Zoek op de website

7 Rijks- en gemeentearchief

In 1918 kreeg rijksarchivaris Joosting toch zijn zin: op grond van de Archiefwet die in dat jaar werd aangenomen, was de gemeente Groningen verplicht een eigen archivaris aan te stellen. Zo kwam Coster in datzelfde jaar nog terug naar Groningen. Hij werd de eerste gemeentearchivaris van Groningen.

In 1921 werd het nieuwe Rijksarchiefgebouw in gebruik genomen. De ruimten werden verdeeld: de depots in de westelijke vleugel van het gebouw en de werkvertrekken op de 2e verdieping waren voor de gemeente, het oostelijke deel en de werkvertrekken op de begane grond en de 1e verdieping voor het rijk.

Een doorschoten exemplaar van het Register Feith met aantekeningen Een doorschoten exemplaar van het Register Feith met aantekeningen

De Archiefwet van 1918 schreef de nieuwe inzichten bij wet voor.
Opdat de gemeente Groningen haar eigen archieven kon beheren moesten de bestanden die door de beide eerste Feithen waren vermengd uit elkaar worden gehaald. Het werk dat Coster vanaf 1910 had verricht paste daarin. Vanaf 1913 werkte Joosting van Rijkszijde aan de splitsing.

In 1924 werd Joosting opgevolgd door dr. H.A. Poelman. De besluiten over de scheiding werden nu consequent aangetekend in een doorschoten exemplaar van het Register Feith.

Geschreven Vervolg met aantekeningen Geschreven Vervolg met aantekeningen

Ik heb zelf ook nog meegewerkt aan het bijhouden van het werkexemplaar van het Register Feith (zie de aantekening over de overdracht van een stuk aan het RA Drenthe in 1974).

Ondertussen was Poelman bezig met de inventarisatie van de Ommelander Archieven en de Archieven van de Staten van Stad en Lande. Dat werk was echter nog niet klaar toen Poelman in 1933 overleed. Ook onder zijn opvolger J.A. Brouwer bleef het werk onvoltooid.

Coster en Brouwer waren in 1933 bezig met de splitsing van Hs in folio 216, bestaande uit 103 (!) banden met stukken over de ruzies tussen Stad en Ommelanden.

Uitspraak van de Staten-Generaal in de conflicten tussen Stad en Lande (1640). Foto: Marij Kloosterhof Uitspraak van de Staten-Generaal in de conflicten tussen Stad en Lande (1640). Foto: Marij Kloosterhof

Daarbij hoorde ook de uitspraak van de Staten-Generaal in de geschillen tussen Stad en Lande van 24 juli 1640.

Dr. H.P. Coster (1886-1962) Dr. H.P. Coster (1886-1962)

Na zijn vliegende start maakte Coster weinig meer klaar. Hij vond dat hij het gedeelte van het stadsarchief vóór de reductie niet kon afwerken zolang de scheiding nog niet was voltooid.

Toch is het ongelooflijk dat hij in de krap 4 jaar waarin hij met ‘rood voor de reductie’ bezig is geweest, zover is gekomen. Hij had alles beschreven, een ordeningsschema opgesteld en alle systeemkaartjes waren volgens dat schema in dozen gezet.

Het enige wat nu nog moest gebeuren was het omnummeren van de stukken, zodat de inventaris netjes met 1 zou beginnen en eindigen met nr. 1485 eindigde. Costers inventaris begon met rvr 26, en dan kwamen rvr 11 en rvr 12. Daarna kwam nr 1461. Een fatsoenlijke inventaris zou moeten nummeren van 1 naar veel.

Aan het stadsarchief uit de periode na 1594 heeft Coster niet zo veel gedaan. Wel nummerde hij de stukken (of liever pakken en delen) en maakte er voorlopige beschrijvingen van. Deze zijn echter lang niet zo uitgebreid en precies als die van het gedeelte voor 1594. Het kwam er ook niet van om een indelingsschema te maken.

Hij deed nog wel wat aan de jongere archieven – overal vind je op stukken en omslagen potloodaantekeningen in zijn karakteristieke handschrift – en hij had ook belangstelling voor de problemen van de moderne registratuur. Hij was betrokken bij de ontwikkeling en implementatie van de zogenaamde ‘Code VNG’, een registratuurplan voor de gemeenteadministratie dat in 1922 werd gepubliceerd.

Coster nam in 1951 afscheid en kreeg een door Johan Dijkstra geschilderd portret cadeau.

