Zoek op de website

Bewijzen

Van Giffen en Praamstra maken in hun studie melding van ‘boringen welke van stadswege tussen de Hoge der A en de Laan verricht zijn’ en waaruit is gebleken, ‘dat de ongerepte moederbodem, waarop schelpjes, zacht glooiend in westelijke richting afliep, doch zonder enig spoor van voormalige grachten daarin.’ Uit het ontbreken van grachten trekken de archeologen onverschrokken de conclusie dat ‘dus een stadsbevestiging oostelijk van de A ontbreekt’ (cursivering van mij). Op haar beurt is deze conclusie weer de basis voor hun stelling dat er ‘aan de stadszijde van de A, dus in de Brugstraat, nimmer een Apoort is geweest’ en dat de westelijke verdedigingslinie van Groningen altijd ten westen van de A heeft gelopen."10" De gedachte dat er aan de oostzijde van de A een linie zou kunnen zijn geweest zonder grachten was voor Van Giffen en Praamstra blijkbaar zo ongerijmd, dat ze het niet de moeite waard hebben gevonden haar te vermelden, laat staan haar met kracht van argumenten te verwerpen.

Veel voorzichter was de archeoloog Jaap Boersma in het artikel dat hij schreef voor de bundel Groningen 1040, Archeologie en oudste geschiedenis van de stad Groningen, die in 1990 ter gelegenheid van het ‘950-jarig bestaan van Groningen’ verscheen. Bijkans terloops en zonder het met zoveel woorden mee te delen, neemt hij afstand van de visie van zijn vakgenoten en schrijft dat de Drentse A aan de westkant van de nederzetting van meet af aan de functie van stadsgracht heeft gehad. Over de vraag of hier wellicht ook een muur heeft gestaan laat hij zich niet uit."11"

Een huis c.a. ‘voer der Ae poerten an de sueder syd van der straten op der stad mure....’ GrA T1539-182 regest nr. 609 (1511). Een huis c.a. ‘voer der Ae poerten an de sueder syd van der straten op der stad mure....’ GrA T1539-182 regest nr. 609 (1511).

Zoals ik al aankondigde zijn er documenten die aantonen dat de opvatting van Van Giffen en Praamstra onjuist is. Een van die stukken is een akte uit het jaar 1511,"12" een stuk dat overigens door de archeologen zelf wordt aangehaald ter onderbouwing van hun stelling dat de westelijke stadsmuur van Groningen ten westen van de A gestaan moet hebben. Krachtens deze akte schonk Alijt, de weduwe van Willem Schoenmaker, een jaarlijkse rente van 3 arnhemse guldens aan de voogden van de Akerk. De rente was gebonden aan haar huis, kelder, hofstede en verder toebehoren, zoals die gelegen waren ‘voor de Apoorten, aan de zuidkant van de straat, op de stadsmuur’. Haar buurman aan de oostzijde was Boele Pannenbacker, een buurman ter westerzijde was er niet of werd niet genoemd.

Omdat er volgens Van Giffen en Praamstra aan de oostzijde van de A nooit een stadspoort heeft gestaan, moeten de in deze tekst genoemde Aepoerten (meervoud!) volgens hen de poorten zijn die later als Binnen- en Buiten-Apoort bekend zouden staan. De Binnen-Apoort stond op de smalle singelwal tussen het Menrediep en de A, de Buiten-Apoort zo’n 25 meter verder naar het westen, ter hoogte van de huidige Westerbinnensingel. Bij de oudste van deze poorten, de Binnen-Apoort op de singelwal, hoort een muur, zo redeneren Van Giffen en Praamstra, dus moet over diezelfde wal ook de westelijke stadsmuur gelopen hebben. Omdat de oorkonde van 1511 zegt dat het betreffende huis ‘op de stadsmuur’ stond, volgt daaruit dat ook dit huis ten westen van de A heeft gestaan.

Dit betoog gaat echter op enkele punten mank. Ik zal deze achtereenvolgens onder de loep nemen.

De plaats waar de Binnen-Apoort van 1517 heeft gestaan, ingetekend in het minuutplan van het kadaster. Het noorden is links. De plaats waar de Binnen-Apoort van 1517 heeft gestaan, ingetekend in het minuutplan van het kadaster. Het noorden is links.

