Zoek op de website

De Turftoren en het Menrediep

De westzijde van de stad Groningen op de vogelvluchtplattegrond van Braun en Hogenberg (1575). De kleur van het Menrediep (de middelste van de drie watergangen) is hier wat zwaarder aangezet. De linkergracht behoort bij het bolwerk dat in de Gelderse tijd is aangelegd en halverwege de zestiende eeuw is verbreed. De afbeelding van het Menrediep geeft de situatie weer zoals deze omstreeks het midden van de zestiende eeuw is geweest. Daarna is het diep geleidelijk gedempt.

Tot de schriftelijke bronnen die in het voorgaande zijn aangehaald om de locatie van de middeleeuwse Apoort vast te stellen, behoort niet het oudste stuk waarin die poort wordt genoemd. De reden daarvoor is dat de betreffende oorkonde, daterend van 14 februari 1404, weliswaar de Apoort noemt, maar – op het eerste gezicht – geen uitsluitsel geeft over de plek waar ze stond."18" Het document gaat over een stuk wal dat gelegen is buiten de Apoort, tussen het ‘diep en de stadsgracht’ en tussen het huis van Johan Schaep en ‘tegen de turftoren’. Uit een akte van 1454 blijkt dat het bewuste perceel toen in het bezit van de stad Groningen was."19" Het heette toen te liggen ‘buiten de Apoort aan de noordzijde, aan het einde tussen het stadsdiep (de A) en het Menrediep’. Vooral deze laatste omschrijving van het stuk wal helpt ons bij de bepaling van de plaats ervan. Het Menrediep, ook wel Mennersgracht of Mennersdiep genoemd, is een gracht die vermoedelijk in de loop van de veertiende eeuw evenwijdig aan en op enkele tientallen meters ten westen van de Drentse A is gegraven. Aan de zuidzijde lag het begin ervan tegenover de huidige Reitemakersrijge, het noordelijke einde bevond zich (ongeveer) tegenover de hoek van de Visserstraat en het Hoge der A. De plattegrond van Braun en Hogenberg van ruim een eeuw later geeft de loop reageren? mail naar van het Menrediep waarschijnlijk goed weer, zij het dat de situatie in haar geheel nooit zo is geweest als zij hier is afgebeeld. In 1575 – het jaar waarin de plattegrond verscheen – had het Menrediep zijn functie allang verloren en was men al begonnen met het dempen ervan.

Een stuk wal ‘teghens den torf toren’... GrA T2100-190.2. Een stuk wal ‘teghens den torf toren’... GrA T2100-190.2.

We weten niet waar het huis van Johan Schaep stond en is het ook niet duidelijk wat er bedoeld wordt met de woorden ‘tegen de turftoren’. De zestiende-eeuwse stadsrekeningen geven weliswaar een aanduiding van de plaats waar de Turftoren stond, maar ook die kan men verschillend uitleggen. Totdat hij in 1551 werd afgebroken werd de plaats van de Turftoren aangegeven als ‘tegen het Kromme Jat over’. Met ‘Kromme Jat’ werd destijds de huidige Turftorenstraat bedoeld. Van Giffen en Praamstra zagen in de omschrijving ‘tegenover het Kromme Jat’ een bewijs voor de juistheid van hun theorie. Wanneer de Turftoren tegenover het Kromme Jat stond, wil dat volgens hen zeggen dat hij aan de westzijde van de A stond, en als daar een toren stond, moet daar ook de stadsmuur hebben gestaan. Deze redenering lijkt plausibeler dan ze is. De onduidelijkheid wordt veroorzaakt door de betekenis van ‘tegen’ of ‘tegenover’ en onze gebrekkige kennis van de situatie. In de hiervoor genoemde akte van 14 februari 1404 kan met ‘tegen de Turftoren’ bedoeld zijn dat het stuk wal op de westelijke oever van de A tegenover de Turftoren lag, en in de stadsrekeningen kan ‘tegen het Kromme Jat over’ betekenen dat de Turftoren op de oostelijke oever van de rivier stond, tegenover de plaats waar het Kromme Jat op het Hoge der A uitkwam.

