Zoek op de website

Schildwolde

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Schildwolda.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Een gehucht de Zanden genaamd, misschien om dat het uit hooge zanderige akkers bestaat, liggende een vierde uur van de kerk, in eene westelyke rigting: een gen: Denemarken ½ uur van de kerk, in dezelfde strekking, en een achter het Schildmeer, de Schildjer huizen genaamd, één uur van de kerk, in eene noordelyke strekking.
De naamsoorsprong onzer woonplaats komt, van het aangelegene Schildmeer en het boschryke dezer streek.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Dufsteen is er aan onze kerk niet. Het opschrift op onze oudste en kleinste torenklok luidt aldus:
Gregorius Gregorie. Hallensis. Saqon nia. me fevit anno domin. M.CCCCCCIII dominus est mihis adintor. Hiddo Lamberti Groethusanus pastor. Hiltko Frans, Popko Tiddens unde Hiltko Wierts Kercvogeden. Het opschrift op de grootste: 1785 Hebben G. Fremy en M.F. Heidefeld deze klok op vrywillige kosten der ingezetenen van Schildwolde omgegoten, toen A. Adriani Predikant en de Heer L. Wychgel Heer van Schattersum, B.H. Vinkers en Aeilko Abels alhier kerkvoogden waren.
Wel te sterven en te erven.
Wat beloofd wordt i Gods woord;
Lieven vrezen ’t Opperwezen.
Hiertoe wek ik wie my hoort.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Geene eigenlyke rivieren enz. maar een zoogenaamde Schipsloot, langs welke een schip over het Schildmeer en de Groeve naar Appingadam vaart. en een maar, in het welk de watermolens het water malen, vloeyënde in het Schildmeer, en door de Groeve in het Damsterdiep, en zoo naar Delfzyl.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Een gedeelte van het Schildmeer; drie meeren in de zoogenaamde Vinkersheerd en een Schattersmeer, thans byna droog gemalen.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Gasten, wierden, warven enz zyn hier niet; maar eene hoogte ten Zuidoosten van het dorp, bestaande in korenakkers, die wel 10 voeten hooger liggen dan de overige oppervlakte.

7. Welke bosschen zijn daar?

Geene andere dan van den Heer L.H. Wychgel, vrederegter van het Kanton Appingadam.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

In het Delfstoffelyk ryk:
Leem tot het metsealen en plaveyen der muren, en het leggen van dorschvloeren; en een weinig veen tot turf en bagger.
Plantenryk.
Rogge, boekweit, haver, garst, raapzaad, weit, aardappelen, vlas, knollen, wortelen en allerlei tuinvruchten en houtgewas.
Dierenryk.
Paarden, ossen; koeÑ´┐Żen, schapen, verkers, hazen, vossen, Patryzen, watersnippen wilde eendvogels, velerhande soort van visch als: aal, baars, snoek, brazem, karpers enz.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Ten zuidoosten aan Noordbroek een weinig klei: van daar, tot verders naar het dorp, veen en darggrond; in en om het dorp hoog zanderig, verders naar het noordwesten gemengde grond, als: zand, darg, knipaarde, enz.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Geene.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Hier bestaan; een rog- en pelmolen, een Gruttery, Yzersmedery, Kuiper, Stelmaker vyf linnen en vyf schacht weveryen, een Uurwerkmaker, een mandenmaker, een molenmaker, Stoel- en Wielmaker 2 Verwer-schilder en glazenmakers, eenige Kleermakers, Bakkers en Schoenmakers, benevens eenige timmerlieden.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Zeer veranderlyk maar niet ongezond.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eene Gereformeerde kerk, eene school, een Leesgezelscbap; en Zanggezelschappen geen ander, dan wat der Avondzangschool in den winter.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De meesten hebben hun bestaan van den landbouw en de veeteeelt en de overige uit hun handwerken by 11 te zien.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Platduitsch: want ofschoon het met het spreken wel niet zoo lomp is, als voor eenige jaren, is het echter ver van zuiver Nederduitsch.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Hun karakter is over het algemeen werkzaam, spaarzaam en mededeelzaam en de levenswyze zeer eenvoudig.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Onder de plaatselyke byzonderheden, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden, behoort: Dat in het voorjaar van 1822 de by ons staande oude Burgt Schattersum is afgesleten, en dat op den 6 Mei van dat jaar, de eerste steen werd gelegd, van het toen nieuw gebouwde Wychgelsheim, en twee daarby staande schathuizen, hetwelk vervolgens met een fraai bosch, waterleidings en aangename wandelwegen werd versierd. Verders dat er by ons staat een hooge spitse steenen toren van 180 voeten. Alsmede dat voorheen in ons dorp eene proostdy en een nonnenklooster is geweest, ter plaatse waar thans nog twee boerenwonings daar naar genoemd worden.

Aldus opgemaakt door den Schoolonderwyzer te Schildwolda den 27 September 1828.