Zoek op de website

19 -20 maart 1851: Aankomst en verblijf in Sunderland

Eindelijk aan het huis komende /20/ alwaar stilgehouden word. Zelf had ik alreeds te voren opgemerkt in deze straat [Highstreet] wegens dat het spoedig aan nr. 139 toe was. De dogter komt buiten en roept dadelijk onkel, ofschoon ik haar niet kende. Dan komt zwager en andere kinderen."68" Mijn goed wordt in huis gebragt alles is in rep en roer. Zuster was niet te huis, die naar een krank kind te bezoeken was gegaan, maar wordt met de meesten spoed in huis geroepen, terwijl men mij bij een heertvuur in een grote stoel geplaatst had.
Het duurde niet lang, daar komt een Engelsche jufrouw"69" binnen vliegen en valt op mij aan. Zwager en alle kinderen hadden mij reeds allen omhelst, waarvan al reeds het gemoed veranderd was, maar thans kende het geen perk of paal ofschoon ik haar in de eerste plaats door de vreemde kleding maar even kende. Dit barste wederszijd in onderling geschrie uit, dat men niet konde bedaren en heb daardoor opgemerkt dat eene al te groote blijdschap niet goed is. Onder het schrijven dezes barsten zelfs de tranen opnieuw uit. Het laat zich niet wel beschrijven wanneer broeder en zuster die altijd en immer zonder twist geleeft hebben en zich in een tijd ruim van 17 jaren niet gezien hebben, alsdan die ontmoeting van zoo grote belang is."70" Tot mijn groot geluk weende ik mij van harten zat, hetgeene voor mijne gezondheid van groot belang was. Ik stond dan ook niet van mijne stoel op, omdat het mij zeer moijelijk viel wegens mijne stijve rug. Hier zat ik zeer goed bij het heete vuur.

Afbeelding van het deel van lower side van de High Street te Sunderland waar waarschijnlijk ook Benjamin Cohen woonde (uit: The Graphic d.d. 3 februari 1883) Afbeelding van het deel van lower side van de High Street te Sunderland waar waarschijnlijk ook Benjamin Cohen woonde (uit: The Graphic d.d. 3 februari 1883)

Thee en coffij was nu beide gereed om te drinken. Door de grote aandoening werd er echter niet veel gebruik van gemaakt, terwijl ik telkens opnieuw overluid schreide, temeer als de lieve zuster mij weder regt /21/ aanschouwde en kuste. Wegens de Noordzee denkelijk wat koude gevat hebbende, was het nu weder gelegendheid tot stand te komen. Alles werd in het werk gesteld, zoowel door die kinderen als van zuster, mijn gemak te bevorderen, de laarzen uit te trekken gaaf zwager mij direkt een paar huispantoffels.
En nadat ik nu wat bekomen was, kreeg ik sederd zaterdag voor 't eerst een goed warm maal. De goede zuster ontweek niet van mij en ik moet gaan eeten en het smaakte ook redelijk wel, terwijl het gemoed eindelijk ook wat bedaarde.
Nu wordt het tijd aan mijne belofte van aan mijne brave vrouw te voldoen om haar bij de aankomst gelijk te schrijven ten einde haar in gerustheid te stellen, hoewel ik zeer moede was en eigentlijk lang niet genoeg gestemt voor te schrijven. Maar het was reeds 1 of 2 dagen over de tijd, het ontbrak mij ook aan een goede pen, terwijl ik met de stalen pennen"71" niet veel kan worden en zoo goed als ik konde heb ik dan in de haast geschreven, omdat het bijkans zoo verre was dat de brief op de post gedaan moest worden. Vervolgens hebben wij den avond redelijk doorgebragt. Eene kleine twintigtal brieven die ik van familie en bekenden had medegebragt veroorzaakte aan zuster zeer veel genoegen, voornaamlijk te meer omdat zelfs uit de huishouding van hare Hollandsche meester"72" eene daaronder zich bevond. Nog hoger was de vreugde gespannen toen ik haar van vrouw Koekoek te Leek"73" een brief met een klein pakketje overhandigde, waarin zich bevond een Oostindische roode doek, die zij van wijlen onze moeder"74" gekocht heeft, die nu zoo bijkans /22/ op eenige dagen na een halve eeuw overleden is. Hare man en kinderen zijn alle hierover getroffen, terwijl zij daarover zoo zeer verheerlijkt was.