De locatie van de Binnen-Apoort is tegenwoordig niet meer herkenbaar. De locatie van de Binnen-Apoort is tegenwoordig niet meer herkenbaar.

We beginnen met de vraag welke Apoorten in de akte van 1511 bedoeld kunnen zijn. Wanneer we ervan uitgaan dat er in 1511 tenminste twee Apoorten zijn geweest, ligt het in de rede dat één daarvan inderdaad tussen het Menrediep en de A heeft gestaan. Dat kan natuurlijk niet het gotische gebouw zijn geweest dat later als Binnen-Apoort zou worden aangeduid. Voor deze ‘nie poorte ter A’ werd pas op 5 augustus 1517 de eerste steen gelegd. De kroniekschrijver Sicke Benninge vertelt dat voor de bouw ervan gebruik werd gemaakt van stenen die vrijgekomen waren door de sloop van het kasteel van graaf Edzard, die tot 1514 heer van de stad was geweest. Als er in 1511 sprake is van een Apoort op deze plek kan het dus hooguit om een (eenvoudige) voorganger van de latere Binnen-Apoort zijn gegaan.

De Binnen-Apoort van 1517, gezien vanuit het westen , getekend door J. Schoonbeek. GrA T1536-2663 (uitsnede). De Binnen-Apoort van 1517, gezien vanuit het westen , getekend door J. Schoonbeek. GrA T1536-2663 (uitsnede).

De Binnen-Apoort van 1517, gezien vanuit het oosten, getekend door J. Schoonbeek. GrA T1536-2664 (uitsnede). De Binnen-Apoort van 1517, gezien vanuit het oosten, getekend door J. Schoonbeek. GrA T1536-2664 (uitsnede).

De gedachte van Van Giffen en Praamstra dat de tweede van de beide Apoorten de Buiten-Apoort moet zijn geweest, vloeit voort uit hun opvatting dat de Buiten-Apoort behoort bij ‘het bolwerk van 1469-1471’ – waarover straks meer – dat ter hoogte van de Westerhavenstraat-Westerbinnensingel heeft gelegen. Dit is echter niet juist. De Buiten- Apoort bestond in 1511 nog niet. Het bedoelde bolwerk, de bijbehorende gracht en de Buiten-Apoort zijn pas in de Gelderse tijd – meer dan een halve eeuw later dus – aangelegd. De daarvoor benodigde grond is onder meer in 1531 aangekocht. De tekst van een akte van 25 februari 1531 maakt duidelijk dat de werkzaamheden tenminste van 1528 tot 1531 hebben geduurd."13"

We ontkomen er niet aan: wanneer er in 1511 melding wordt gemaakt van twee Apoorten, moet één van beide gebouwen echt aan de oostkant van de A hebben gestaan: de ‘Binnenste Apoort’.

We zagen verder dat de akte van 1511 het huis van Willem Schoenmaker en zijn weduwe Alijt, de stadsmuur, de poorten en de straat in ruimtelijke zin aan elkaar koppelt. Wanneer Van Giffen en Praamstra gelijk hebben, zou de beschreven situatie zich aan de westzijde van de A hebben bevonden. Dan moet ook, zo zagen we eerder, het huis van Willem en Alijt aan de westkant van de A hebben gestaan. We kunnen nog wel wat preciezer zijn: het moet hebben gestaan aan de zuidzijde van de Astraat, ten oosten van de voorganger van de Binnen-Apoort. Een blik op het minuutplan van het kadaster uit 1821-1832 maakt duidelijk dat de ruimte hier zo krap is, dat er nooit twee huizen kunnen hebben gestaan. We moeten immers niet alleen plaats vinden voor het huis van Willem en Alijt, maar ook voor dat van  hun oostelijke buurman Boele Pannenbacker. Hieruit volgt dat we de huizen, straat en stadsmuur aan de oostkant van de A moeten zoeken.

