werd bepaald dat by Adewerderzyl een nieuwe zijl gezet moest worden met een wijdte van 14 voet (ruim 4 meter; ter vergelijking: de huidige Westerzijl bij nummer 5 heeft een doorvaartbreedte van 5,90 meter)"7". We weten niet met zekerheid of er in 1435 of kort daarna inderdaad een tweede zijl gebouwd is, maar in het vervolg van deze beschouwing ga ik daar wel van uit. Onduidelijk is echter waar deze tweede zijl heeft gelegen.

Een nieuwe zijl in 1489

Het hiervoor al genoemde, uit 1489 daterende document, waarvan een afschrift hierbij is afgebeeld, zou licht kunnen werpen op de gang van zaken, ware het niet dat de interpretatie ervan verre van zeker is"8".

De tekst noemt zichzelf ‘dat rolleken van den dyck de nyes ghedeelt is nadat de nye zijl gemaket is toe Aedwerderzijlen’. Het gaat dus om een ‘dijkrol’ die opnieuw is vastgesteld na de voltooiing van een nieuwe zijl te Aduarderzijl. Een dijkrol is een lijst waarin is vastgelegd wie welk deel van een dijk moet onderhouden. In dit geval gaat het volgens Kooper om de afsluitdijk waarmee de Kliefsloot tussen Saaksum en Ezinge was afgedamd"9". Dat kan niet juist zijn: het door Kooper gesuggereerde verband tussen een dijk op die plek en een nieuwe zijl te Aduarderzijl is erg gezocht, maar veel belangrijker nog is dat de dijk alleen aan de ingelanden van het Aduarderzijlvest wordt toegedeeld. Als het om een afsluitdijk tussen Humsterland en Middag zou gaan, zou het onderhoud ongetwijfeld tussen beide partijen zijn verdeeld: de westelijke helft zou zijn toegedeeld aan het dijkrecht van Humsterland en de oostelijke helft aan het Aduarderzijlvest. Het moet dus gaan om een stuk dijk dat binnen het Aduarderzijlvest ligt"10".

Verdere analyse van de tekst maakt duidelijk dat het hier niet gaat om een nieuwe dijk, maar om een nieuwe verdeling van een bestaande dijk die in oostelijke richting is verlengd door het afdammen van de Olde Ryt. De dijk begon aan de westzijde bij een ‘grote paal [...] by Lukens huus’ en liep door tot bij ‘Sybrans huus an den olden dyck’. De nieuwe verdeling vond plaats – zo meldt het geciteerde opschrift – nadat een nieuwe zijl was gelegd. Er staat niet dat het leggen van een nieuwe sluis de reden was voor het maken van een nieuwe verdeling van de dijk, maar beide feiten hangen natuurlijk wel met elkaar samen.

Afschrift van een akte van 14 oktober 1489 (GrA T835-13b, blz. 1003-1004) Afschrift van een akte van 14 oktober 1489 (GrA T835-13b, blz. 1003-1004)

Blijkbaar was de zijl aan de monding van de Oude Riet in de jaren 80 van de vijftiende eeuw aan vervanging toe en heeft men elders een nieuwe zijl geplaatst. Toen dat was gebeurd is de oude monding afgesloten met een dam die zowel aan de west- als de oostzijde aansloot bij een bestaande dijk. Daarna is voor het onderhoud van de hele dijk, het bestaande en het nieuwe stuk, een nieuwe verdeling gemaakt. Bepaald werd dat Hoogkerk, Ezinge, Selwerd, Garnwerd, Groningen (het Westerstadshamrik), Leegkerk, Fransum, de Gaaikemadijk en Feerwerd elk ‘vijff stocken’ voor hun rekening zouden nemen, en dat Aduard ‘teyn stocken’ zou onderhouden"11". Daarbij wordt aangetekend dat het ‘Aduarder deel’ het stuk was waarmee de Oude Riet was afgesloten.

