Zoek op de website

Ciné Premières 2005

De verfilmbare avonturen van Jaques Fabre

door Beno Hofman

Het Centre Culturel Français Groningen organiseerde in november 2005 voor de negende keer het Franse filmfestival Ciné Premières.

Een film over de avonturen van de Groninger Hugenoot Jacques Fabre had op het festival niet misstaan. Gedreven door geldgebrek organiseerde de koffiehuishouder begin achttiende eeuw loterijen, die voor hemzelf en de provincie desastreuze gevolgen hadden.

Jacques Fabre is eind zeventiende eeuw een van de Hugenoten die Frankrijk ontvlucht omdat met de herroeping van het zogeheten ‘Edict van Nantes’ de vrijheid van godsdienst verdwijnt.

Fabre komt met zijn ouders en zuster vanuit de Languedoc naar Groningen, waar de Hugenoten in het Pelstergasthuis een eigen kerk krijgen.

Coffyschenker

Fabre krijgt in 1695 van ‘borgemeesteren en raedt’ vergunning het beroep van ‘cafetier of coffyschenker’ uit te oefenen. Daarmee wordt hij naast de Hugenoten Jan de Bruin en Joris Moncheau de derde koffiewaard van Groningen. Enkele Nederlanders hebben hun nering dan net beëindigd als gevolg van de hoge belastingen.

De nieuwe ‘cafetier’ ziet het voorlopig wel zitten. In 1696 trouwt hij de eveneens uit de Languedoc afkomstige Jeanne Boiset en wordt ouderling in de Franse kerk, die wegens de enorme groei dan huist in de grotere Broerkerk.

In 1703 neemt Jacques Fabre een koffiehuis aan de noordzijde van de Grote Markt over, dat eerder van Jan de Bruin is geweest. Aanvankelijk huurt hij het pand, maar in 1717 wordt de Hugenoot eigenaar.

Loterijen

Net als de andere koffiehuishouders heeft Fabre wel voortdurend geldproblemen. Door voor honderd daalders per jaar aan burgemeesters en raad ‘extra-ordinaris couranten’ te leveren, vult hij zijn inkomen enigszins aan. En het organiseren van loterijen levert hem soms nog een extra zakcentje op.

De Grote Markt NZ omstreeks 1886 met in het midden het koffiehuis van Fabre. Foto: J.G. Kramer [1785-7513] De Grote Markt NZ omstreeks 1886 met in het midden het koffiehuis van Fabre. Foto: J.G. Kramer [1785-7513]

Zijn eerste loterij organiseert Fabre omstreeks 1709. Hoewel er in 1715 nog achthonderd gulden schuld is, krijgt hij de smaak te pakken. De slechte staat van de provinciale financiën doet hem besluiten de Staten een flinke worst voor te houden. Fabre presenteert in 1720 een ambitieus plan voor een loterij die de provincie minimaal 268.389 gulden zal opleveren.

Tegenvallers

Hoewel de verkoop van de loten tegenvalt en de loterij wordt teruggebracht tot een elfde van de oorspronkelijke omvang, laat Fabre zich niet uit het veld slaan.

Terwijl de eerste loterij nog loopt, presenteert hij in december 1721 een tweede verloting. Dit keer zullen de loten ook in Engeland, Zwitserland, Frankrijk en Duitsland worden verkocht en zal de provincie zeker 450.000 gulden verdienen.

Weer laten de Staten zich overtuigen. Men begint de verwachte winst zelfs al te bestemmen. Zo wordt er zestienduizend gereserveerd voor de armen in de stad, een zelfde bedrag voor die in de Ommelanden en tweeduizend gulden voor de Franse armen.

Spoedig blijkt ook deze verloting minder succesvol dan Fabre heeft voorgespiegeld. Om in Hamburg getrokken prijzen te kunnen betalen, vraagt hij eind 1722 even twaalfduizend van de door hem al geleverde vijftienduizend gulden terug. Met tegenzin gaan de Staten akkoord, maar dan blijkt de provinciale ontvanger er met het geld van door te zijn.

Terwijl ook de tweede loterij op een mislukking uitloopt, komt Fabre in juni 1724 gewoon met het voorstel voor weer een nieuwe verloting. Maar dit keer hebben de Staten er genoeg van. Als de negatieve eindbalans in 1730 wordt opgemaakt, kan Fabre de provincie nog slechts nederig vragen: ‘mij zoetjes in mijn oude dagen te laten sterven’. En zo geschiedt