Zoo ga ik verder uitpakken mijne mede gebragte prezendjes: ook twee fraije koeken, de eene van schoonzuster Eva"75" die deze expres voor mijne reijs te Groningen had laten bakken met eene spreuk, werd even zoo wel als die van onze vriend Hildesheim goed en onbeschadigd overgebragt. Zuster ondervraagd zich naar de geheele Leek en Nietap. De kinderen, zoowel de groten als de kleinen, hangen met vreugde om mij heenen. De avond was eer men er om dagte spoedig te einde. Zuster had nu gezorgd dat er een zeer goed bed gereed was met een beste warmvles en een zweetmiddel van het beste Engelsche bier met gember en suiker klaar gemaakt. Nadat ik met moeite naar boven kwam, week zij niet van mij totdat ik zeide dat ik wezentlijk alreeds in zweet geraakt was en ik haar gelaste om maar heen te gaan.

Ik heb dan ook een zeer goede nacht gehad en mij 's morgens van alles vervrischt, zoodat ik toen reeds aanzienlijk beter geworden was. Maar dit was nog niet genoeg. Hare getrouwe stiefzoon de heer N.C. Rogers"76" wilde volstrekt hebben dat ik een warm zeebad moest gebruiken. Eerst nog in een apotheek een glaasje met brun vrijfgoed mede genomen en spoedig zijn wij, zonder nog het eene of ander gebruikt te hebben, in het badhuis."77" Het bad wierd /23/ door een deskundige met een termometer tot de nodige hitte gebragt, de buitendeur wordt digt gemaakt opdat ik nu alleen in de badkamer ende daarnaast aan een kamertje met goed steenkolenvuur was gereed maakt tot verwarming. Ik maakte nu gebruik van het heete bad, hoewel ik eerst met enigzins schrik erin kwam, het duurde echter geen vijf minuten of het was mij zeer aangenaam uit hoofde ik mij wel verbeelde slaprig en ranker te worden. Alle zweetgaten hadden nu de ruimte tot uitwazeming. Met aandacht moest ik mij zien onder het water te houden, want als er een gedeelte boven kwam, voelde ik koude eraan en vanzelfs dreef ik omhoog. Wat hiervan de oorzaak is, weet ik niet. Na verloop van plus minus 20 minuten ging ik er weder uit en toen ik bijkans gekleed was, stond de heer N.C. Rogers weder aan de deur om naar mijn welstand te vragen en mij weder huiswaarts te geleiden. Die goede jongeling had reeds de kosting betaald en ik konde weder geheel regtop gaan zonder moite of pijn. Door Gods zegen was dit eene grote troost.

Onder de weg naar huis heb ik gezien hout zagen met stoom, alwaar ik op 't horlogie af in twee minuten 18 voets post in de lengte heb zien doorzagen. Met een ronde schijf met zaagtantjes wierd het hout er voor gehouden, zeer netjes bewerkt. De zaag was met zeer kleine takjes. Met verwondring zag ik die post zoo spoedig af.
Het is nu donderdagmorgen den 20 maart 8 uren om op mijn gemak het morgen ontbijt te nemen terwijl ik nog zeer vermoeijd ben. Waarschijnlijk door het bad gebruik ook eene nieuwe bemoeijing ondergaan. Tehuis komende is door zuster weder alles in de beste order, de kamer doorheen warm gestookt, mijne grote stoel met kussen staat bij de ontbijttavel, alwaar ik nu met veel genoegen gebruik van maakte aangezien ik ook zonder te voren iets te gebruiken was uitgegaan. /24/

Zuster hangt weder gedurig om mij heen en is blijde dat ik mij nu zooveel beter bevind. Er wordt weder naar de Leek geinformeerd, waarop ik haar nu zeide: zuster het is nu aan u zelve toe, wanner gij nu wat wild, zal het u te gebieden staan om eens zelve over te komen, daar tog de reijs van tijd tot tijd gemaklijker wordt.
En na eene lange tijd zich te huis te hebben onderhouden, wordt het tijd de stad eens te gaan bekijken, die ook al zooals overal van dag tot dag zeer verfraaijd wordt door schone gebouwen, meerendeels voor winkels van allerlei aard.
De tijd voor het middagmaal is dan ook ras genaderd, het welk mij nu zeer goed te pas komt, dewijl nu de magen om het nodige voedsel had begonnen an te kloppen. Bij de thuiskomst is alles gereed. Het ontbreekt als nu aan niets eeten en drinken. Alles wordt mij op eene behoorlijke manier genoeg aangeboden en van waar ik nu ook wel gebruik maake.
's Avonds zouden wij gaan zien in een locaal de voorwerpen die voor de Londons tentoonstelling uit Sunderland er na toe gaan."78" Maar hierin zijn wij niet geslaagd. Naa eene lange tijd nog in regenachtig en buiachtig weder aldaar gestaan te hebben, was het mij te gevaarlijk om zich daardoor te dringen. Het arbeidsvolk had zich aldaar in grote menigte verzameld, terwijl het maar een enkelde stuiver koste om dit te bezien. Ik wil mij echter niet gaarne aan dit gevaar bloot stellen, terwijl ik zie dat van tijd tot tijd een zeker getal personen worden ingelaten en op mijn aanraden wordt het besloten om maar huiswaards te keren en wij God dankten dat wij uit het midden van het gedrang zijn uitgekomen. Het was nog al een heel endweegs na huis, zoodat ik geheel geen plan had om het weder te beproeven, terwijl wij de avond met genoegen onderling hebben doorgebragt. Het aangename vuur is mij nog beter als daar in het gedrang te zijn. /25/

68.