Waar moeten we het hier bedoelde dijkvak zoeken? De tekst maakt niet duidelijk waar Lukens huus en Sybrans huus stonden, waar de oude dijk lag en welke watergang bedoeld wordt met ‘Oude Riet’. Ook is niet bekend hoe lang de maatstok was waarmee de dijk gemeten werd. Hiervan wordt wel gezegd dat de lengte ervan af te lezen is aan de oostkant achter Sijbrans huus, ‘tot aan de ingeslagen nagel aan de schoorsteen buiten aan de muur’. Maar daarmee schieten we niet veel op. De enige aanknopingspunten zijn de mededeling dat Lukens huus bij het westelijke einde van de dijk staat en de vermelding van ‘Sybrants huis’ dat blijkbaar aan de oostkant stond. Het laatstgenoemde huis was de plek waar op 14 juni 1492 de ghemene zylrechters van Aedwerder zylen (de gezamenlijke zijlrechters van het Aduarderzijlvest) een uitspraak deden in een geschil tussen de ingezetenen van Feerwerd en Ezinge over het onderhoud van een til en een sloot"12". Niet alleen wordt van het huis gezegd dat het ‘op den zijl’ staat, ook het feit dat het dienst doet als vergaderplaats van de zijlrechters wijst erop dat het niet zomaar een huis is. Het is niet onmogelijk dat hier het zijlwaardershuis bedoeld is waarvan de opvolger nog steeds op dezelfde plek staat."13"

Ik druk me voorzichtig uit, want bij de Aduarderzijlen is door de eeuwen heen druk gegraven, gebouwd en gebroken. Hier bouwden de Saksische stadhouder Hugo van Leisnig en graaf Edzard van Oost-Friesland in 1501 een bolwerk met blokhuis dat ze ‘Stuur Groningen’ of ‘Weert Groningen’ noemden. Nadat de sterkte in 1515 door de Saksische bezetting was opgegeven, werden alle opstallen afgebroken, de aardwerken met de grond gelijk gemaakt en de 20 meter brede gracht gedempt"14". Daarna, in het bijzonder in de jaren 1580-1594, is hier opnieuw een fort opgeworpen om het bezit waarvan door konings- en Staatsgezinden meermalen verbitterd gevochten is. Het zou dus een wonder mogen heten wanneer het waarhuis van nu op dezelfde plaats staat als dat van 1489. Maar omdat wonderen de wereld niet uit zijn en ik in het tegenovergestelde geval alle houvast voor mijn verdere beschouwing zou kwijtraken, doe ik in het vervolg alsof Sybrantshuis op dezelfde plek staat als het tegenwoordige waarhuis.

Waarhuis Aduarderzijl Is dit huis de opvolger van ‘Sybrantshuis’  dat in een tekst uit 1489 genoemd wordt? Waarhuis Aduarderzijl Is dit huis de opvolger van ‘Sybrantshuis’ dat in een tekst uit 1489 genoemd wordt?

Dit huis staat ingetekend op een manuscriptkaart die in 1757 door burgemeester R.B. de Marees, eigenaar van de schepperij van Ezinge en Hardeweer, aan de Hoge Justitiekamer is gepresenteerd om helderheid te verschaffen over de schouwbare objecten in de genoemde schepperij en die van Feerwerd"15".

Als Sybrantshuis inderdaad het waarhuis op de zijl is, weten we welk dijkvak in 1489 nieuw werd ingedeeld: het is de Reitdiepsdijk ten westen van het waarhuis. Uit de manier waarop de westelijke begrenzing van de dijk wordt aangeduid (‘bij de grote paal bij Lukenshuis’) kunnen we opmaken dat er in 1489 en waarschijnlijk ook daarvóór op locatie 1 geen zijl heeft gelegen. Ware dat wel zo geweest, dan zou men het beginpunt anders hebben omschreven: ‘vanaf de olden zijl’ of zoiets. De watergang die in de tekst van 1489 ‘Oude Riet’ wordt genoemd heeft dus niet naar plek 1 gelopen. Aangezien we uit de tekst kunnen opmaken dat Sybrantshuis vlak bij de monding van de Oude Riet stond, valt plek 4 als kandidaat af. Als mogelijke locaties voor de monding van de Oude Riet blijven dus alleen 2 en 3 over, ter weerszijden van het waarhuis.

