Zoek op de website

De dichtende burgemeester Lucas Trip

door Beno Hofman

Traditiegetrouw wordt op de laatste donderdag van januari een 24 uur durende poëziemarathon gehouden. Als er in de achttiende eeuw al zoiets had plaatsgevonden, dan was er ongetwijfeld een hoofdrol geweest voor Lucas Trip.

Hij was in zijn tijd namelijk de meest gewaardeerde Groninger dichter. Maar het waren niet alleen zijn gedichten die opzien baarden.

Trip was ook politiek actief. Na jaren lid te zijn geweest van de Groninger raad, werd hij een van de vier burgemeesters van de stad.

Lucas Trip wordt op 20 augustus 1713 in Eelde geboren. Doordat zijn moeder – Anna Titia Nijsingh - enkele dagen later overlijdt en zijn vader – Jacob Elias Trip – spoedig daarna naar Oost-Indië vertrekt, wordt Lucas opgevoed door zijn grootouders. Dit echtpaar – Lucas Nijsingh en Arendina Emmius – bewoont het zogeheten Nijsinghhuis of ‘Oud Gemeentehuis’ in Eelde.

De eerste gedichten

Tijdens zijn rechtenstudie aan de Groningse universiteit manifesteert Trip zich voor het eerst als dichter. In 1733 schrijft hij een ‘Treurzang ter overlyden van den hoog edelen gestrengen heer Harmen Wolthers, Oudtse en in der tyt voorzittende Burgermeester van Groningen, bewinthebber der West-Indische Maatschappy, opziender der Hogeschole, schepper der drie Delfzylen, mede ouderling der Kerke etc.’.

Na in 1735 in Utrecht te zijn gepromoveerd, keert Lucas Trip in Groningen terug om een rechtspraktijk te beginnen. Ook wijdt hij zich weer aan de dichtkunst, die in deze periode vooral christelijk van aard is.

Zo maakt hij in 1736 een gedicht ter gelegenheid van de ‘beroepinge en aankomst’ van twee hoogleraren godgeleerdheid. En een jaar later komt Trip met een ‘lierzang’ bij de bevestiging van dominee Albert Alberthoma.

Lucas Trip trouwt in januari 1738 met Beerta Sibenius. In de eerste vier jaar van hun huwelijk worden vier kinderen geboren en wonen zij waarschijnlijk in bij een oom van Lucas op Ossenmarkt 5.

In 1742 kopen ze een eigen huis aan de Turftorenstraat (nummer 13), waar nog vier kinderen worden geboren. In de zomer verblijft het gezin overigens meestal op landgoed De Braak in Paterswolde, dat Lucas in 1721 heeft geërfd van opa Nijsingh.

Ontmaskering en censuur

Prent  Mr. Lucas Trip [1785-16348] Prent Mr. Lucas Trip [1785-16348]

In de jaren veertig schrijft Trip enkele bruiloftsgedichten.

Als ene ‘Curillus’ in 1746 een satirische reactie dicht op dit soort poëzie ter gelegenheid van het huwelijk van de zus van dichter Joost Conring, klimt Trip in de pen.

In het pamflet ‘De bescheiden hekeldichter’ ontmaskert hij Gerard Nicolaas Heerkens als de maker en komt op tegen ‘vernuften, zot van hoogmoed; gemoederen zonder eer of wellevendheid’.

Heerkens ontvlucht Groningen en het stadsbestuur verordonneert dat er voortaan niets mag worden gedrukt zonder zijn toestemming.

Trip reageert met veertien sonetten, waarvan hij de eerste twee en een register aan de presiderende burgemeester van dat moment overlegt.

Het register – bestaande uit de eerste regels van alle gedichten - vormt ‘heel toevallig’ zelf ook een gedicht. Hierin hekelt Trip fijntjes de censuur van het stadsbestuur.

Politieke opmars

Het is het begin van Trips openlijke politieke bemoeienissen. In 1747 inspireert een dreigende Franse inval hem tot een ‘Lierzang aan Nederland’, waarin hij het onder andere heeft over: ’T geweld, gepleegt op Neerlands grond, - Op ’t geile Fransche bloed te wreeken: - Dat Huis den hartâer af te steeken, - Dat naar Europes Vryheid stondt’. Het volgende jaar draagt hij met een ‘lierzang’ op de geboorte van een erfprins bij aan een opstand tegen de regerende regenten.

In 1751 betreedt Trip zelf het politieke toneel, doordat hij wordt gekozen in de raad. Door zijn felle en eigenzinnige karakter maakt de kleine en gezette Trip zich weinig geliefd. Een levensbeschrijving in de Groninger Volksalmanak van 1846 spreekt over ‘giftige pijlen van spot en schimp’, die hij afschiet op zijn vijanden.

Die reageren in 1776 door een portret van hem in het openbaar aan de galg te hangen. Het weerhoudt Trip niet van een verdere politieke opmars. Hij wordt lid van de Gedeputeerde Staten, de Raad van State, de Staten Generaal, de Generaliteits- en de Provinciale Rekenkamer, bewindhebber van de West-Indische Compagnie en in 1779 een van de vier burgemeesters van de stad.

Trip - die dan woont in het in 1763 door hem gekochte huis Ossenmarkt 7 - overlijdt op 19 augustus 1783, een dag voor zijn 70-ste verjaardag. Hij wordt dan beschouwd als belangrijkste Groninger dichter van de achttiende eeuw. In de negentiende eeuw wordt zijn werk nog hoog gewaardeerd, maar in de loop van de vorige eeuw verandert dat.

En zo komt Trip in 2001 met het vaak herdrukte ‘God zichtbaar in ’t onaanzienlijke’ terecht in een boekje van Wim Zaal met ‘de slechtste gedichten in de Nederlandse taal’,.

Tydwinst in ledige uuren

Tydwinst in ledige uuren

Enkele keren verschuilt Lucas Trip zich achter een pseudoniem. Zo dicht hij in 1748 als Irenophilus (Vredeminnaar) ‘Breydel voor heerschende muytzucht’. En in 1764 verschijnt onder het pseudoniem M.L. (Meester Lucas) ‘Tydwinst in ledige uuren; of proeven van stigtelyken aandagt’, dat wordt beschouwd als zijn beste dichtwerk. Na tien jaar verschijnt er een ‘tweede en verbeterde druk’. Daarin geeft hij, in zijn ‘Verbeterde dichtluim’, zelfs blijk van zelfkritiek: ‘Ik blies wel eer, - Maar zoo niet meer, - Den ijdlen lof der grooten; - Molblind voor Gods genadelach, - Staarde ik op tytels, gunst, gezach, - Glimwormen van den nacht; dwaallichtjes, ras verschoten’.