Ten aanzien van de zojuist aangehaalde akten van 1404 en 1454 merkte ik op dat ze op het eerste gezicht geen aanwijzing bevatten voor de plaats waar de Apoort toen stond. Bij nadere beschouwing blijkt er toch een uitdrukking in te staan die past bij de uitkomst van de vorige paragraaf. We lezen in deze oorkonden immers dat het verhuurde stuk wal ‘buiten de Apoort’ lag. Wanneer Van Giffen en Praamstra gelijk zouden hebben en de middeleeuwse Apoort inderdaad tussen de Mennersgracht en de A zou hebben gestaan, zou het betreffende stuk wal ten westen van het Menrediep hebben gelegen. Dat is strijdig met de mededeling dat het tussen het Menrediep en de A lag. We weten het nu dus echt zeker: de oudste Apoort heeft aan de oostzijde van de A gestaan.

De op één na oudste vermelding van de Apoort treffen we aan in de kroniek van Johan van Lemego. Zowel Van Giffen en Praamstra als Overdiep halen de bewuste passage aan ter ondersteuning van hun eigen theorie. De tekst lijkt melding te maken van het Menrediep, maar is allesbehalve helder."20" De Vetkopers die in 1415 vanuit Eelde via de Potterwolderdijk (nu Hoornsedijk) naar de stad trokken met de bedoeling een poging te doen om haar op de Schieringers te heroveren, wisten – aldus de kroniek – ‘oever stadt graffte oever deep’ te komen. Daarna klommen ze met ladders over de muur en sloegen met smidshamers de sloten van de Apoort kapot.

Wanneer tussen ‘stadgraft’ en ‘over diep’ geen komma maar het woordje ‘ende’ had gestaan, zou de zaak een stuk duidelijker zijn geweest. Dan zouden we met enige zekerheid hebben kunnen concluderen dat met de stadsgracht het Menrediep en met het diep de A bedoeld zijn. Er staat echter geen ‘ende’. Tot overmaat van ramp vervolgt de kroniekschrijver aldus: ‘wante daer doe man (= slechts) een deep was’. Deze toevoeging lijkt aan te geven dat ‘over diep’ een bijstelling is bij ‘over stadtgraft’. Dat zou betekenen dat de stadsgracht en het diep een en hetzelfde water zijn. Van Lemego zou dan willen zeggen dat het diep (de A) hier dienst deed als stadsgracht. We zouden de komma dus als ‘ofte’ moeten lezen.

Noch Van Giffen en Praamstra, noch Overdiep doen moeilijk over deze tekst. Overdiep leest de komma als ‘ende’ en verklaart dat de Vetkopers eerst het Menrediep moesten oversteken en vervolgens de A om de stadsmuur op de oostelijke oever te kunnen beklimmen, terwijl de twee archeologen het hele voorval naar de westzijde van de A transponeren, het Menrediep identificeren als van Lemego’s ‘stadtgraft’ en zwijgen over de A."21"

De Vetkopers die vanuit de richting Paterswolde over de westelijke dijk langs de Drentse A of het Hoornsediep naar Groningen trokken, hoefden echter helemaal niet tot aan de westelijke oever van het Menrediep door te lopen alvorens de gelegenheid te krijgen voor een aanslag op de stad. Afhankelijk van de omstandigheden – het gebied ten zuidwesten van de stad was uitgesproken drassig – kon men al vóór – dat wil zeggen: ten zuiden van – de plaats waar het Menrediep zich van de A afsplitste, vanaf de Potterwolderdijk de A oversteken en vervolgens de muur beklimmen. Bij nader inzien lijkt Van Lemego de gebeurtenis heel precies te hebben beschreven: de aanvallers kwamen over de Potterwolderdijk naar het noorden, staken de rivier over die toen dienst deed als stadsgracht (er was daar geen andere gracht), beklommen de muur en forceerden van
binnenuit de Apoort aan het begin van de Brugstraat. Volgens deze interpretatie kwam de aanval dus niet uit het westen, maar uit het zuidwesten. De Vetkopers maakten gebruik van dezelfde plek die ook in de zestiende eeuw nog een zwakke stee in de Groningse verdediging zou blijken te zijn."22"

‘Ten noorden bij de A’ vanaf het Lage der A (maart 2013). ‘Ten noorden bij de A’ vanaf het Lage der A (maart 2013).

18.

GrA T2100-190.2; gedrukt: OGD II 1170.

19.

Akte van 12 juli 1454 (GrA T2100-190.3). Overdiep deelt abusievelijk mee dat deze akte een ander stuk wal betreft dan die van 1404 (Overdiep 1984, 41).

20.

Van den Hombergh en Van der Werff 2012, 44.

21.

Van Giffen en Praamstra 1962,127, dezelfden 1965-1966, 161; Overdiep 1984, 54.

22.

Van den Broek 2007, 517-593 (‘Dansen om de bruid’).