Vooralsnog weet ik niet welke van beide te kiezen. Maar dat is niet de enige lastige vraag. Ik weet ook niet waar de nieuwe zijl gebouwd is waarover het dijkrolletje spreekt en die de functie van de afgedamde zijl moest overnemen. En wat betekent het meervoud dat in de akten van 1489 en 1492 wordt gehanteerd? In beide stukken is immers sprake van Aduarderzijlen (meervoud). Wil dit zeggen dat er meer dan één uitmondingsplek was – de oude ‘blocxzijl’ van c. 1400 en de extra-zijl van 1435 – of bedoelt men één uitwateringssluis met vloed- en ebdeuren?

Er zijn gewoon te weinig gegevens voor een betrouwbare reconstructie. Het volgende is dan ook niet meer dan een voorzichtige suggestie.

Wellicht bestonden er in 1489 te Aduarderzijl twee zijlen, en wel op de locaties die zijn aangegeven met de nummers 2 en 3, ter weerszijden van Sybrantshuis. Op plek nummer 2 (aan de monding van de Oude Riet, ten noordwesten van Sybrantshuis) lag de oudste (de ‘blocxzijl’ van c. 1400), nummer 3 (ten noordoosten van Sybrantshuis) was de plaats waar in 1435 ‘bij’ de eerste zijl een extra-zijl was gelegd, in het bijzonder ten behoeve van de ontwatering van Paddepoel en Selwerd. De oude zijl op locatie 2 was in de jaren 80 van de vijftiende eeuw aan vervanging toe. Het was gemakkelijker om een nieuwe, grotere (?), zijl te bouwen in een droge bouwput en een nieuw zijldiep daarheen te graven dan een oude, kapotte zijl uit te graven en te vervangen door een nieuw exemplaar. Zo kan in of kort vóór 1489 een nieuwe zijl zijn gelegd op de met 4 gemerkte plaats, een kleine 150 meter ten oosten van Sybrantshuis. Op deze plek staat nu de Oosterzijl of Kokersluis. Vervolgens heeft men de oude zijl in de Oude Riet (bij 2) ofwel weggehaald ofwel ‘ingepakt’ in de dam waarmee de watergang werd afgesloten.

Uit de tekst van 1489 weten we dat de afsluitdijk waarmee de Oude Riet werd afgedamd, onderdeel was van een dijk waarvoor de kerspelen van Middag samen verantwoordelijk waren. Het lijkt er echter op dat het ’t convent van Aduard was dat de afsluiting van de Oude Riet voor zijn rekening nam. Dat het toch om een gezamenlijke verantwoordelijkheid van het hele zijlvest ging wordt onderstreept door hetgeen verder bepaald werd ten aanzien van de 10 stokken die ten laste van Aduard kwamen en die het meeste werk vergden. Mocht, zo staat er in de akte, in de nieuwe dijk bij Sybrantshuis, waar de Oude Riet is geweest, een mankement optreden en de dijk onder, boven of opzij water doorlaten, dan zullen alle zijlvesten meewerken om het probleem te verhelpen. Deze afspraak zou voor zes jaar gelden, daarna – men ging er blijkbaar van uit dat de zaak dan gestabiliseerd zou zijn – moest Aduard zelf voor het onderhoud van dit dijkvak zorgen.

Het heeft er alle schijn van dat de gemeenschappelijke dijk tussen Lukenshuis en Sybrantshuis dezelfde is die ook in de achttiende eeuw nog ´Zijlvesterdijk´ werd genoemd.

Uitsnede uit de kaart van de schepperijen van Ezinge en Hardeweer en van Feerwerd, 1757"16".
We zien hier de situatie van het rechterplaatje van Jan Delvigne. De hier getekende Aduarderzijl dateert van 1706 en ligt op locatie 5.
Op de dijk onder de rode stroompijl in het Reitdiep staat het woord ‘Sijlvesterdijk’.
Het betreffende dijkvak is c. 200 meter lang.