Deze conclusie wordt bevestigd door latere bronnen die ons vertellen dat de ruimte ten zuiden van de Binnen-Apoort pas in 1581 is uitgegeven om bebouwd te worden."14" Vóór die tijd stonden tussen de huidige Westerhavenstraat en de Pottebakkersrijge hooguit enkele illegale bouwsels (‘onbehoorlijk tymmer’), waarvan het stadsbestuur besliste dat ze moesten worden afgebroken."15"

Hoe interessant het bovenstaande misschien ook is, als bewijsvoering voor de stelling dat de oudste Apoort ten oosten van de A stond, is de vermelding ervan eigenlijk niet nodig. Bij het stuk van 1511 behoren namelijk twee retroacta die over hetzelfde huis gaan, maar de plaats waar het staat op verschillende manieren aanduiden. We hebben dus niet één, maar drie documenten – uit 1479, 1503 en 1511 – die ons kunnen helpen bij het localiseren van het huis van Willem en Alijt."16" De akte van 1479 zegt: het huis staat ‘aan de zuidzijde bij de Apoort, op de stadsmuur’, die van 1503 geeft als plaatsaanduiding: ‘aan de zuidzijde van de Brugstraat op de stadsmuur’, en hierboven zagen we al dat het stuk van 1511 meedeelt dat het huis gelegen was ‘voor de Apoorten, aan de zuidzijde van de straat, op de stadsmuur’. Op de rug van de laatstgenoemde oorkonde lezen we ook nog: ‘up de statmure by der Aepoerte an de sudersyt’.

Op het ‘carton’ bij zijn stadsplattegrond van Groningen heeft Jacob van Deventer met een rood lijntje de middeleeuwse stadsmuur aangegeven. Ook de torens in de muur zijn in rood getekend. De muur vertoont hiaten tussen de Herepoort en het Papenpoortje (bij de Munnikeholm) en tussen de Ulentoren (met molen) en het noordelijke einde van het Hoge der A.

Wanneer we deze plaatsaanduidingen tot één enkele beschrijving combineren luidt deze dat het huis staat ‘bij of voor de Apoort(en), aan de zuidzijde van de Brugstraat, op de stadsmuur’. De wat ambiguë uitdrukking ‘bij of voor de A(poorten)’ en het ontbreken van een westelijke belending van het huis van Willem en Alijt doen vermoeden dat we hun huis kunnen identificeren als het huidige pand Brugstraat 34. We weten nu dat er echt een poort heeft gestaan aan de oostzijde van de A en dat dit de Apoort is die bedoeld wordt in de akten van 1479 en 1511. Dezelfde poort zijn we al tegengekomen in de eerder geciteerde oorkonde van 5 december 1454, waarin van het huis van Hugo Nyetap wordt gezegd dat het ‘op de stadsmuur ten noorden van de Apoort’ staat."17" Verder tonen de besproken akten het bestaan aan van de stadsmuur ter weerszijden van de Brugstraat. Het stuk muur dat in de oorkonden van 1479, 1503 en 1511 wordt genoemd, moet dan het deel zijn geweest tussen de toren bij de Abrug en de Ulentoren, die op de zuidwestelijke hoek van de stad heeft gestaan. Waarschijnlijk was dit stuk muur in de tweede helft van de zestiende eeuw reeds afgebroken zonder herkenbare sporen na te laten. In elk geval heeft Jacob van Deventer hem niet ingetekend op het ‘carton’ bij zijn stadsplattegrond (het kleine bij-kaartje waarop de kartograaf in het bijzonder de verdedigingswerken heeft afgebeeld). Hetzelfde geldt ook voor de muur ‘onder Hugo Nyetaps huis’ ten noorden van de Abrug. Dit gedeelte van de muur was volledig opgenomen in het huis, zodat Van Deventer hem niet heeft gezien.

10.

Van Giffen en Praamstra 1962, 82, 86, 128; Van Giffen en Praamstra 1965-1966, 162, 167.

11.

Boersma 1990, 65.

12.

GrA T1539-182/609.

13.

GrA T2100-848. Zie ook T2100-443 en 774.

14.

GrA T2100-9, 583-586.

15.

Formsma en Van Roijen 1964, 61 (30 oktober 1556).

16.

Akten van 1479, 1503 en 1511 (GrA T1539-325/302; T1750-2; T1539-182/609).

17.

GrA T172-171/324.