Afscheid dr. H.P. Coster als gemeentearchivaris van Groningen (1951) Afscheid dr. H.P. Coster als gemeentearchivaris van Groningen (1951)

De foto geeft een beeld van de plechtigheid in de raadzaal op het stadhuis.

Van links naar rechts zien wedr. H.P. Coster, prof.dr. J. Lindeboom (hoogleraar in de kerk- en dogmengeschiedenis te Groningen), rijksarchivaris dr. W.J. Formsma en aantredend gemeentearchivaris dr. A.T. Schuitema Meijer.

Dr. A.T. Schuitema Meijer in het gemeentedepot aan de Sint Jansstraat Dr. A.T. Schuitema Meijer in het gemeentedepot aan de Sint Jansstraat

Coster werd opgevolgd door A.T. Schuitema Meijer, die zich op het standpunt stelde dat verdere inventarisatie van het stadsarchief zinloos was zolang er nog stadsdocumenten in de rijksdepots lagen. Hij gaf dus voorrang aan de scheiding en volgde voor de rest zijn belangstelling voor architectuur en de picturale documentatie van zijn geliefde stad Groningen.

Ondertussen heeft zijn medewerkster Eef van Dijk nog wel pogingen gedaan om wat verder te komen met ‘rood voor de reductie’. Maar tot verbetering van de toegankelijkheid van het archief heeft dat niet geleid.

Formsma’s inventarissen Formsma’s inventarissen

In het Rijksarchief schoot het inventarisatiewerk aanvankelijk ook niet hard op, maar dat veranderde met de komst van W.J. Formsma (1946). Deze was in 1930 gepromoveerd op de Wording van de Staten van Stad en Lande tot 1536.

Formsma voltooide de inventaris van de Ommelander Archieven waaraan P.G. Bos al rond 1900 begonnen was, inventariseerde de archieven van de Staten van Stad en Lande, van de Hoge Justitiekamer en van de Gewestelijke Bestuurders in de ‘Franse tijd’.

Naast zijn archiefwerk vond hij ook nog tijd om heel veel te publiceren over historische onderwerpen en de archivistiek en om een belangrijke rol te spelen in de Vereniging van Archivarissen en de historische vereniging Stad en Lande.

Inhoud van het Statenarchief. Formsma’s inventarissen zijn voorbeeldig van opzet. Inhoud van het Statenarchief. Formsma’s inventarissen zijn voorbeeldig van opzet.

De eerste nummers van het Statenarchief De eerste nummers van het Statenarchief

De inventaris begint netjes met nummer 1 enz. Daardoor kan men gemakkelijk op nummer zoeken. Dat is vooral van belang als men, uitgaande van verwijzingen in publicaties, de onderliggende bronnen wil bekijken.

Afscheid van dr. W.J. Formsma als Rijksarchivaris in Groningen (1968) Afscheid van dr. W.J. Formsma als Rijksarchivaris in Groningen (1968)

Wiebe Jannes Formsma (Grijpskerk 1903-Groningen 1999) vervulde het ambt van rijksarchivaris in de provincie Groningen in de jaren 1946-1968. Rechts op de foto zien we Commissaris der Koningin mr. C.L.W. Fock.

Formsma ging in 1968 met pensioen en werd opgevolgd door de uit Den Haag afkomstige mr. J.H. de Vey Mestdagh.

Kamer 8 in de zomer van 1976 Kamer 8 in de zomer van 1976

Toen hij met pensioen ging was Formsma nog volop bezig met de inventarisatie van de gewestelijke archieven in de Franse tijd. Daarnaast deed hij onderzoek. Hij had een vast plaatsje op studiezaal II.

Toen ik in 1971 bij het RAG kwam leerde ik hem weldra kennen als een onuitputtelijke vraagbaak. Ik moest de kloosterarchieven – zo ongeveer het laatste restje oude archieven in het Rijksarchief – bewerken en kon met mijn vragen altijd bij de oud-rijksarchivaris terecht. Omgekeerd vond hij het leuk om aanspraak te hebben. Hij deed om de haverklap vondsten in het archief en stapte dan, de stukken in de hand, opgetogen kamer 8 binnen, die ik met Jenne Meinema deelde.

Wanneer ik niet begreep waarom zijn vondst zo bijzonder was, kreeg ik prompt een privé-college Groninger geschiedenis, iets waarvan ik tot op de dag van vandaag plezier heb.