Het woord ‘Sijlvesterdijk’ staat op de hierboven al vermelde achttiende-eeuwse manuscriptkaart van de schepperijen van Ezinge en Hardeweer en van Feerwerd. Volgens het register waarbij het kaartje behoort, was de schepperij Feerwerd verantwoordelijk voor het onderhoud van de Reitdiepsdijk ‘beginnende bij de Esinger Dijck agter het huis Allersma bij lit. A"17" tot aen het kleine huisje bij Aduarder sijl lit. U’. Het ‘kleine huisje’ is aangegeven met een rood blokje en het rode lijntje dat daarbij dwars over de dijk is getrokken is de scheiding tussen de ‘Feerwerderdijk’ en de ‘Sijlvesterdijk’. Deze ‘Zijlvesterdijk’ behoorde blijkens het in 1754 vastgestelde ‘Specificq Register’ van schouwbare objecten van het Aduarderzijlvest tot de objecten waarvan het onderhoud ten laste kwam van alle zeven schepperijen waaruit het Aduarderzijlvest bestond"18". Wanneer we het aandurven om het op deze kaart ingetekende ‘waarm. huis’ (‘waarmanshuis’ of ‘waarhuis’) te identificeren met het huis dat in de akte van 1489 Sybrantshuis heet, kunnen we nog wel een tweede gokje wagen en het voorstel doen om in het ‘kleine huisje’ het in dezelfde tekst genoemde Lukenshuis te zien.

Het onderhoud van de dijk ter weerszijden van een zijl kwam gewoontegetrouw niet ten laste van de aangelanden of degenen die op grond van hun landbezit ‘dijk hadden’, maar bij degenen die belang hadden bij de zijl. Een vroeg voorbeeld hiervan zien we bij de inlating van Engelbert en Middelbert in het Scharmerzijlvest in 1370"19". Bij die gelegenheid werd bepaald dat de beide kerspelen één roede ter weerszijden van de zijl in de Borgwal moesten onderhouden. Bij Aduarderzijl was het hele Aduarderzijlvest belanghebbende en was het onderhoud van de hele dijk bij de Aduarderzijlen toegedeeld aan de verschillende schepperijen.

Het zegt niets dat van een zijl op plek 3 – waar de ‘Selwerder en Paddepoelsterzijl’ van 1435 kan hebben gestaan – geen plaatje bestaat of enig ander spoor is overgeleverd. In 1706, bij de aanleg van de huidige Westerzijl of Oude Sluis op plek 5, is juist ter plaatse van 3 een nieuwe monding (‘de Mude van de Zijl tot an het Reij Diep’)"20" gemaakt. Het is heel goed mogelijk dat bij die gelegenheid een oude sluis is opgeruimd zonder dat dit ergens is vermeld.

Nieuwe sluizen omstreeks 1560

In 1561 is de uitmonding van het Aduarderdiep opnieuw verbeterd. We beschikken over het verslag van een vergadering, die gehouden is op de Aduardersteentil en waarbij de Aduarderzijlvesten, de Raad van Groningen en het Sloterzijlvest (met jonker Wigbold van Ewsum) aanwezig waren"21". De bespreking ging over de details van een overeenkomst, waarbij het aan Oost-Vredewold (de streek bij Midwolde, Lettelbert en Oostwold) werd toegestaan om een tweede ‘pijp’ te hebben waardoor water uit dat gebied het watergangenstelsel van het Aduarderzijlvest kon binnenkomen. Het Sloterzijlvest had al een pijp van 20 voet breedte en wilde een tweede pijp van dezelfde wijdte aanleggen. Het is niet duidelijk waar deze kunstwerken precies hebben gelegen, maar dat is in dit verband ook niet van belang.

Uit het verslag van het overleg blijkt dat er destijds gewerkt werd aan verbetering van de Aduarderzijlen. Jurgen Jarges – mogelijk de Jurgen Jarges die in de jaren 40 en 50 meermalen olderman van het Groninger gildrecht is geweest"22" – deelde ter vergadering mee dat de beide oude Aduarderzijlen niet meer waterloeps hadden dan 15 voet, ongeveer 4,5 meter. Inmiddels, zo zei hij, was één van de oude zijlen vervangen door een nieuwe zijl van 17 voet breed en er zou een tweede komen die ook wel 15 voet breed zou worden. In totaal zou er dus een spuibreedte zijn van 32 voet. Omdat het Sloterzijlvest eerder al een pijp van 20 voet had, zou het in de nieuwe situatie geen enkel probleem opleveren wanneer er een tweede pijp van 20 voet bij kwam. Jarges’ verhaal was voor de toehoorders zo moeilijk te volgen, dat hij de situatie met krijt op een bord uittekende.