Volgens de volkstelling van 1851 hadden Mietje van der Reis en Benjamin Cohen toen de volgende (stief)kinderen: Wolf Benjamin (in Engeland William Rogers) geboren 15 januari 1818 te Leeuwarden; Froukje geboren 27 september 1819 te Leeuwarden en overleden te Parijs 2 augustus 1868; Roosje van Vinestreet, geboren 23 juni1821 te Leeuwarden, huwde 25 mei 1845 met Abraham Nathan; Nochem (in Engeland Nochem Cohen Rogers) geboren 26 februari 1823 te Leeuwarden; Lea (Lidia) geboren 1 oktober 1830 te Leeuwarden, gehuwd 8 december 1852 met David Cohen van Clivestreet in North Shields; Grietje of Margaret geboren 26 april 1832 te Leeuwarden, huwde 29 oktober 1856 met Henry Marks; Victor geboren 26 september 1834 te Leeuwarden en overleden 13 december 1839 te Sunderland in de Vinestreet; Caroline geboren 1837; en Esther geboren 1837, huwde 10 januari 1861 met Kofman Wolfe van 72 Highstreet. Zwager Benjamin Cohen oefende het beroep van 'jeweller/outfitter' uit; zie Hagar & Co.'s Directory of the County of Durham, 1851

69.

Het was zijn zuster Mietje (ook wel Amelia), geboren te Leek 14 september 1796 en op 4 november 1829 te Leeuwarden met Benjamin Cohen gehuwd en 1860 te Sunderland 60 Highstreet overleden.

70.

Hieruit zou kunnen volgen dat dat zijn zwager Benjamin en zuster Mietje eind 1834 of begin 1835 naar Engeland zijn vertrokken. Immers hun zoon Victor is nog eind september 1834 te Leeuwarden geboren.

71.

Mogelijk dat Van der Reis nog met een ganzenveer schreef, wat onder de condities waaronder hij meestal schreef een hele prestatie was.

72.

Het adverbium Hollands schijnt er op te duiden dat Mietje tijdens haar jeugd in dienst was bij een familie in Holland dan wel bij een uit Holland afkomstige familie in Leek. Dat er sprake is van een meester in de zin van onderwijzer lijkt mij minder waarschijnlijk.

73.

Waarschijnlijk is bedoeld Sjoukje Jans Koekoek, die 7 maart 1813 te Leek huwde met Lammert Andries Zuiderveld.

74.

Bedoeld is Lea Salomons Wijnberg, overleden 1801 te Leek.

75.

Mogelijk Eva Emanuel Knoek, geboren te Amsterdam 7 oktober 1792 en overleden te Leek 27 december 1881, gehuwd met Samuel Asser Lehmans.

76.

Uit deze opmerkingen over de stiefzoon en ook uit andere opmerkingen blijkt dat de ‘getrouwe stiefzoon’ N.C[ohen] Rogers Nederlands sprak. Waarschijnlijk is Nochem Cohen bedoeld, geboren 1823 te Leeuwarden en een zoon uit een eerder huwelijk van Benjamin Cohen met Reintje (Rachel) Isak de Groot. Zijn neef, de op 23 oktober 1831 te Leeuwarden geboren Mozes Cohen, ging in Engeland door het leven als Maurice Cohen Rogers. Hij was een zoon van Jacob Wolf Cohen, een broer van Benjamin, en Hester Mozes Kan.

77.

In Town Moor, niet ver van zijn logeeradres, bevond zich het badhuis van George Mitcheson, en in Hendon dat van George Smith.

78.

Bedoeld zijn de inzendingen van Sunderland voor de Wereldtentoonstelling (Great Exhibition) van 1851. Deze inzendingen bestonden uit: een door A.H. Ross ontworpen nieuw soort barometer; allerlei soorten glasplaten uit de glasfabriek van Hartley; een door J. Dannatt ontworpen mangel voor huishoudelijk gebruik; een door J. Hodson geconstueerde reddingsboot; een door Edward N. Fourdrinier ontworpen veiligheidsapparaat voor het geval kettingen of touwen tijdens het werk in de mijnen zou breken; en een door George Reed Hedley uit Monkwearmouth gebouwd model van een koopvaardijschip.