Ik heb lange tijd raar tegen dit stuk aan zitten kijken. Wat moeten we aan met Jarges’ mededeling dat de breedte van de twee oude Aduarderzijlen niet meer dan 15 voet was? Toen in 1435 sprake was van het leggen van een tweede, extra zijl ten behoeve van Selwerd en Paddepoel, was bepaald dat die tweede zijl 14 voet breed moest zijn. Hoe kan het dan dat de twee zijlen samen maar 15 voet wijd zijn? Zou Jarges bedoelen dat de oude zijlen elk 15 voet breed waren en dat de gezamenlijke breedte dus 30 voet was? Als dat zo is, moeten we concluderen dat Jarges niet kon rekenen. Even verderop beweert hij immers dat de nieuwe zijlen van 17 en 15 voet breed samen 17 voet breder zouden zijn dan de oude. Bij nader inzien lijkt de crux te zitten in het onderscheid dat we moeten maken tussen de wijdte van de zijl (breedte van de sluisdeuren) en de effectieve spuicapaciteit. Wanneer door opslibbing of technische problemen de deuren van een zijl niet meer volledig open kunnen gaan, heeft dat een vermindering van de spuicapaciteit tot gevolg. Ofschoon de oude sluizen samen wel een gezamenlijke deurbreedte kunnen hebben gehad van 28 of zelfs 30 voet, kon de effectieve spuibreedte in de loop van de jaren inderdaad zijn verminderd tot 15 voet. En eigenlijk is dat ook precies wat Jarges zei: hij had het tijdens de bijeenkomst op de Aduardersteentil niet over de wijdte van de zijlen, maar over die van de ‘waterloop’. Met de getallen 15 en 17 doelde hij op de nieuwe zijlen met ‘volledige ontsluiting’ en met de 15 voet van de oude zijlen bedoelde hij de breedte van de stroom die werd doorgelaten door deuren die maar voor de helft open gingen.

Maar waar stonden nu de twee oude Aduarderzijlen waarover Jarges het had? Dat moeten de zijlen van 1435 en 1489 zijn, waarvan ik hierboven – met een slag om de arm – heb gezegd dat ze op de locaties 3 en 4 kunnen hebben gestaan. De nieuwe zijl die in 1561 al klaar was en een wijdte van 17 voet breed had, is – zo blijkt uit de tekst – geplaatst op de plek waar voordien een 15 voet brede zijl had gestaan. Zou het kunnen zijn dat men in 1560 de zijl van 1489 op locatie 4 heeft vervangen door een nieuw en breder kunstwerk en dat men van plan was om de Oude Riet weer uit te graven en daar, op de plek waar eens de oude ‘blokzijl’ van c. 1400 had gestaan, een minstens 15 voet brede nieuwe zijl te leggen? En zou men, na het bouwen van deze nieuwe zijl op plaats 2, de zijl van 1435 op plek 3 hebben verwijderd of de daarheen voerende zijltocht simpelweg afgedamd? De beide laatste veronderstellingen hebben we nodig om uit de komen bij de situatie die Coucheron in 1630 tekende. Zoals gezegd zien we de twee zijlen van Coucheron terug op het linkerplaatje van Jan Delvigne. Tussen de beide armen – ter plaats van de zijl van 1435 dus – heeft de sterkte Aduarderzijl gelegen die in de jaren 1580-1594 zo’n belangrijke rol heeft gespeeld in de strijd tussen Staats- en koningsgezinden.

Aduarderzijl omstreeks 1750.
Uitsnede uit een ‘Plan van Aduwerder zyl’: plattegrond van Aduarderzijl met de vestingwerken door W.T., D.W.C., Ant. Hattinga, 1745-1754."23"

Aduarderzijl in de eerste helft van de negentiende eeuw.
Hier zijn Google Earth, de AHN-kaart en de oude kadasterkaart van HISGIS met elkaar gecombineerd.

Het vervolg van het verhaal is dankzij Delvigne en Woltjer een stuk duidelijker.

De Martinusvloed van 1686 verwoestte de westelijke zijl (2), waarna men de monding afdamde. Al het water moest voortaan door de oostelijke zijl (4) worden gespuid. Vervolgens is in 1706-1707 tussen de hierboven afgebeelde armen de huidige Westerzijl of Oude Sluis gebouwd. De oostelijke werd toen buiten bedrijf gesteld en de zijltocht afgedamd. De huidige Oude Sluis was sindsdien de enige waarlangs water werd gespuid.

Dat is de situatie die op het derde plaatje van Jan Delvigne is afgebeeld en die we eerder ook zagen op de uitsnede van de achttiende-eeuwse kaart met de Zijlvesterdijk. De zijltochten naar de zijlen nummers 2 en 4 zijn op de hierbij afgebeelde kaart uit 1750 allebei aangeduid als ‘Een Oud Zijll Diep’.

Ook op de vroeg-negentiende-eeuwse kadasterkaart is de oostelijke arm nog ‘doof’ (= voerde geen water). De oostelijke sluis (de huidige Oosterzijl of Kokersluis) zou pas in 1867 worden gebouwd.

Nog eens Aduarderzijl in zijn huidige gedaante. Rechts de ‘Kokersluis’, links de ‘Oude Sluis’ Nog eens Aduarderzijl in zijn huidige gedaante. Rechts de ‘Kokersluis’, links de ‘Oude Sluis’

Tot slot

Terugkijkend kunnen we concluderen dat van een echte reconstructie van de Aduarderzijlen in de periode 1400-1600 (voorlopig) geen sprake is. Anderzijds zijn er toch een paar bronnen opgedoken die onvermoede informatie over de ontwikkelingen aan de monding van het Aduarderdiep bevatten. Wie weet worden er nog meer ontdekkingen gedaan.

1.

GrA T713-2 fol. 146-147 en T713-3, fol. 247-249.

2.

Zie hiervoor Jan van den Broek, Een kronkelend verhaal. Nieuw licht op de oude Hunze (Assen 2011), 188-194.

3.

Zie voor deze kwestie: W.J. Wieringa, Het Aduarderzijlvest in het Ommelander waterschapswezen (Groningen 1946) 271 evv.

4.

Jan Delvigne en Johan Woltjer, ‘De sluizen van Aduarderzijl en hun 17e-eeuwse voorgangers’, in: Stad en Lande 1993 1, 2-6.

5.

Onder nummer 1387 opgenomen in de oude inventaris van het archief van de Staten van Stad en Lande en tegenwoordig nr. 1243 in toegang 817: ‘Kaart van de landen van het karspel Garnwerd, getekend door ingenieur Antoni Coucheron, 1630’.

6.

L.M. Pronk-Wiersema en J.J. Delvigne, Het reilen van de zijl (Ezinge 1988) 45-48, 57-58.

7.

T172-24 reg.nr. 159 (12 maart 1435).

8.

GrA T835-13b (oud RF Hs in folio 13b) 1003-1004. Van deze tekst zijn vele andere afschriften bewaard gebleven, hetgeen erop wijst dat hij van groot belang is geweest. Een transcriptie van het afschrift in inv.nr. 35 en een vertaling zijn gepubliceerd in L.M. Pronk-Wiersema en J.J. Delvigne, Het reilen van de zijl, 45-48, en het commentaar daarbij, 57-58.

9.

J. Kooper, Het waterstaatsverleden van de provincie Groningen (Groningen 1939) 139; deze opvatting is overgenomen door L. Hacquebord & A.L. Hempenius, Groninger dijken op deltahoogte (Groningen 1990) 41.

10.

Zo ook Pronk-Wiersema en Delvigne, a.w., 57-58.

11.

In totaal 9x5 en 10 stokken, samen 55 stokken. De gebruikte maatstok zal korter zijn geweest dan de gebruikelijke roede. Anders had men wel die maat gebruikt. Hieruit volgt dat het om een niet zo heel lang stukje dijk gaat: c. 150 meter. Uit kaart T817-2144 blijkt het te gaan om een stuk dijk van 125-150 meter. De meetstok zal dus c. 2,5 meter lang zijn geweest.

12.

GrA T705-33 regest nr. 23.

13.

Zo ook Pronk-Wiersema en Delvigne, a.w., 57-58.

14.

Kroniek van Sicke Benninge (ed. Van den Hombergh en Van der Werf) 168, 199, 376-377.

15.

T136-2551. Zie afb.

16.

T817-1244, behoort bij T136-2551.

17.

Hier bevond zich de oude monding van de Middagsterriet.

18.

T136-2550.

19.

OGD I 571 (1370).

20.

T136-2550.

21.

T696-183.

22.

T2100-1236.1.

23.

T817-1048.38.